Cahiers voor christelijke literatuur (3)
1980-01-25
Deze, en laatste maal dat we iets naar voren brengen over de cahiers voor christelijke literatuur, betreft dat het boekje over de romancier B. Nijenhuis van de hand van Hans Werkman.- Jaargang 24
- nummer 4
Het bevat een betrekkelijk summiere levensbeschrijving van de auteur. Ik citeer:
Berend Nijenhuis werd op 16 november 1914 geboren te Heerenveen.
Hij studeerde een hap en een snap, maar te wisselvallig om er een diploma mee te behalen. Een van z'n eerste baantjes was dat van vertegenwoordig in touw, waardoor hij per fiets of tram heel Friesland doorkruiste. Kort voor de tweede Wereldoorlog verhuisde hij naar Arnhem en kreeg werk bij de justitie. Door zijn justitiële baan kon hij in de oorlog menigeen helpen, totdat het misging en hij terecht kwam in het concentratiekamp Amersfoort.
Na de oorlog werkte hij een poos in de gevangenisbibliotheek van Haarlem; daarna had hij geen vaste betrekking meer, woonde (ongehuwd) in het Arnhemse huis van zijn ouders en leefde van de pen. Ondanks de uitstekende contacten met zijn familie was Nijenhuis een wezenlijk eenzaam mens, die niet kon aarden in de maatschappij. Geen wonder dat hij raakpunten voelde met het existentialisme, de Franse filosofie van Sartre, waarin de eenzaamheid centraal staat. Zijn romans gingen er echter ook van uit dat hij het Medicijn tegen de existentiële eenzaamheid kende. Op zijn graf (hij stierf 1 januari 1972 aan een slepende longziekte) staat gebeiteld: Psalm 23.
Tot zover het citaat. Nijenhuis schreef wel enkele korte verhalen, maar zijn bekendheid dankt hij vooral aan zijn 7 romans, waarvan de eerste in 1952 verscheen, dus toen hij 38 jaar oud was.
Dat eerste boek droeg de titel “Dossies 333". Later verschenen o.a."Laatste wagon" en "De Tornado". Dit laatste boek noemt Hans Werkman een roman van grootse allure, die niet in de schaduw hoeft te staan van de beste Nederlandse en buitenlandse literatuur. De centrale problemen zijn, verzet tegen God, geloofstwijfel en vooral het menselijke lijden.
Het boek is een hoogtepunt in de naoorlogse literatuur. Verder bevat het cahier uit alle 7 romans behoorlijke gedeeltes, en het fijne is dat ze bijna alle zijn te lezen zonder veel commentaar. Zo staat er een hoofdstuk in uit het boek "De hordeloop van J. Kobalt" dat als titel draagt "Zalm". Het is gewoon als kort verhaal te lezen. Ik geef het tot slot van de bespreking graag door.
ZALM
De heer Van Wande ren (in Comestibles) heeft een geelwit snorretje en een brede mond met een dunne bovenlip waarvan de hoeken zich naar beneden afbuigen als werd er aan getrokken. Het verleent hem een enigszins deftig voorkomen en zelfs laatdunkend wanneer hij door de onderste helft van zijn brillenglazen kijkt. Zijn ogen zijn dan op twee spleetjes na gesloten; hij heeft dan het voorkomen van een vermoeid aristocraat.
In dit dorp is de heer Van Wanderen een hoog aangeslagen figuur. Hij is lid van de gemeenteraad, voorzitter van het oranjecomité en penningmeester van een selecte biljardclub. Hij is dat allemaal op een recalcitrante wijze. Hij is ook recalcitrant als hij reizigers te woord staat. Hij is bovenal recalcitrant als hij mijnheer Kobald te woord staat.
'Ik heb weinig tijd,' zegt mijnheer Van Wanderen. Ondertussen zit hij in zijn bureaustoel als kan hij ieder ogenblik in slaap vallen.
'Dan zal ik het kort met u maken,' zegt mijnheer Kobald. Vlak daarop krijgt hij het gevoel dat er met dit antwoord iets niet in orde was. De huid die toch al strak gespannen staat over de forse neustop van mijnheer Van Wanderen, lijkt nog iets krapper te worden. Mijnheer Kobald begrijpt waar de fout zat. Hij zei: Dan zal ik het kort met u maken. Dat had moeten zijn: Dan zal ik het kort maken, zonder: met u. Dat was de heer Van Wanderen te persoonlijk, mijnheer Kobald voelt dat nu zelf ook wel.
Dit rook teveel naar de beul van Van Oldenbarnevelt.
