Dichters over de begrafenis van een dichter (2)
1980-12-12
Vorige week luisterden we naar het verslag dat Bert Voeten deed van de begrafenis van de dichter Martinus Nijhoff.- Jaargang 24
- nummer 47
Ook Gerrit Achterberg geeft iets weer van wat hij bij die gebeurtenis ervoer.
Begrafenis op Westerduin
Twijfelend bij een halte in de stad
vroeg ik een aanspreker de kortste weg.
Ik moet er ook naar toe, heeft hij gezegd.
De tuinman en de dood, heb ik gedacht.
Hij wist niet wie hij te begraven had.
De naam van Nijhoff had hem niets gezegd.
Ieder komt evengoed bij hem terecht.
Geen mens bestaat zonder zijn eigen vracht.
Doodbidders, vier aan vier, gaan voor de kist.
Een zwart quadraat schuift naar een dito gat.
En kleiner wordt het laatste ogenblik.
Ruimte en tijd kortsluiten op het pad.
Het touw gaat liggen met een losse knik,
wijl God niet eeuwig met zijn maaksel twist.
Dit verslag is wel iets persoonlijker dan dat van Bert Voeten. Het begint al op de heenreis. Hij weet, als hij eenmaal in de stad is, niet zeker of hij wel de juiste weg gaat naar het kerkhof. Nu, aan wie kun je dat in zo'n geval beter voorleggen dan aan een aanspreker?
Als de man dan zegt dat hij er ook naartoe moet, denkt Achterberg meteen aan het gedicht van Van Eyck: De tuinman en de dood.
In dat gedicht is ook sprake van een samenloop van omstandigheden. De tuinman in dat gedicht, vraagt aan zijn heer, een Perzisch Edelman, om zijn paard, want hij wil vluchten. Hij heeft zojuist, toen hij aan het snoeien was in de rozenhof, de Dood ontmoet. Hij was hard weggehold van de schrik, maar had nog wel gezien dat de Dood hem bedreigde. Nu wil hij weg, weg naar Ispahaan. Als de Edelman 's middags de Dood ontmoet, verneemt hij van hem dat hij helemaal niet heeft gedreigd, maar dat hij' verrast was: "Toen 'k 's morgens vroeg nog in Uw tuin zag staan, Die 'k 's avonds halen moest in Ispahaan."
Nu, als je praat met een aanspreker, zo'n man in het zwart en met een hoge hoed op, en hij moet uitgerekend naar de zelfde begrafenis, is het geen wonder dat je aan dat gedicht van Van Eyck denkt.
Achterberg had, waarschijnlijk, niet eerst de naam van het kerkhof genoemd, maar gezegd dat hij naar de begrafenis van Nijhoff moest. Nu, die naam had de man niets gezegd. Wat zegt voor zo iemand nu een naam, iedereen komt evengoed bij hem terecht. De dood maakt geen onderscheid.
Op het kerkhof gekomen, ziet hij de doodbidders al gaan, vier aan vier, en ook nog vier die de kist dragen. Ze naderen, langzaam maar zeker, de laatste rustplaats. "En kleiner wordt het laatste ogenblik."
Tenslotte, net als bij de dichter van de vorige week, valt hem het geluid op van de touwen als de kist in het graf daalt. Dat is, zo zegt hij, het einde: wijl God niet eeuwig met zijn maaksel twist.
Er is, dat geldt voor iedereen, ten laatste de dood. Over het uitzicht op het eeuwige leven, zegt deze dichter hier niets.
Tenslotte, nog iets vreemds. U zult dit gedicht niet vinden in de verzamelde werken van Achterberg. Althans niet zoals U het hierboven hebt gelezen. Want, onder een andere titel, staat daar een gedicht in dat bijna precies eender is, maar dat niet gaat over de begrafenis van Nijhoff. Diens naam wordt niet genoemd.
Dat gedicht heet: Teraardebestelling. De tweede regel van het tweede vers luidt: Namen worden het eerste afgelegd. De laatste zin van het hele sonnet is dan veranderd als volgt: Is, langs de benen, haastig weggegrist.
Waarom Achterberg dit zo heeft gedaan is niet bekend. Er is wel over gefilosofeerd, o.a. door Paul Rodenko. Hij meent dat Achterberg, mogelijk niet erg bevriend was met Nijhoff. Dat is niet helemaal onmogelijk, want het waren wel twee heel aparte figuren. Nijhoff was een nogal dualistische figuur en bovendien woonde hij in Den Haag, een stad van "Heren" en met heren had de boerenzoon Achterberg niet veel op. In zijn "Ode aan den Haag" laat hij dat wel merken. Die begint: De heren van den Haag zijn onderweg.
Voorzien van handschoenen en actetas zwermen zij uit, bezetten zij de stad.
Overigens, wie zal het zeggen.
Volgende week hopen we te luisteren naar Ida Gerhardt en te vernemen wat haar bewoog bij de begrafenis van Martinus Nijhoff.