HET RAAM
1980-12-12
"Gezien en doorgegeven om ook anderen aan te steken"- Jaargang 24
- nummer 47
Veel had het raam mij al verteld, en de gesprekken lieten mij niet los.
Waren we als kerk niet teveel instituut geworden en waren we niet teveel bezig met onze eigen dienst en te weinig met de dienst van Hem die kwam om te dienen? Hield de vraag naar de eigen identiteit ons zoveel bezig, dat we niet of nauwelijks toekwamen aan dé grote opdracht: "Gij zult Mijn getuigen zijn?". Zou de onderlinge verdeeldheid de gelovigen niet teveel afhouden van de gezamenlijke strijd tegen de vijand van ons allen, de vorst der duisternis?
NI die tijd dat ik mij bewust was meelevend kerklid te zijn werd ik geconfronteerd met de vraag: wat is de echte kerk? Maar het werd me steeds duidelijker dat ik het niet zo kon stellen. Immers, de Bijbel spreekt alleen over de Gemeente.
Een Gemeente gebouwd op dat ene fundament: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God". En die op dat fundament bouwen behoren tot die ene Gemeente, het lichaam van Christus. Dat is dan ook. veel meer een organisme dan een organisatie.
Een lichaam waar het bloed van Jezus doorstroomt en dat de Geest van God inademt.
Stel nu eens dat iemand op een zondagmorgen Kerkbreuken bezoekt, het stadje waar de oude kapel staat. En deze vreemdeling zou aan de eerste de beste voorbijganger vragen: "Waar houdt de Gemeente van Jezus Christus haar diensten?"
Ik denk zo dat de aangesprokene twee antwoorden kan geven. "Ik weet het niet." Of ... "Welke kerk wilt u bezoeken?"
Zo gaat dat. Die vreemdeling moet dan ook maar duidelijk zijn.
Hij zou moeten vragen naar de kerk van dominee zus of zo, of naar een bepaalde geloofsgemeenschap. Die vreemdeling zou dat toch zeker moeten weten. Wie vraagt er nou naar de Gemeente van Jezus Christus?
Ik liep daar zo wat over na te denken op een koude januaridag. Terwijl ik door het park liep, werd ik uit mijn overpeinzingen gehaald door een troep kwetterende vogels in de rode takken van de kornoelje.
De vogels hield ik eerst nog voor wat luidruchtige spreeuwen, maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat het kramsvogels waren. Kramsvogels?
Hé, die komen uit Noordoost-Europa. Die moeten dus nieuws hebben over de onderdrukte christenen daar.
Zouden de kramsvogels ook wel eens op de richel van het raam zitten, zoals de duiven en de kraaien?
Ik wist dat het raam veel te weten kwam van die vogels. Het waren zogezegd zijn nieuwsgaarders.
De kapel lag vlakbij het park, dus ...
Even later stond ik voor het raam.
Op de richel zat een kramsvogel.
Z'n roodbruine veren werden door de grijze winterlucht nog meer geaccentueerd.
Ik wachtte tot de vogel weer wegvloog en tikte toen tegen het raam.
"Zo, ben je daar weer?", vroeg het raam.
"Ja, en je had bezoek uit verre streken, nietwaar", antwoordde ik.
"Die kramsvogel bedoel je? Nou dat beestje heeft me weer heel wat verteld. Voor jou de moeite waard om te horen."
En wat het mam toen vertelde was zeker de moeite waard.
"Heb je wel eens van huisgemeenten gehoord?", begon het raam.
"In het land waar de kramsvogel vandaan komt is geen sprake meer van een openbaar en geregeld kerkelijk leven. De gelovigen komen daar meestal samen in hun huizen.
Soms houden zij ook openluchtsamenkomsten tijdens begrafenissen, of zij komen bij elkaar in afgelegen bossen. Traditie en vormendienst is taboe geworden. Vaak moeten zij naar nieuwe vormen zoeken om niet op te vallen. Maar hun verbondenheid met de Heer en met elkaar wordt steeds groter. Men heeft geen kerkgebouwen meer nodig.
Het gebouw is de gemeente zelf.
Een gebouw van levende stenen.
Door lijden en verdrukking zijn zij in het land van de kramsvogel tot een levend getuigenis geworden. Zij voelen dat lijden als een privilege.
Het is lijden voor hun Heer.
Zij maken daar ook niet zo'n probleem van het zingen uit een oude of nieuwe berijming, van een lied of een psalm. Nieuwe liederen ontstaan vaak tussen kerkermuren in plaats van tussen kerkmuren. Zij zingen in het hart onder vreemden en vanuit het hart onder elkaar. Het probleem van wel of geen kerkverband speelt geen rol meer. Eik officieel verband zou immers gevaarlijk voor hen zijn. In Christus hebben zij hun kerkverband, Hij het hoofd en zij de leden. En ... hun leven in de Heer werkt aanstekelijk."
Hier stopte het raam even. Maar ik had nog maar net de laatste woorden opgeschreven, toen het met een lichte verandering in de trilling van het glas verderging.
"Dát hebben de kramsvogels gezien en brachten het over om ook anderen aan te steken. Je moet daar zeker wat mee doen."
Nadat ik ook dat laatste had genoteerd en met een dikke streep onderlijnt, bedankte ik het raam voor het doorgeven van deze boodschap.
Ik stopte papier en potlood in de binnenzak van mijn jack en verliet de koude kapel. Ik was diep onder de indruk van wat ik over de broederschap in het land van de kramsvogel gehoord had. Straks zou ik in alle vrijheid en in de behaaglijke warmte van mijn kamer het verhaal van de kramsvogel uitwerken. Maar hoevelen zullen er om hun geloof in eenzame opsluiting zitten, of naar werkkampen in ijzige streken gestuurd zijn?