Het vrome volk

1980-11-28
  • Jaargang 24
  • nummer 45
Een verhalenbundel van Maarten 't Hart staat op litterair uitstekend peil.
Dat hoeft niet te worden bewezen want de Multatuliprijs is een krans op deze goede wijn. U leest een bundel als de onderhavige dan ook in één adem uit; het werk is boeiend, u bent erbij betrokken en komt geen enkel zwak plekje in het woordenweefsel tegen. Zelfs niet wanneer u vanwege de inhoud zich meer en meer kritisch tegen de schrijver opstelt.

Toch wijst de Multatuliprijs al in een richting: van een litteraire spotter, die Nederlands Oostindië zou bevrijden, daaroe de Nederlandse regering zou veranderen en het vaderlands christendom bekeren - maar zijn eigen gezin niet onderhield, in de goot terecht kwam en zijn "gebed van een onwetende" besloot met de woorden: ,,0 God, er is geen God!".

De schrijver 't Hart komt uit het christelijke milieu; ergens in het Westland, herhaaldelijk wordt Maassluis aangewezen. Hij kent de Bijbel, kent het "geklank" van Gods Woord, kent talloze bijbelteksten en misbruikt ze naar believen; meent het vrome volk te kennen, weet de ondeugden van het gereformeerde kerkvolk geestig en onderhoudend ie beschrijven maar weet van het kerkelijk christendom geen grein goeds te melden.
"Zoals jij de bijbel kent", kon zijn moeder zeggen; maar het goede mens wist zelf niet beter.

De Arbeiderspers ziet in zulk een verhalenbundel wel brood. Die komt het wel gelegen, wanneer een insider de ondergang van het kerkelijk christendom komt aanzeggen en aantonen. Op de omslag is een détail van een Vlaams schilderij aangebracht: "Intrigue" van James Ensor (1890), een man die sterk was in het schilderen van maskers, karikaturen en Jeroen Bosch-achtige typen. Welnu, dat is goed te zien: het vrome volk wordt uitgebeeld met typen, die alleen dom en/of slecht kunnen worden genoemd.

"Het vrome volk" is de aanduiding voor Gods eigen volk, de rechtvaardigen, de vrijgesprokenen om Christus' wil. De term is kennelijk ontleend aan de oude berijming van psalm 68: "maar 't vrome volk, in U verheugd, zal huppelen van zielevreugd, daar zij hun wens verkrijgen". Maarten heeft deze psalm ongetwijfeld vele malen gezongen; hij kent de Straatsburgse wijs, al kan hij geen wijs houden. Wanneer hij later besluit te gaan zondigen, speelt dezèlfde wijs hem' door het hoofd 'als hij een regel uit psalm 36 citeert: "een volle beek van wellust maakt hier elk in liefde dronken". En stapt op een hoerentent af.

De grimmige tekening van het gereformeerdendom (bekende namen uit onze kringen worden u niet bespaard, de naam "gereformeerd vrijgemaakt buiten verband" komt een keer voor) lijkt niet op de zachtmoedigen, die het nieuwe aardrijk zullen beërven. Er is geen huppelen van zielevreugd bij. Er is geen blijde toekomstverwachting in zijn verhalen terug te vinden.
Er zijn van Jerusalem geen heerlijke dingen te vertellen. Er is geen leven in het verbond, geen afsterving van de oude mens, geen opstanding van de nieuwe mens te zien. Er is niets van alles wat het zo waard maakt, christen te zijn.

Integendeel. Er is domheid en slechtheid van dat christenvolk te melden.
En huichelarij tot het onzinnige. Huisbezoek wordt gebracht door twee boeven van ouderlingen. Dominé Zelle, al preekt hij overtuigend en emotioneel, blijkt een schurk te zijn. De predikant-oom drinkt. Een andere predikant deugt ook al niet. Maarten's familie deugt helemaal niet.

Geen wonder dat iemand voor een kerkengroep met zulke vertegenwoordigers geen toekomst ziet.
Het verslag van het kerkelijk huisbezoek wordt ingeleid met een WCdetail, dat zelfs voor een bioloog als de schrijver onsmakelijk moet zijn.
Ook bij zijn verwachting van het wereldeinde komt de schrijver niet klaar zonder een WC-detail. Als hij in de kerk beter geluisterd had zou hij geweten hebben, op welke kiese wijze de Heiland spreekt over stoffen, die "in de heimelijkheid" weggedaan worden. Iemand die zich inzet voor natuur en milieu mocht wat meer smaak tonen dan de gemiddelde pornograaf.
En, aanvaardend dat zelfs de begeerte al overspel is, zoals de Heiland zei, vult Maarten aan: "dan is het verder ook niet erg meer". Dit is geen "alternatieve" bijbeltekst - dit is regelrecht een smakeloze omkering van de waarheid.

Eigenlijk hebben toch alle verhalen uit deze bundel iets dat u aantrekt. Er zijn trouwens erg goede bij zoals de opgejaagde Bunzing, het verdrinkende Paard, het verhaal over vivisectie en Hoogzomer in April. Maar als hij de vernietiging van deze aarde aankondigt rekent hij op een nieuwe aarde, waarop alleen bacteriën wonen. Die mogen zich dan evoluëren tot wat ze willen - mits niet weer tot mensen, want die verpesten toch alles. Wanneer God de mens tot zijn beelddrager heeft gestempeld, stelt Maarten hem beneden de autonome bacteriën.

