Van existentialisme naar narcisme?
1980-12-19
De vorige keer heb ik Maarten 't Hart besproken in het bredere kader van de na-oorlogse romans. Dé nadruk kwam toen te liggen op de overeenkomst tussen de na-oorlogse romanschrijvers als Sartre en Camus en Maarten 't Hart. De thema's van Maarten 't Hart's drie laatste boeken zijn: God (Een vlucht regenwulpen uit 1978); de dood (De aansprekers uit 1979) en de liefde (De droomkoningin uit 1980).- Jaargang 24
- nummer 48
Het zijn dezelfde thema's die ook in de romans van Simone de Beauvoir, Sartre en Camus centraal staan. Met deze romanschrijvers van het existentialisme heeft Maarten 't Hart gemeen dat hij schrijft vanuit een levensklimaat, waarin God afwezig is, waarin ten gevolge daarvan alles roept om een antwoord op de vraag van het lijden en de dood en waarin gezocht wordt naar normen voor de onderlinge omgang, vooral in de omgang man-vrouw.
De geschiedenis van de mens en vooral van de volkeren staan geheel buiten de interessesfeer van deze schrijvers. Het lijkt alsof de buitenwereld - van de krant en de t.v. helemaal afwezig is - of hooguit zo nu en dan even aan de rand mee mag doen (bijv. in Droomkoningin, blz. 182) maar nergens komt ze serieus ter sprake: alles wordt vanuit de "binnenwereld geschreven. Het draait om de existentie van mij hier en nu - bij de romanschrijvers van het existentialisme - en die terugtrekkende beweging van de buitenwereld naar de binnenwereld van de eigen beleving zien wij precies zó bij Maarten 't Hart. Zo sterk dat sommigen Maarten 't Hart een solipsist hebben genoemd en solipsisme is volgens Maarten 't Hart zelf: de uiterste consequentie van de vereenzaming, een poging om de werkelijkheid te niet te doen en slechts het eigen 'ik' te laten bestaan ("De som van misverstanden", blz. 47).
Toch ademen de romans van Maarten 't Hart ondanks al deze overeenkomsten met de existentialistische romans van vlak na de oorlog een heel andere sfeer dan dezen.
Dit verschil is het wat ik in de titel van deze artikelen tot uitdrukking heb gebracht. Het existentialisme van vlak na de oorlog is na de politiek en maatschappelijk onrustige zestiger jaren ontwikkeld tot het narcisme, dat onze tachtiger jaren kenmerkt.
Wat zijn de verschillen?
1. Het existentialisme van Sartre en Camus had een boodschap, nl. de wereld is absurd en zinloos: daarom moeten wij door de daad van onze wil iets zinvols tot stand brengen. Er zat een filosofie achter deze boeken, ze gaven aansporing tot politieke daden en een soort revolutionair élan, Dit alles ontbreekt in het narcisme. Narcissus - de hoofdpersoon in de Griekse mythe - ligt alleen nog aan de rand van de vijver en gaat op in het beschouwen van zijn eigen gelaat.
De conclusie "de wereld is absurd" en daarom een sterke ethische inslag: maak haar door jouw gedrag zinvol, ontbreekt in de boeken van Maarten 't Hart.
a. In "En Vlucht regenwulpen" gaat het om het thema van Gods voorzienigheid.
De woede van de hoofdpersoon over het feit dat zijn moeder keelkanker gekregen heeft - als straf dat in zijn keel de psalmen bleven steken richt zich op een God, die zulke dingen toelaat.
Toch wordt de ontkenning van God niet tot op de bodem doordacht of serieus genomen. Er hangt een speelse toon over zijn uitlatingen als hij schrijft over de psalmen en de bergrede, de catechismus of Jezus zelf.
Er wordt op een speelse ironische en soms zelfs sympathieke manier afstand genomen van het christelijk geloof - zonder dat het ooit tot op de bodem wordt doordacht, Wat zou het betekenen als er geen God was. Er vallen bij Maarten ' Hart geen sterren van de hemeler openen zich geen afgrondenzoals wel bij Sartre en Nietzsche als zij het geloof in God verliezen integendeel er groeit reeds in de roman "Een vlucht regenwulpen" een andere visie op God. God meer als Iemand, die alles wat valt, opvangt en kan vasthouden.
Als de hoofdpersoon van deze roman in de bergen loopt met een vriend en vriendin - dan komt hij op een steile helling hoog in de bergen te vallen. Hij valt op het moment waarop hij het moet meemaken dat zijn vriendin meer interesse toont voor de als derde erbij gekomen vriend, dan voor hem! Als hij valt, gaat in een Hits van alles door hem heen: "nu gebeurt het, denk ik, nu is het dan zover. .. Ik ga dood, denk ik. Plotseling ben ik bang, niet op een erg bewuste wijze, even wel. Ik weet wat er gebeuren zal. Over de grote stenen zal ik snel omlaag vallen. De puntige toppen ervan zullen eerst mijn kleding, daarna mijn rug en mijn benen open scheuren, en door de snelheid waarmee ik omlaag ga, zal ik waarschijnlijk één keer of misschien zelfs een paar maal voorover slaan en ik zal met mijn hoofd op de stenen bonken, zodat ik overal bloedend, op de groene weide zal aankomen, zwaar gewond of dood. (blz. 186).
Maar wat hij als zeker voor zich ziet, gebeurt niet. Om onbegrijpelijke redenen weten zijn handen op het laatste moment houvast te vinden en komt hij er met een paar builen vanaf.
Waarom hij nu op dat moment aan een plotselinge dood ontkomt maar zijn moeder aan een langzame dood moest sterven begrijpt hij niet. Toch heeft hij een speciaal gevoel aan deze val - en zijn plotselinge redding overgehouden dat hem het besef geeft: er is toch Iemand, die niet als de Grote Regelaar alles regelt, maar die wel als wij vallen ons opvangt.
"Wir alle fallen. Diese Hand da fäult.
Und Sieh dir andre an: es ist in allen.
Und doch ist Einer, welcher dieses Ballen unendlich sanft in seinen Händen hält."
Dit gedicht van Rilke geeft aan in welke richting Maarten 't Hart het zoekt: God als de Grote Accolade, die ons allen omvangt.
Doe je ogen maar toe. Alles komt straks toch in orde. Wij worden opgevangen.
Toch wordt dit geloof nergens elders in zijn boeken verder doordacht of breder uitgediept. Het beïnvloedt verder blijkbaar nergens zijn denken. Er ligt trouwens ook in de manier waarop het in "Een vlucht regenwulpen" wordt uitgesproken iets van een grote aarzeling.
Want wat het dieper liggende thema is in zijn boek "Een vlucht regenwulpen" de vereenzaming wordt door dit 'nieuwe' geloof niet opgeheven. Echte bevrijding vin niet plaats. De hoofdfiguur gaat na de zoveelste teleurstelling voort op zijn eenzame weg - in zelfbespiegeling "Wat blijft is het ongelofelijk vredige gevoel, dat diep in mijn lichaam onder mijn middenrif begint en zich uitbreidt tot een nooit gekend welbehagen, dat niet alleen de hoofdpijn weet te verdrijven en bij voorbaat dromen waarin ik omlaag val verijdelt, maar daarbovenuit een voorspelling lijkt in te houden van iets dat voor altijd geldig zal blijven." (blz. 197).
Met deze woorden sluit het boek "Een vlucht regenwulpen". Wat blijft is het ongelofelijk vredige gevoel.. . etc. Ik vind dit narcistisch - zelfbespiegelend schijnbaar dingen oplossend - 'terwijl de hoofdpersoon in feite in nog diepere eenzaamheid zijn weg vervolgt.
De God, die als "de grote regelaar" keelkanker ontwerpt voor Zijn schepselen is voor mij even ongeloofwaardig als de God die heel een vallende schepping opvangt maar met niemand een persoonlijke band heeft, niemand iets te zeggen heeft, niemand uit eenzaamheid bevrijdt - laat staan: armen bevrijdt en geweldenaars neer slaat.
Toch is mijn hoofdpunt dit dat Maarten 't Hart zich in deze vragen over God op een geheel ander niveau beweegt als Sartre en Camus - niet zo eerlijk, niet zo consequent, niet zo lijdend aan zijn ongeloof, maar veel meer vrijblijvend - en al bij voorbaat op de vlucht naar de romantische onpersoonlijke God van Rilke en Goethe (en het Oosten) die in ieder geval het persoonlijke levensgeluk van de mens ongestoord laat.
2. Dit leidt mij tot het tweede verschil tussen het existentialisme en het narcisme. Het narcisme is consumptief. Dat doortrekt ook de boeken van Maarten 't Hart. Er wordt genoten - ook in-de afwezigheid van God - van mooie muziek, net heerlijkste eten, vogelzang eh de sterrenhemel. Maar nooit wordt er vanhieruit verwezen naar een diepere werkelijkheid die aan ook deze dingen ten grondslag ligt - den enige werkelijkheid is die van het gevoel dat de dingen bij mij oproepen.
Bij het horen van Bach schrijft hij: "Ik had even het gevoel dat het de moeite waard is geleefd te hebben."
Zulke zinnen komen vaak voor.
Het lijkt inderdaad alsof er iets moet worden ingehaald dat men "in het calvinisme" te kort gekomen is. Alleen ik vind dit te zeer een trek van onze hele samenleving dat ik dit hieruit genoegzaam verklaard zie.
Ik haat die "verwen jezelf" mentaliteit en niet omdat ik een calvinist ben, maar omdat het mij teveel past in een narcistisch levensgevoel.
3. Het existentialisme was wel zeer persoonlijk en gericht op de manier waarop wij de dingen beleven, maar toch was het nooit zelfbespiegelend.
Dit zelf-bespiegelende is wel een kenmerk van de tegenwoordige schrijvers in de stijl van Maarten 't Hart.
Ik betrap mij erop hoe ik na de lezing van een boek van Maarten 't Hart anders naar het postkantoor loop om er een brief te posten dan voorheen. Ineens betrap ik mij erop binnensmonds te mompelen, wordt ik mij bewust van (on)aangename gewaarwordingen en zie ik mij-zelf lopen.
Het is geen geringe verdienste van een schrijver als hij in staat Is om zó begaafd te schrijven dat zulke effekten bij een lezer optreden. Alleen ik word er op de duur ziek van.
Ik wil niet continue zelfbespiegelend leven. Er is een wereld buiten mij waarin zo veel is te doen - en er zijn zoveel mensen buiten ons die onze aandacht geheel opeisen. Laat die gestalte in u zijn die ook in Christus Jezus was (Phil. 2 : 5 e.v.) en dat is een gestalte die verre is van zelf-bespiegelend.
4. Tenslotte nog iets over de aantrekkelijkheid van deze schrijvers: ze zijn zo direct herkenbaar: het is inderdaad alsof ze een persoonlijke vriend van ons zijn die ons een brief schrijft - zó zijn hun boeken ook bedoeld, naar Maarten 't Hart's eigen zeggen (in Bzzletin nr. 71, blz. 19).
Alleen: er treedt een soortgelijk effekt op als bij het z.g. vertrouwelijke gesprek dat je met iemand hebt via de televisie. Het suggereert vertrouwelijkheid en intimiteit: alsof hij in je huiskamer zit en je dingen laat zien en ontdekken in jezelf waarvan je je niet bewust was.
Maar het is niet echt. Wat de schrijver in feite doet is: nieuwsgierigheid prikkelen en sympathie vragen - géén goedkeuring maar sympathie vragen voor zijn vaak bijzonder vreemd of alwijkend gedrag. Al deze schrijvers beweren tegelijk in interviews dat hun ware privé-leven geheel verschilt van dat van de hoofdpersonen van hun boeken.
Zo zegt Maarten 't Hart in een interview: "Je moet de lezer het gevoel geven dat hij alles weet, maar de schrijver weet wat hij achterhoudt.
Anders zou ik geen privacy meer overhouden, dan zou je het gevoel hebben dat je over straat gaat als gemeenschappelijk bezit. In mijn boeken geef ik zoveel verkeerde informatie over de autobiografische gedeelten, dat de lezer op een dwaalspoor zit." (Bzzletin no. 71, blz. 38).
Daaruit konkludeer ik dat de vertrouwelijkheid en de sfeer van intimiteit die deze boeken oproepen schijn is. De schrijvers zèlf maken zich doelbewust los van iedere verantwoordelijkheid voor het afwijkend gedrag dat zij aan hun lezers vertrouwelijk voorhouden - hun ervaringen zijn soms fijngevoelige gevoelswaarnemingen maar op andere momenten niet anders dan van beschrijvingen van zeer afwijkend gedrag zonder dat er een persoon achter staat die hierop aanspreekbaar is. Maar wie zich in die los verkrijgbare liederlijkheden herkent krijgt zelf geen hulp aangeboden hoe hij zich tegenover deze ervaringen en gevoelens zèlf moet opstellen.
Hij wordt met alle schijn van gemeenschap alléén gelaten.
Vaak is dit het enige wat er geboden wordt - een lange ontboezeming over wat er in hun eigen binnenwereld zich voordoet: bekentenis - maar wel bekentenis zonder betekenis. Grote schrijvers zullen het één doen - maar het andere niet nalaten. Ze zullen in de bekentenis hun medemens bovendien een stuk betekenis geven: zinduiding, hoop, ontraadseling, uitzicht (zoals bijv. Dostojevski), Dit laatste ontbreekt bij deze "confessionele" schrijvers. Zij schrijven tot ziek wordens toe over de gevoelswereld van hun mensen (maar zelden echt helemaal van henzelf) zonder ooit daaruit enige verheldering te geven van het bestaan - of conclusies te trekken over het ware karakter van de werkelijkheid. Dit was in het existentialisme anders daar werd een basis gelegd om te vechten - en werd eerlijk de consequentie getrokken uit pijnlijke ontdekkingen.
Tot slot: toch nemen al deze 4 punten van vergelijking en beoordeling van Maarten 't Hart's boeken niet weg dat hij wel behoort tot de betere schrijvers uit het kamp van de in de 'ik'-vorm schrijvende confessionele litteratuur. Punt 4 van wat ik schreef is wat betreft zijn grofheden meer van toepassing op Jan Wolkers c.s. dan op Maarten 't Hart. Hij schrijft wel in dezelfde sfeer - maar veel gevoeliger - en m.i. ook veel begaafder.
Bovendien legt hij zich nergens vast in zijn boeken. Hij blijft tastend en vragend schrijven: open naar nieuwe mogelijkheden, open voor nieuwe antwoorden. Daarom blijft mijn vraagteken boven de titel van deze artikelen staan.