CATECHISMUSPREEK
1980-11-28
Anderhalve eeuw geleden discussieerde de Herv. Synode over de tweede dienst op zondag. De belangstelling voor de catechismuspreek was niet groot. Dat ligt aan de catechismus, zeiden sommigen. Laten we ééns in de twee weken over de catechismus preken en de zondagen daartussen de Bijbelstudie op de preekstoel brengen. De synode concludeerde: de slechte opkomst ligt niet aan de catechismus, maar aan veranderde leefgewoonten én aan de mindere belangstelling in de behandeling van geloofswaarheden. Dat was in 1832! Je zou denken dat het iets van deze tijd was. Er is niets nieuws onder de zon. De mensen houden over ’t algemeen niet van de catechismuspreek. In verscheidene kerken, zeker in die welke geen eigen predikant hebben en in die, welke aan een systeem van ruilingen vastzitten, is nauwelijks sprake van een regelmatige behandeling van de Heidelbergse catechismus. - Jaargang 24
- nummer 45
Al vaak is gepleit voor de catechismuspreek en dan met het motief, dat de gemeente de leer der Kerk moet kennen. Zo wordt ze in het geloof gebouwd en gevrijwaard voor dwalingen. Ik zou een argument willen aanvoeren, dat aan de andere kant ligt en m.i. in deze tijd minstens zo gewichtig is. de gemeente heeft er recht op om te weten wat haar voorganger leert; wat hij gelooft en belijdt. De catechismuspreek dwingt hem ertoe, om dat onomwonden onder woorden te brengen. Bijvoorbeeld: ik hoorde op Pasen iemand verkondigen, dat enkele dagen na Zijn begrafenis Jezus weer voor Zijn discipelen begon te leven en dat Hij ook voor ons de Levende mag zijn. In die preek miste ik de roep: De Heer is waarlijk opgestaan. Een preek over Zondag 17 zou die prediker gedwongen hebben om te zeggen, wat hij er precies van dacht. Nu bleef ik zitten met een gevoel van onbehagen en een ander zal het een mooie paaspreek gevonden hebben; want het klinkt zo innig, dat Jezus in je hart leeft.