Geen keus
1980-01-25
Als ik nu inhaak op wat P.J. van Kampen in het vorige nummer schreef, dan hoop ik niet, dat ik hem wat gras voor de voeten wegmaai. Hij herinnerde eraan, dat de Turken voor de poorten van Wenen gestaan hebben en dat men toen “in de Islam een dreiging meende te zien”. In die dagen hadden de Geuzen hun leuzen: één daarvan was: Liever Turks dan Paaps. Dat vond ik vreemd. Je kon, dacht ik, toch altijd nog beter een onderdaan zijn van een Rooms rijk dan van een Turkse staat, want de Roomsen zijn tenslotte christenen. Maar onlangs hield ik er bezig met de geschiedenis van de godsdienstvrijheid, naar aanleiding van de Unie van Utrecht, die we vorig jaar herdachten. Toen viel me op, dat in rekwesten aan de koning van Spanje of aan zijn landvoogd, naar de Turken verwezen werd: In landen waar de Turken heersten, was vrijheid van godsdienst, en die vrijheid was in het westen van Europa maar moeilijk te vinden. Zevenburgen (tegenwoordig een deel van Roemenië) kende al in 1557 godsdienstvrijheid. Het maakte de Turken niet uit, of je Calvinist was, of Jood, Sociniaans of Lutheraan. Begrijpelijk dus, dat de voorkeur van de Geuzen naar de Turken uitging. Maar zij hadden niet te kiezen. Tegenwoordig hoor je net zo’n leus. Nu is het: liever rood dan dood. Maar ook wij hebben het niet voor het kiezen. Onze God plaatst ons in de situatie die hij voor ons kiest. Zeg nu dit, dat dit leidt tot lijdelijkheid. We moeten maar meehelpen aan de poging om de kernwapens de wereld uit te krijgen, doch tegelijkertijd zingen we Psalm 75. Die heeft een prachtige nieuwe berijming en als de organist de melodie goed speelt, zonder rust tussen de eerste en de tweede regel, dan komt er vaart in: “Ja, Ik kom, Ik kies de tijd, Ik kies de tijd des gericht. Zelf zal God de schenker zijn. God is ’t die ik loven zal, ik loven zal als mijn Heer.”
- Jaargang 24
- nummer 4