Dichters over de begrafenis van een dichter (1)

1980-12-05
  • Jaargang 24
  • nummer 46
Op 30 januari 1953 werd de dichter Martinus Nijhoff begraven. Die teraardebestelling vond plaats op de begraafplaats "Westduin" bij Den Haag.
't Was een koude, winderige dag, maar er waren toch veel vrienden van de dichter aanwezig. Ook dichters, en sommigen hebben hun emoties vastgelegd in een gedicht. Dat deden, onder meer, Ida Gerhardt, Gerrit Achterberg en Bert Voeten.
Het is boeiend naar hen te luisteren en te bemerken dat de één het weer heel anders beleeft dan de ander.
Zo geeft Bert Voeten min of meer een verslag van het gebeuren.

Uitvaart van Martinus Nijhoff

Om ons heen woei
de nevel uit zee,
de bomen stonden blootshoofds,
de winter kroop ons
langs de kraag in het bloed.

Praten deed men
met langzame tong
met een smalle mond
van hartzeer
en met een keel
vol ontoereikende troost.

Schelpgruis knerpte,
klagend cirkelden meeuwen
boven de kist
die op de zwarte schouders
der doodsbeambten
schommelde naar de kuil
in het duin.

Naast mij ging
een schreiend kind,
dat "oom" gezegd had
toen zijn oog
nog elke ochtend
neerzag in de stille tuin
met de bronzen knaap;
toen zijn oog nog hoorde
naar de liefste voetstappen
op de gangen,
toen zijn hand nog schreef:
"Geen haan kraait.
Geen hond blaft.
De zon blijft uit."

Nu sloeg op de horizon
een hond aan,
een sirene floot
het schaftuur,
vogels vlogen over
toen de touwen
schuurden langs de ribben
van zijn
harde brits.

Onder de blote bomen,
bij de hijgende zee,
een winterochtend,
lieten wij hem achter
met de witte bloemen
van ons laatste vaarwel.

't Is, zoals ik al schreef, min of meer een verslag, maar 't is wel het verslag van een dichter. De bomen noemt hij niet kaal, nee ze stonden blootshoofds, en het was niet zomaar koud, neer de winter kroop langs de kraag in het bloed.
Je ziet de stoet, langzaam lopend, naar de grafkuil gaan en je hoort het grind knerpen. Een schreiend kind, een neefje of nichtje van de overledene loopt ook mee in de stoet. Dat kind doet de dichter even terugzien op het dagelijkse leven van Nijhoff.
Toen dat kindje nog "oom" tegen hem zeggen kon, woonde hij nog in het huis met de tuin, waarin een bronzen. jongensbeeldje stond. In het huis waar hij zijn werk deed, zijn gedichten schreef. Ook dewoorden: "Geen haan kraait, geen hond blaft, de zon blijft uit", ze schieten hem te binnen als hij tijdens de begrafenis een hond hoort blaffen, een sirene hoort fluiten en veel vogels ziet vliegen.
Op de terugweg heeft hij het gevoel dat hij de overledene achterlaat, Nu, ja, wel met bloemen, maar 't zijn bloemen van een voorgoed' vaarwel.

Volgende week hopen we te luisteren naar Gerrit Achterberg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief