Vredesberaad / Vredesgepraat

1980-12-12
  • Jaargang 24
  • nummer 47
Psalm 2, vers 7 t/m 9 Jeremia 8, vers 11 en vlg.
Mattheüs 7, vers 21 t/m 23 Jesaja 57. vers 21

Hoe zou dat toch komen, vroegen we ons af, dat onder de mensen alle vredesberaad nooit verder komt dan meer of minder uitvoerig vredesgepraat, dat meestal nooit verder komt en geen zoden aan de dijk zet.
Het lijkt wel, alsof zélfs de vredesboodschap van Christus' geboortefeest alleen maar bestaat in mooie woorden.
Er zijn twee belangrijke faktoren, die hiervan de oorzaak zijn.
Vrede is voor ons vaak negatief van inhoud, nl. er is geen oorlog, althans konkrete oorlogsdaden ontbreken. Als de verhouding tussen de volken maar "rustig" blijft, vinden we het allang goed. "Zolang ze praten, vechten ze tenminste niet." Maar dezelfde profeet, die eerst spreekt over het vrederijk van de Messias, waar wapens en oorlogstuig wordt ómgesmeed tot werktuigen voor de vrede, zegt dan een hoofdstuk verder, dat hij het land Assur zal weiden met het zwaard (Micha 4 : 1-4 en 5 : 1-5).
De tweede faktor, die het vredesberaad vaak verslappen tot vredes gepraat is het ontstellende verschijnsel, dat geen mens en geen volk ooit uit eigen beweging luistert en luisteren zal naar het intergoddelijk vredesberaad zoals psalm 2 dat bezingt.
Want deze psalm zegt heel konkreet: "De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de HEER en zijn Gezalfde (en zij zeggen): Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen."
Alle machten willen vrede en zij willen daarover ook wel praten, maar beslist niet de vrede, waarvan het goddelijk beraad vol is: de vrede van het messiaanse rijk en de glorie van de Messias. Zij willen alleen de vrede, die voorkomt uit de triumf van eigen macht en glorie.
En nu moeten we de aanhangers van deze machtspolitiek niet alleen zoeken bij het kapitaal, het militarisme, de militaire junta of de wapenfabricage.
Volgens de profeet Jeremia is Gods volk zelf aan dit verzet tegen de levende God ten onder gegaan en ze hebben wél veel over vrede gepraat en de profeten van dat volk hebben telkens gezegd: "Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde", maar ze hebben zichzelf en het volk bedrogen. Ze zeiden wel: "Wij zijn wijs en de wet des HEEREN is bij ons," maar zij willen er zelf alleen maar beter van worden en elkaars vrouwen en land roven (vers 9 en 10). En het volk sussen zij met hun vrome preken over vrede en geen gevaar. In vers 11 staat dat heel duidelijk: "Zij trachten de breuk van de dochter van mijn volk op het lichtst te genezen en roepen maar: vrede, vrede, maar daar is helemaal geen vrede. Zij praten maar over vrede, maar de kern van de onvrede ontgaat hun, want zij beginnen niet, waar Gods vredesberaad begint, in het beraad van zijn genade over een zondige mensheid in een verloren wereld. Sjalom, vrede, dat is maar niet, dat er een jaar of dertig geen oorlog is of dat volken proberen door hun organisaties dreigende oorlogen te voorkomen of in te perken. Vrede is, dat er harmonie is met de levende God, niet maar in je hart, maar in heel het konkrete mensenleven. Dié vrede is op aarde neergelegd, konkreet in Jezus Christus, zingen de engelen. Maar overheden en volken doen net of hun neus bloedt en praten maar over vrede en doen uitspraken over vrede en demonstreren tegen oorlog en tegen wapens, alsof het kwaad daarin zit en niet in hun eigen mens-zijn. Zij willen die God-van-de-genade niet.
Laten we niet hooggevoelend en verwaten oordeel vellen over deze mensen en machten. Ook de religieuze mens doet niet beter dan de andere.
Als de Heer Jezus in de bergrede spreekt over de krachten van het koninkrijk van Gods gerechtigheid, wijst hij op de valse profeten en zegt, dat alleen de goede bomen goede vruchten voortbrengen en hij spreekt van de mensen, die al maar Heer! Heer! zeggen en roemen in hun goede werken: ze hebben geprofeteerd en boze geesten uitgeworpen en allerlei krachten gedaan; we zouden kunnen zeggen: telkens weer strukturen veranderd en vredeskonferenties gehouden en toch kent de Heer hen niet; en dan niet omdat hij wreed en willekeurig de een aanneemt en de ander verwerpt, maar omdat ze werken van wetteloosheid hebben gedaan.
En deze wetteloosheid is de diepste oorzaak van de onvrede.
Wie alleen aan zichzelf denkt en de glorie van Christus veracht, kan geen vrede stichten en bewaren. Hoogstens de scherven wat aan elkaar lijmen, maar dat is alles.
En een vroom woord, een schijnbaar ootmoedig gebed kan daar niets aan veranderen. Je kunt "Heer! Heer!" zeggen en toch oorlog en strijd, geweld en terreur verwekken.
Want het is, zoals de profeet Jesaja onder andere in hoofdstuk 57, vers 21 zegt: "De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede."
En de goddelozen, dat zijn niet alleen maar de atheïsten en de mensen, die God dood verklaren, maar ook de religieuze zielen, die leven zonder geloof in de levende God. Ook de mensen, die zweren bij gereformeerde tradities en christelijke leuzen, maar de levende God niet nodig hebben.
Goddelozen zijn ook de kerstfeestvierders, die in naam van de vrede de wereld willen veranderen maar de Vrede, die in Christus verschenen is, niet omhelzen. Goddelozen zijn de kerkmensen, die vanuit hun christelijk getuigenis de kernwapens willen uitbannen, maar die hun eigen leven niet willen veranderd zien door de Geest van Gods koninkrijk.
Ze willen allebei de koning der joden gaan aanbidden, de wijzen uit het oosten en Herodes. Maar de laatste heeft het moordwapen in zijn hart en zal straks alle jongetjes van Bethlehem eraan wagen, omdat hij de Christus van God vermoorden wil.
Goddelozen zijn de farizeeën die schamperend vragen, of er uit Nazareth, uit Galilea, iets goed kan komen.
Goddelozen, dat zijn de werkers van de wetteloosheid, zoals we die ook in onze tijd zien opkomen. Die misschien wel de vredesboom in hun kamer zetten en roerend kunnen zingen "vrede op aarde", maar tegelijk de Christus der Schriften wegmoffelen achter hun ideeën en ideetjes, waarmee ze in en uit praten over vrede, maar Gods vredesberaad laten liggen als niet nodig en onbruikbaar.
De diepste oorzaak van al het vredesgepraat ligt bij u en bij mij. Diep in onszelf. In onze ónwil om ons voor God te verootmoedigen. In "onze onmacht om de Naam van Jezus Christus te aanvaarden, in ons verzet om alleen op de Heer te vertrouwen. We spreken tegenwoordig van het "doemdenken". De mensen hebben geen énkele verwachting meer van de wereld en haar toekomst. Een volgende wereldoorlog zal onze planeet vele malen vernietigen.
Niemand zal dat meer kunnen weren.
De bijbel heeft dat doemdenken reeds getekend in het gedrag van de mensen in de laatste bedeling die zeggen: "Weet je wat, laten we maar lekker eten en drinken en laten we maar lol trappen, want morgen is alles voorbij en sterven we."
Dat doemdenken is de wrange vrucht van de wetteloosheid van de menselijke samenleving en zelfs de jongere generatie in de kerken weet niet, hoe ze daar onderuit moet komen.
Hun idealen verdwijnen, hun toekomst is op zijn minst onzeker.
En, zeggen zij, wat geeft de kerk ons te zien? Daar kregen we twee kerkscheuringen in vijf en twintig jaar en zelfs dáár konden ze geen vrede houden. Voor mij hoeft het niet meer.
Als Johannes de Doper de komst van de Messias moet aankondigen, het grote jaar van het welbehagen des Heeren, begint hij met de oproep tot bekering: "Bekeert U, want het koninkrijk van God is nabij."

Het doemdenken gaat ervan uit dat alles tóch zo komen moet en de wereld aan haar lot niet ontkomt.
Het gelovig denken weet, dat dat alles komt, want Christus heeft het duidelijk voorzegd; maar Hij is op weg naar het vrederijk van morgen.
Dat is maar niet een wissel op de toekomst of op de eeuwigheid.
Want je mag er hier, in dit rotbestaan van deze verschrikkelijke wereld iets van laten zien, in je leven, in je daden, in je praten, in je strijd, in je huwelijk, in je gezin, aan je kinderen, aan je buren en ga zo maar door.
Maak van de kerstboodschap geen vredespraatje. Geen romantische sfeerbeleving. Geen geklets. Met meer vreten dan vrede.
De Heer beware ons voor vroom gepraat over vrede als gebaar van onze wetteloosheid.
Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne en je onderweg omkomt.
Dat is geen vredespraat, maar het vredestraktaat bij uitstek.
Zelfs als de "vrede" in de wereld zou geschonden worden.
Over dat vredestraktaat nog iets de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief