De werkers van het eerste uur

2008-09-26
  • Jaargang 52
  • nummer 19
Als we ons bezinnen op de positie van degenen die een functie vervullen in een veranderende kerk, is het goed om ook eens te kijken naar de 'werkers van het eerste uur'.
Wat kunnen we van het Nieuwe Testament leren over werk in de kerk?1)

We kunnen daarbij zowel te veel als te weinig aan de Bijbel willen ontlenen.
Teveel als we de suggestie wekken dat er rechte lijnen te trekken zijn van de eerste gemeenten naar de manier waarop wij de kerk vormgeven.
Daarvoor zijn alleen al de verschillen tussen de gemeenten in bijvoorbeeld Jeruzalem, Rome en Korinte te groot. Te weinig als we zo onder de indruk raken van de culturele verschillen tussen toen en nu dat we gegevens uit het Nieuwe Testament te snel niet van toepassing verklaren.

Apostelen als fundament
Bij alle verschillen in vormgeving is duidelijk dat Jezus Christus zelf de centrale figuur is. De kerk leeft van het Evangelie van de redding door het geloof in Hem. Hijzelf is het hoofd van zijn lichaam, de gemeente.
Hij oefent zijn gezag uit door de apostelen die Hij persoonlijk heeft aangesteld en die optreden namens hun zender. Zij zijn bij uitstek de verkondigers van het Evangelie van Jezus Christus en opvallend is hoe de apostelen in Handelingen ook telkens een rol spelen bij het 'doorgeven van de Heilige Geest'.
Apostelen en hun medewerkers staan boven de plaatselijke gemeenten.
Maar niet in organisatorische zin. Er is in het Nieuwe Testament geen bovenplaatselijke formele organisatiestructuur.

De kern van het gezag van de apostelen bestaat dus in het beroep op Jezus Zelf. Dat is ook de grens ervan. Paulus bijvoorbeeld was zich van die grens heel goed bewust ('dit zeg ik, niet de Here' - 1 Korintiërs 7:12).
Op grond van het getuigenis van de apostelen ontstaat er al vroeg een normatieve traditie (1 Korintiërs 15:1-
4; Hebreeën 2:1-4). Uiteindelijk vindt die zijn schriftelijke neerslag in het Nieuwe Testament.
Jezus Christus Zelf is dus de hoeksteen en de apostelen zijn het fundament van de wereldkerk (Efeziërs 2:20), tot in het nieuwe Jeruzalem toe (Openbaring 21:14).

Plaatselijk ambt
Plaatselijk zijn het de oudsten die leiding geven aan de gemeente. Vanaf het eerste begin zijn zij de vanzelfsprekende vertegenwoordigers van de gemeente (Jakobus 5; Handelingen 15 en 20). Naast leidinggeven worden in 1 Timoteüs 5:17 als mogelijke, aanvullende taken prediking en onderricht genoemd.
Een mooi gedeelte over de taak van oudsten vinden we in 1 Petrus 5:2-3 ('hoedt de kudde Gods, die bij u is …'). Hoeden kan gezien worden als een combinatie van leidinggeven en zorgdragen. Zij moeten daarbij niet uit zijn op eigen voordeel, maar op dienstbaarheid. Dienen is ook de kern van leidinggeven in het Nieuwe Testament. Niet in de zin van gehoorzamen aan de voorkeur van de meerderheid, maar als doen wat het beste is voor de ander.
Oudsten moeten ook niet op macht uit zijn, want 'nederigheid' wordt van allen gevraagd, ook van de oudsten (1 Petrus 5:5b). Maar ze moeten het goede voorbeeld geven en laten zien hoe het leven van een christen geleefd moet worden. Wie zo oudste is, mag ook op 'onderwerping' rekenen (1 Petrus 5:5a), dat wil zeggen dat hun gezag en hun leiding erkend wordt.

Vanuit de gaven
Het is boeiend om ook vanuit het perspectief van de gaven te kijken naar 'de werkers van het eerste uur.
Nog maar enkele tientallen jaren is er in gereformeerd Nederland vrij veel aandacht voor de geestesgaven en voor gavengericht gemeente zijn. Niet dat je heel massief kunt spreken over de gaven van de Geest, want in het Nieuwe Testament ligt de zaak wel wat gecompliceerder. Het Griekse woord charisma, genadegave, duidt doorgaans op de gave, die christenen gekregen hebben om anderen te dienen.
Zo vind je het woord charisma in 1 Korintiërs 12 maar liefst vijf keer, waarbij ook een opsomming van een aantal mogelijke gaven (12:8-10) gegeven wordt. Zo'n opsomming (maar weer anders ingevuld) treffen we ook aan in Romeinen 12:6-8. Dat moet ons voorzichtig maken. Het zijn niet meer dan voorbeelden van gaven zoals die in de verschillende gemeenten functioneerden; geen voorschriften voor alle plaatsen en alle tijden.

Naar een permanente status
In het begin van 1 Korintiërs 12 is sprake van gaven (charismata), bedieningen (diakoniai) en werkingen (energèmata), drie gestalten van het werk van de Geest die elk een andere indruk maken. Bij 'gaven' zou je dan meer moeten denken aan de bijdrage die ieder als vanzelfsprekend aan de gemeente levert. Een 'bediening' is dan een meer permanente, geordende dienst. En het woord 'werkingen' zou dan kunnen duiden op een meer incidenteel, krachtig ingrijpen van God door tekenen en wonderen.
Je zou kunnen zeggen dat bepaalde gaven tenderen naar een meer permanente status. Iemand met de gave van profetie wordt profeet. De gave van onderwijzen is het eigene van de leraar. En een oudste heeft de gave van leidinggeven nodig.
Toch krijgen we uit het Nieuwe Testament allerminst een indruk van eenvormigheid. Er is geen sprake van een vaste structuur die we overal aantreffen.
Wat wel opvalt is dat bij de gaven geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen, maar dat de oudsten altijd mannen zijn, net als de apostelen.

Een paar lijnen
Welke conclusies kunnen we hier voor onszelf uit trekken?
Uiteindelijk is er maar één gezagsinstantie in de gemeente van Jezus Christus, namelijk de Here Zelf. Maar Hij oefent dit gezag uit via mensen die door zijn Geest geleid worden.
Leiding geven aan de gemeente zal dus een zaak zijn van een voortdurend biddend zoeken van de leiding van de Heilige Geest.
Gezag in de gemeente moet zich dus altijd inhoudelijk legitimeren. Dat wil zeggen de overeenstemming met het Evangelie van Jezus Christus, zoals dat zijn neerslag gevonden heeft in het Nieuwe Testament, moet worden aangetoond.
Een formeel beroep op structuren of posities volstaat nooit.
Als we de term ambt reserveren voor leidinggevenden in de gemeente, dan moeten we voor wat het Nieuwe Testament betreft denken aan de apostelen van Jezus Christus als geestelijk leiders van de wereldkerk en aan de oudsten als leiders van een concrete gemeente. Daarnaast is er sprake van verschillende 'diensten', zoals evangelisten, profeten, diakenen en leraars. We vinden hiervan in het Nieuwe Testament geen standaardlijsten.
Er is geen eenvormigheid.
De organisatiegraad is laag.
De diensten kunnen gezien worden als geïnstitutionaliseerde gaven, al geeft dat geen exclusief recht om bepaalde taken uit te oefenen. Niet alleen de evangelist is geroepen om het Evangelie te verspreiden en naast de tucht door de gemeente is er de onderlinge vermaning, enz. Bij de diensten treffen we zowel mannen als vrouwen aan, bij de leidinggevende posities (apostelen en oudsten) niet.

1) Voor een bredere oriëntatie zie Age Romkes, Gaven voor de gemeente, in: drs. R.J.A. Doornenbal en dr. P.A.
Siebesma (red.), Gaven voor de gemeente.
Over het werk en de gaven van de Heilige Geest, Zoetermeer 2005.

Drs. Age Romkes is lid van de NGK Ede en docent Nieuwe Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede.

52e jaargang nummer 19, 26 september 2008 21
.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief