Waar is Hij...?
1980-01-25
Gods liefde geen fictie- Jaargang 24
- nummer 4
"Zij zijn toch mijn volk, kinderen die niet teleurstellen?" Wat een grenzeloos. " vertrouwen. Misplaatst zeggen wij. Krijgen we niet gelijk als we even later horen: "maar zij waren rebels en bedroefden zijn Heilige Geest" (Jes. 63: 10-14)? Had God niet beter kunnen weten, wist Hij in feite niet beter?
De vraag is waaruit die vraag opkomt! De feiten zijn niet te loochenen, zeggen ook wij. Israël gedroeg zich rebels, ondankbaar. Maar het feit van Gods stellige verwachting is óók niet te verloochenen. Voorop staat zijn vertrouwen, elke keer opnieuw, en niet wantrouwen. Daarmee hangt samen dat we bij Israëls teleurstellende reactie niet mogen spreken van noodlot. Daarmee zou ieder zijn misstappen kunnen rechtvaardigen, terwijl de liefdesrelatie tussen God en zijn volk (Jer. 2 : 2) tot een fictie gedoemd is (dát noem ik Schriftkritiek!). Nee, er is geen sprake van noodlot: "ze kónden niet anders". Zó serieus neemt God de mens, zijn volk. Deze verbazingwekkende, daarna onthutsende confrontatie tussen God en mens mogen we op geen enkele manier ontkrachten. Wij hebben God serieus te nemen, zoals Hij ons serieus blijft nemen.
Gods verdriet geen schijn
Alleen zó blijven de volgende woorden veelzeggend: "zij bedroefden zijn heiligen Geest". Dat kan dus echt: Gods Geest krenken, verdriet doen, op het hart trappen (vgl. Ef. 4: 30). Dat kan trouwens toch ook alleen als je een hart hèbt, als God geen fatum, noodlot is maar de levende God? Juist als je hart hebt voor elkaar, een hart vol liefde, komt het hard aan als je die liefde niet op prijs blijkt te stellen, bot afwijst. Hoe intenser de relatie, des te dieper de gekrenktheid ... Zo valt het vervolg te verstaan: "daarom veranderde Hij voor hen in een vijand, Hij zelf streed tegen hen". Hij keerde zich tegen hen - dat hebben ze tenslotte in de ballingschap geweten. Het doet denken aan wat Jeremia uit Gods naam profeteert: "dodelijk is uw breuk, ongeneeslijk uw wond ... al uw minnaars hebben u vergeten ... want Ik heb u geslagen, zoals een vijand slaat, zoals een meedogenloze tuchtigt, om de grootte van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden geweldig zijn.. " (Jer. 30: 12-15; vgl. Jes. 1 : 2-9). Maar in dit alles bleef Hij de levende God, nee: Israëls levende God. Als je niet om iemand geeft, keer je hem verachtelijk zonder meer de rug toe, voel je je niet gekrenkt, verdrietig. Je zoekt je plezier wel ergens of bij iemand anders ...
Gods reactie geenhaat
Vijandige reactie is nog geen haat, geen in haat verkeerde liefde. Dat begreep David al (Pss. 32, 38, 51), dat verstond ook Israël. Zij werden tot nadenken en inkeer gebracht: "toen gedacht zijn volk de dagen van voorheen, van Mozes" (naar Ridderbos' vertaling in de Korte Verklaring t.p.). Het straffende Woord van God vindt een antwoord, het beoogde resultaat: het gebed van een boeteling. Een vragend klagen: "waar is Hij die hen opvoerde uit de zee met de herder zijner kudde?" (zelfde vertaling als boven). Zij mogen dan al een kudde zonder herder zijn, hun eerste vraag is toch niet: waar is een (tweede) Mozes, waar vinden we een nieuweleider? In dat opzicht valt er voor ons van Israël nog wel wat te leren. De hunkering naar een nieuwe leider is nooit groter dan wanneer de vorige ons is ontvallen. We zijn "nergens" zonder leider - denken we. Ais er nu maar eens iemand opstond onder ons wiens woorden allerwege gezag hadden ... Israël weet beter: waar is Hij, onze God? Die God van de gunstbewijzen en roemrijke daden, de inspiratiebron van psalmen en lofzangen.
Wat is een volk niet zonder leider maar zonder Gód! Zegt Hij: zij zijn toch mijn volk, kinderen, die niet trouweloos worden, even later zegt dit volk: "Gij immers zijt onze Vader; want Abraham weet van ons niet en Israël kent ons niet; Gij, HERE, zijt onze Vader, onze Verlosser van oudsher is uw naam" (vs. 16).
Gods daden geen toeval
Verlosser van oudsher: "waar is Hij die in hun midden gaf zijn heiligen Geest?" (vertaling als boven) - diezelfde Geest die zij bedroefd hadden ... Had God Mozes niet begiftigd met zijn (tot leven wekkende) Geest zoals wat later ook Mozes' tweeënzeventig helpers? Heel de uittocht komt hun weer voor de geest: "Die zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes deed gaan, die vóór hen de wateren kliefde om Zich een eeuwige naam te maken; die hen deed gaan door de waterdiepten? Evenmin als een paard in de woestijn struikelden zij; als aan het vee, dat afdaalt in de vallei, gaf de Geest des HEREN hun rust" (N. Vert.).
Het is opvallend hoe vaak Israël teruggrijpt, hier en elders, op het "in den beginne", de aanvang van zijn volksbestaan. Tot op de dag van vandaag heeft de exodus een onuitwisbare indruk gemaakt. Gods roemrijke daden stempelden zijn volk: het herkende daarin Gods Hand in zijn geschiedenis, Gods "manipulaties", Zijn luisterijke arm. En het is een herkenning die tot de juiste conclusie voert. Want waaróm handelde God zo? Wat was zijn diepste motief, wat bewoog Hem? Israël kent het antwoord: "om Zich een eeuwigen naam te maken"! Een naam met een duidelijke en hoopvolle inhoud: " ...onze Verlosser van oudsher is uw naam" (vs. 16).
Gods naam geen leugen
Deze naam accentueert eens te meer dat Israëls God de levende God is: Hij verlost, Hij redt. Weliswaar moet God tot zijn verdriet constateren: "Ik heb de pers alleen getreden en van de volken was niemand bij Mij ... Ik zag rond, maar er was geen Helper" (vs. 3 en 5), ook niet in de dagen waarin Israël zuchtte onder Egypte's slavernij. Maar dat tekent eens te meer Gods wil om te verlossen. Hij is volstrekt "uniek". Een verlossende God zoals Hij is, heeft de wereld nooit gekend - zoiets is in geen mensenhart ooit opgekomen: dat heeft geen oor gehoord, geen oog gezien.
Israël heeft het herkend: "ja, van oudsher heeft men het niet gehoord noch vernomen, geen oog heeft gezien een God buiten U, die optreedt ten behoeve van wie op Hem wacht" (64 : 4). Israël heeft het herkend en doet er een beroep op, doet een beroep op de uittocht met verwijzing naar het onderliggend motief: "zo hebt Gij uw volk geleid om U een luisterrijken naam te maken" (63 : 14).
Brutaal denken wij.amper te geloven, nauwelijks te rijmen. Zoiets strookt niet met ons verwachtingspatroon, met onze ideeën. Dus zitten wij fóut met ons verwachtingspatroon, met onze ideeën, met het (denk)beeld dat wij van God hebben gemaakt... Wij zouden anders reageren als iemand ons op het hart trapte, diep krenkte - zo weinig gedragen wij ons als beeld van God...
Maar het is de eer van onze Vader, de Naam die Hij zich gemaakt heeft éér aan te doen. Hij wil in een wereld van schuld en kwaad, van rebellie en boosaardigheid Zijn goede naam hoog houden: "Verlosser van oudsher". Het is, denk ik, niet toevallig dat Hij voor zijn Zoon, al vóór diens geboorte in Bethlehem, een naam bepaalde: Jezus, Jozua.
Betekent die naam niet: Jahweh verlost? Verlosser is Zijn naam - tot troost voor alle volken! Zelfs als Hij "de wijnpers treedt": wraak is voor Hem geen uitgestelde bloeddorst: recht en verlossing gaan bij Hem hand in hand!