Dat is het dualisme van deze schrijver. Steeds meer komt de vooroorlogse vraag bij het lezen op: is een litterair werk goed te noemen, wanneer het litterair-goed is - of moet er ook een boodschap van uitgaan? Als we die vraag bezien in het licht van de oudste verhalen, de oudste geschriften van de mensheid - dan blijkt steeds de inhoud hoofdzaak te zijn; de vorm beantwoordt aan de spanning van de boodschap. Sedert de Tachtigers echter is er geen schoonheidsbegrip ontstaan, dat de kunst-om-de-kunst hoogacht, ongeacht enige boodschap. Bovendien kan de realiteit vandaag niet meer gemist worden. En die realiteit is alleen te realiseren met hulp van WC-details, met het gore verhaal van een knaap, die door opgeschoten meiden wordt geschonden (de gore meiden maken kennelijk deel uit van het vrome volk) en "de mensen mogen met de dieren doen wat ze willen, zo heeft God het gezegd". Daarom vertroetelt de schrijver ratten, maar roeit wespen uit.

Maarten is een begaafd schrijver. Zijn pronken met een zeer middelmatige afkomst doet hem des te meer uitblinken. Ook dit is een kwaad onder de zon: sociaal en gewoon te schijnen en wel een hoog intelligentie-niveau te demonstreren. Zo bind je beide soorten lezers.

Er is wel eens beweerd dat, wie kritisch tegenover ons gereformeerde kerkvolk staat, Gods oogappel aantast. Zonder meer is dat natuurlijk nonsens.
Wie zelfkritiek mist mist tevens het recht, anderen te beoordelen. Dat moeten wij gereformeerden wel bedenken wanneer wij eenmaal de wereld, ja de engelen, zullen oordelen. Wanneer wij bang zijn voor zelfkritiek kunnen wij des te onbarmhartiger kritiek van buitenstaanders verwachten ..

Maar er is een groot verschil tussen zelfkritiek en de spot van overlopers.
Er is een hemelsbreed verschil tussen de kritikus, die schrijft vanuit zijn medeverantwoordelijkheid voor kerkelijke zonden en gebreken - en de kritikus die deze verantwoordelijkheid overboord gooide. Maarten is, ingewijd in leer en leven van het gereformeerde kerkvolk, de kerk uitgestapt: etaleert zijn ervaringen (en fantasieën?) vanuit een vijandelijke kazemat.

Vandaar dat hij het vrome volk niet liefheeft. Hij toont trouwens een liefde tot de Heiland zelf. Hij is thuis in het stuk van de ellende, maar van verlossing heeft hij nog geen weet en aan dankbaarheid voor de levensvernieuwing van een christen is hij helemaal niet toe. "Het bestaan van die stof" - zegt hij over een gruwelijk vergift - "bewijst dat God niet kan bestaan" (120). Herkent u Multatuli?

Maarten geeft dan ook geen tekening van het gereformeerde kerkvolkmaar een ver-tekening, een karikatuur, een maskerade, een bewuste vervalsing.
Alles zou waar kunnen zijn, de gruwelijkste zonden zouden onder ons kunnen voorkomen - maar één ding ontbreekt de schrijver: de kennis van zonde, berouw, vertwijfeling, de schreeuw om genade! Daarom kent hij de Heiland niet, al gebruikt hij diens woorden om de haverklap.

Bij elke rechtszitting vormt het zondenregister het eerste deel. Maar dan komt het tweede: het pleidooi. En als de zitting na aanhoren van het pleidooi op vrijspraak mag uitlopen. . . dan is het rekwisitoor vergeten, terzijde gelegd, afgedaan. Maarten blijft in het rekwisitoor steken. Dat is droevig, vooral voor hem.

Vroeger kende ik een boekhandelaar, die voor zijn vrijgemaakt-gereformeerde klanten opschreef, wat ze wel en wat ze niet moesten lezen. Die goede man dreef zijn boekverkopers-diensten zo ver, dat hij voor ons een soort index opstelde en ons onmondig de keus vereenvoudigde. Indien er nog van keus sprake was.
Ik houd er niet van u enige lectuur te ontraden. U moet zelf maar oordelen en waarlijk niet alleen naar stotende details. U moet zelf maar beoordelen of het materiaal, waaruit Maarten's stinkbommen gefabriceerd zijn, niet inderdaad in onze kerken voorkomt. En oordelen of er reden voor kerkelijke hoogmoed blijft bestaan. Paulus zou zeggen: als ik toch moet opscheppen, dan alleen in Christus!

Vooral moge het lezen van deze buitenkerkelijke kritiek uw zelfkritiek opscherpen. En als het vrome volk, Gods eigen volk, zichzelf beter leert kennen om des te meer tot Gods genade te vluchten - dan is ook dit boek niet tevergeefs geschreven. Want wie niet uit alles leren wil wil in 't geheel niet leren, zeggen degenen die spreekwoorden gebruiken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief