Opmerkingen over het diakenambt (2 - slot)
1980-01-18
Uit de in 1977 onder diakenen gehouden enquête blijkt dat meer dan 75% van de diakenen nooit hulp heeft verleend aan mensen uit dat rijtje dat ik juist opnoemde. Je kunt je afvragen hoe dat komt. Je kunt je zelf zand in de ogen strooien door te menen dat al die narigheid in eigen gemeente niet voorkomt. 'k Ben bang dat u dan aan struisvogelpolitiek doet. U weet van die problemen waarschijnlijk niet af.- Jaargang 24
- nummer 3
Veel mensen praten over hun problemen gemakkelijker met vreemden dan met broeders. Daar hebben ambtsdragers het waarschijnlijk naar gemaakt, daar hebben - wat algemener gezegd - de brave kerkmensen het naar gemaakt. Wie meent dat de problemen in een wat we noemen conservatieve gemeente minder zijn dan in een gemeente die met progressief wordt aangeduid vergist zich eveneens. De in 1977 gehouden enquête onder jongeren over seksualiteit heeft dat wel duidelijk aan het licht gebracht.
De taak van een diaken is met allerlei problemen op de hoogte te zijn, er iets vanaf te weten, teneinde z6 een brug te kunnen slaan naar een maatschappelijk werker of een psychiater. Het kan zijn dat een cursus gesprekstechniek kan helpen om een goed gesprek te voeren. Als in de brochure Gemeente-opbouw van het GESV in 1970 wordt gezegd dat ambtsdragers in de kerk de maatschappelijk werkster het liefst op een afstand houden, dan is dat een droeve zaak. Het kan zijn dat ambtsdragers bezwaren hebben tegen het feit dat een maatschappelijk werkster niet altijd het platgetreden gereformeerde paadje bewandelt, maar de vraag blijft dan of dat pad wel w gereformeerd, zo christelijk, zo bijbels is. Ik ben bang dat veel ambtsdragers - ook diakenen - de problemen wegschuiven óf voor alle problemen een oplossing in hun zak denken te hebben. Als volgens de genoemde enquête slechts 7 diakenen te maken hebben gehad met seksuele problemen en slechts 4 met drugproblemen zal niemand toch de illusie hebben dat in onze kerken dergelijke gevallen vrijwel niet voorkomen. De mensen van de Stichting Kinderbescherming kunnen wat dat betreft wel andere verhalen vertellen.
Ook onder ons zijn problemen. Maar ze komen vaak met aan de oppervlakte omdat men van kerkelijke ambtsdragers - ik noem nu expres niet alleen de diakenen - geen hulp verwacht. De verwachting die je van een ambtsdrager hebt hangt nu eenmaal voor een groot deel samen met de wijze die iets te bieden heeft.
Ik wil een paar verhalen vertellen; ze zijn niet verzonnen en ik zou er nog wel meer kunnen geven.
a) Er was eens een jongen die drugs gebruikte, hij was zestien jaar toen hij er mee begon maar hij durfde er thuis niet over te praten om zijn ouders geen verdriet te doen. Met de ambtsdragers van de gemeente wilde hij niet praten omdat hij daar geen enkele heil van verwachtte. Eindelijk deed hij toch zijn mond open tegen een broeder die met hem bad. Dat was goed van die broeder maar toch onvoldoende. Want als je bidt moet je ook werken. Die broeder wist echter niets van drugs af en kon dus weinig verstandige dingen zeggen. En zo kwam die jongen bij het Leger des Heils terecht. Gelukkig, hij had ook ergens anders terecht kunnen komen.
En daar ontmoette hij medemensen, daar was hij geen getekende meer, geen randfiguur, daar werd niet óver hem maar mèt hem gepraat.
b) Er is een homofiele man die vanaf zijn achttiende jaar geworsteld heeft, in zijn eentje omdat niemand hem begreep. Hij sprak er eens over met een ambtsdrager maar die wist niet anders te doen dan hem de geschiedenis van Sodom voorhouden en hem Romeinen 1voor te lezen; dat bracht hem alleen maar verder in de put. Totdat hij in humanistische kringen andere homofielen vond om mee te praten. Deze man gelooft in God als Vader van de Here Jezus. Hij staat echter buiten de gemeenschap van onze klerken en wordt niet toegelaten omdat hij samenwoont met een vriend. Hij blijft hopen op een beetje begrip en hoopt toch nog eens het Heilig Avondmaal te kunnen meevieren. Hij verlangt naar mensen met wie hij praten kan.
c) Daar is een meisje van veertien jaar, haar ouders gaan scheiden en zij moet straks een keus doen, zeggen bij wie ze het liefste zijn wil. Wat moet zo'n kind daar mee aan; wat weet zo'n meisje af van kinderbescherming en voogdij verenigingen, van kindertehuizen en pleeggezinnen?
d) Daar is een leger dat de overwinning behaalt op de vijand. Er worden gevangenen gemaakt, we hebben er over gelezen in 2 Kronieken 28, en dan zijn er opeens vier Samaritanen die diaconaal werk verrichten.
De bijbel zal wel niet voor niets vertellen dat het Samaritanen waren. Joden kunnen van Samaritanen wat leren, en christenen kunnen dat van humanisten eveneens.
Wat verwacht ik van een diaken? 'k Hoop dat het wat duidelijker is geworden.
Misschien bent u er van geschrokken. Misschien vindt u de verwachting te hoog en vraagt u zich af wie dat zal kunnen volbrengen. Toch zult u het moeten proberen praktische hulp te geven, dat is moeilijker dan het praten over hulpverlening. Diakenen hebben hun jawoord gegeven.
Ze moeten werken in Gods koninkrijk, ze mogen gemeenteleden stimuleren tot mede-diaconaal bezig zijn.
Ze timmeren aan de weg maar zullen geen eer ontvangen. Ik denk aan het verhaal van de bruilont in Kana. Het woord dat hier voor 'bedienden' wordt gebruikt is hetzelfde als in het nieuwe testament voor 'diakenen'.
Welnu, diakenen mogen water sjouwen, zwaar werk doen; zó mogen ze getuigen zijn van het wonder dat Jezus verricht: water wordt wijn, het onmogelijke blijkt mogelijk. Maar dan zijn de bedienden opeens verdwenen, ze zijn niet meer nodig omdat het niet om hen maar om Jezus gaat. Diakenen mogen sjouwwerk doen, hulp geven waar helpen onmogelijk lijkt. En dan gebeurt er soms toch iets, een wonder in mensenogen: een mens die de weg terug vindt. Dan mogen de dienstknechten weer vertrekken en komt aan God de eer toe. Ben dienstknecht komt nu eenmaal nooit uit bóven het doen van zijn plicht (Lukas 17).
Ik ga eindigen met twee gedichten.
Het eerste is van Willem de Mérode, hij maakte het toen hij na schuldbelijdenis toch nog door de kerkenraad onder censuur werd gezet:
'Zij zeggen: 'wij vergeven, maar
[ga heen!
Wij hebben met de zondaars niets
[gemeen.
Wie God verliet, wordt van Zijn volk
[verstoten.
Maar de verlaatnen vinden God
[alleen.
Zij zaten breed op kussens van
[geloof,
rijk in geluk, voor alle ellende doof.
Ik klaag mijn leed de grote Bedelaar,
die zacht Zijn arm onder mijn
[armen schoof.'
Het tweede is van Geert Boogaard en heet 'Zelfonderzoek':
'Nadenkend over
een eenzaam
mens, over
iemand die mij
zo juist verliet en
nu zwerft in
de nacht,
rest er een
vraag aan
mezelf.
Want ongetwijfeld:
de man komt
weer, als een
bedelaar, vragend
om aandacht
en tijd,
vooral om
tijd.
Leg ik, wanneer hij
zich haast om
te komen, aan mijn
deur klopt en
vraagt of ik
er ben,
om zijnentwil mijn
boek weg om
op te staan en dan
te roepen: Ja,
hier ben ik?'