Daarom zegt hij vlug erachteraan: 'Ik heb zelf ook weinig tijd,' tegelijk aanvoelend dat ook dit fout was. Want als mijnheer Van Wanderen weinig tijd wenst te hebben, wenst hij dat alleen te hebben en niet in gezelschap van mijnheer Kobald. Mijnheer Kobald gaat zich een astrante man voelen. Dat voelt hij zich altijd bij de heer Van Wanderen: astrant en nietswaardig. Hij rommelt schuldbewust in zijn tas en plaatst dan een blikje sardines op de heer Van Wanderens bureau. Het is een mooi blikje met een goudrandje, maar de heer Van Wanderen trekt zijn hoofd iets achteruit als naderde hem een wesp, terwijl hij fronsend naar het blikje kijkt.
'Ik heb u al meer gezegd,' zegt hij, 'dat ik voor uw sardines geen publiek heb.' Dit is niet voor misverstand vatbaar: het publiek van mijnheer Van Wanderen is te goed voor de sardines van mijnheer Kobald, niet andersom.
'Het is waar ook,' zegt mijnheer Kobald. 'Ik herinner het mij nu, pardon.' Hij grist snel het blikje uit het gezichtsveld van de heer Van Wanderen, die hij niet langer wil kwetsen dan hoogst noodzakelijk is; hij ziet er toch al uit als iemand die een lijfelijke kwelling had ondergaan.
In zijn tas rommelend, probeert mijnheer Kobald bij zichzelf de moed erin te houden en zoekt naar een opmerking waarmee hij het eergevoel van zijn klant van dienst kan wezen. Maar waarover? Het oranjecomité?
Mijnheer Kobald weet zo weinig van oranjecomités. Hij komt een beetje onhandig weer boven met een blik zalm.
'Wat is dat?' zegt mijnheer Van Wanderen ongeduldig.
Mijnheer Kobald plaatst het blik voorzichtig op de plaats waar zojuist de afgekeurde sardines stonden, terwijl hij het enig juiste antwoord aarzelend in zijn mond houdt. Want als hij nu zegt: dat is zalm, zal hij daarmee een regelrechte aanslag plegen op de intelligentie van mijnheer Van Wanderen. Een klein kind kan zien dat er zalm in dit blik zit: een grote zalm spartelt over het etiket en bovendien staan er nog letters op het etiket ook: zalm.
Mijnheer Van Wanderen maakt een klein geluidje met zijn keel. Het heeft geen enkele woordklank, maar geeft duide1ijk te verstaan dat mijnheer Van Wanderen een antwoord verwacht. En dan zegt mijnheer Kobald het toch maar.
'Zalm,' zegt hij.
'Ja, dat kan ik ook zien,' zegt mijnheer Van Wanderen kribbig.
'Pardon, ik meende dat u het vroeg.'
'Ik bedoel natuurlijk de kwaliteit.'
'O zeker, de kwaliteit. De kwaliteit is uitstekend.'
'En moet ik dat zomaar geloven?' Mijnheer Kobald voelt zich als een recidivist voor de rechtbank. Daarbij gaat hij ook nog denken: 'Och vent, krijg de balen,' maar hij zegt vredig: 'U moet mij maar vertrouwen op mijn woord.' Mijnheer Van Wanderen trekt zijn lange oogleden een klein eindje op en kijkt nu met duidelijke achterdocht naar het blik voor hem. 'Op uw woord,' zegt hij somber. Dan zit hij eentijdje zwijgend naar het blik te staren tot hij tenslotte langzaam zijn hoofd begint te schudden: 'Nee,' zegt hij dan, 'dank u.' Mijnheer Kobald neemt het blik weer op en houdt het nog even in zijn hand. 'Jammer,' zegt hij, 'ik had u er graag van overtuigd dat deze zalm werkelijk prima is.'
'Ja, dat begrijp ik. Maar dat kunt u niet.' Mijnheer Kobald bedwingt een zucht terwijl hij zich opnieuw naar de tas bukt. Hij denkt verward: kon ik nu maar iets bedenken te zeggen... deze ijzeren hein... Tamelijk wanhopig zegt hij plotseling: 'Wonderlijk eigenlijk, die beesten. Ze springen zomaar bij de stroomversnellingen omhoog.' Mijnheer Van Wanderen kijkt hem een ogenblik met opgetrokken wenkbrauwen aan.
Dan zegt hij ijselijk snel, zich tegelijkertijd een beetje voorover buigend: 'W-wat zegt u? Wat bedoelt u nu?' Dit is de toon waarop geen enkele conversatie mogelijk is, maar mijnheer Kobald moet nu wel doorzetten.
'Ik verbaasde me erover,' zegt hij knullig, 'hoe wonderlijk dat eigenlijk is; dat die beesten bij de stroomversnellingen omhoogspringen. ' De heer Van Wanderen raakt nu kennelijk geagiteerd.
'Welke beesten'!'
'De zalmen.'
'Maar ik móet geen zalm.'
'Maar tóch springen ze,' zegt mijnheer Kobald koppig. 'En een wonder blijft 'et. Zó denk ik erover.'
Hij is ineens weer eens kwaad geworden.
Mijnheer Van Wanderen heeft zijn woord in twijfel getrokken en mijnheer Van Wanderen wil niet met hem praten. Zelfs niet 't gewoonste gesprekje.
Nou, in vredesnaam dan maar, óók best. Hij sluit met een klap die bijna hard klinkt zijn tas dicht. 'Het spijt me dat u niets van me nodig hebt,' zegt hij gereserveerd.
De wenkbrauwen van mijnheer Van Wanderen gaan opnieuw verbaasd omhoog. 'Dat heb ik u nog niet gezegd.' Hoe mijnheer Kobald het ook wendt of keert, bij de heer Van Wanderen zit hij altijd voor Piet Snot: als hij onderdanig zijn diensten aanbiedt, is dat zo, en als hij stoer wil weglopen is het weer zo. Hij kan nu opnieuw 'pardon' zeggen. 'Pardon,' zegt hij mompelend en zich eigenlijk een dwaas voelend, 'Ik meende te begrijpen dat u geen belangstelling had.' 'En ik herháál u,' zegt mijnheer Van Wanderen uitweiderig, 'dat ik in die geest niets gezegd heb. Ik heb zelfs in die geest niets bedoeld. Hoewel ik ook niet het tegenovergstelde beweerd heb. Nietwaar?' Mijnheer Kobald die nu niet meer weet of hij nee moet schudden of ja knikken, houdt zich dazig in het midden. 'U hebt inderdaad gelijk,' zegt hij wankel.
'Het gaat mij niet om het gelijk hebben.'
'O nee, natuurlijk niet.' 'Ik moet alleen rekening houden met wat ik mijn publiek kan voorzetten.' 'Inderdaad ja. Het publiek is heel belangrijk.'
'Vindt u?'
'Pardon, zei u dat niet?'
'Nee, dat zei ik niet. Ik zei alleen dat niet het publiek de keus maakt, maar ik. Ik behoor niet tot het soort winkeliers dat zijn publiek belangrijk vindt. Ik ben het zat om achter reclamecampagnes en advertenties aan te hollen.' Mijnheer Kobald weet nu niet beter te doen dan een tijdlang instemmend te knikken als zat hij diep na te denken. Daarbij zegt hij tweemaal: 'Hm-mm' alsof hij pas na veel innerlijke twijfel voor de zaak gewonnen is, maar dan ook voorgoed.
'Pardon?' vraagt mijnheer Van Wanderen grimmig.
Nu is mijnheer Kobald een ogenblik totaal de kluts kwijt, maar ten einde raad een inval krijgend, zegt hij plotseling: 'Ik dacht nog eens na over die zalm.' De heer Van Wanderen laat zich met een koel gelaat terugzakken in zijn stoel. 'Dat gespring van die beesten interesseert mij in 't geheel niet,' zegt hij nors.
'Maar u zou ze kunnen kópen,' dringt mijnheer Kobald aan. 'U zou er best 144 blik van kunnen gebruiken. In uw zaak betekent dat minder dan niets.' Hij begint vlug te spreken om zelf het woord te kunnen houden.
'Het is een prima vis en een aantrekkelijk etiket. Dit is een blik dat zichzelf verkoopt.' Mijnheer Van Wanderen heeft al tweemaal zijn mond opengedaan, maar hij praat er dwars doorheen. 'Als u hier een stapel van voor de etalage laat zetten, bent u er in een ommezien door. Wacht, ik zal u even de vis laten zien, ik zal even het blik voor u openen, dat is anders wel geen gewoonte, maar in uw geval ... in uw geval-eh ... in uw geval-eh ... in uw ge (Hij heeft de opener al uit de tas gehaald en in het blik geduwd) in uw ... eh ... Nou kijk. Heb ik teveel gezegd?' Hij duwt het haastig opengerukte blik bijna vlak onder de neus van mijnheer Van Wanderen, daardoor deze noodzakend het van hem over te nemen.
En warempel: eventjes neemt mijnheer Van Wanderen werkelijk notitie van de vis. Dan zet hij het blik terug op het bureaublad en zegt peinzend: 'Goed bezien zou ik 98 blik kunnen gebruiken. Niet meer, niet minder.'
'Maar dat is óók uitstekend,' zegt mijnheer Kobald haastig.
'Hm... Nou goed, noteert u dat dan maar.' Terwijl mijnheer Kobald in zijn orderboek schrijft, vraagt de heer Van Wanderen wantrouwend: 'Wat schrijft u daar op?' 'Achtennegentig blik zalm,' zegt mijnheer Kobald met de nadruk op het eerste woord.
'Maar dan heeft u mij helemaal verkeerd begrepen,' zegt mijnheer Van Wanderen.'Ik moet sardines.’
Tot slot nog dit: Ik hoop van harte dat vele scholen met deze cahiers voor christelijke literatuur gaan werken.