Zo was het (46)
1980-12-19
In m'n niet zo korte leven heb ik vele jaren meegedraaid in het zogenaamde kerkelijke leven. Wat daaronder wordt verstaan heeft vaak met het eigenlijke leven van de gemeente van Christus weinig te maken. De meerdere vergaderingen houden zich meestal bezig met allerlei zaken van organisatorische aard. Wat daar besproken en besloten wordt gaat aan de meeste gemeenteleden voorbij. Ik moet zeggen dat van mij hetzelfde te zeggen is. Door de gereformeerden is terecht opgekomen voor de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. In theorie tenminste. Maar in de praktijk kwam daarvan niet veel terecht. In de dagen van de doleantie was Kuyper een voorvechter van de genoemde zelfstandigheid. Hij streed tegen de organisatie van de Hervormde kerk. Maar later keerden hij en Rutgers haastig naar de Dordtse K.O. terug. En werden de zaken op de oude voet voortgezet. Naar de regel: de historie herhaalt zich. Zo ging dat ook bij de volgende "reformaties", die ik heb meegemaakt. Maar nu dan eerst iets over het kerkelijke leven in m'n eerste gemeente. In Friesland.- Jaargang 24
- nummer 48
Van 1928-32 "stond" ik daar. We hadden het samen goed. Veel verontrusting was er niet. We waren allen gereformeerd. D.W.Z. voor die tijd: kuyperiaans. Ik was nog niet los van de grote Abraham. Preekte wat dogmatisch. Wel wat zwaar denk ik. Enigszins te eenzijdig verstandelijk.
Maar de gemeente had het graag w. Men hield van een "draege" preek. Waarop men kon zeggen: "Krek sa". Zo is het. Zo waren ze onderwezen op de catechisatie. En op de J.V. en de M.V. Het was achteraf bekeken allemaal wat te vanzelfsprekend. Allen wisten wel hoe het behoorde.
Bij het Avondmaal waren vrijwel alle belijdende leden aanwezig.
Als iemand ontbrak was hij goed ziek. Of had slaande ruzie met br. of zr.
Waarom ging men? Het antwoord was dikwijls: "dat hoort zo!" Ik waag me maar niet aan het Fries. Zo was het ook met het doen en laten van groot en klein. De gereformeerde zede stond vast. Van een enkele progressieve br. kreeg ik aanmerking op m'n preken. Ze waren te vlak, zal ik maar zeggen. Te weinig nadruk op de tegenstelling van zonde en genade.
Achteraf moet ik erkennen, dat die br. gelijk had. In onze gemeenschap was hij een eenling.
Als ik aan die tijd terug denk moet ik zeggen, dat de dominee een veel te dominerende, overheersende plaats innam. Ik werd, dat hoorde zo, voorzitter van de kerkeraad. Ik was 28 jaar en had wel énige wijsheid kunnen opdoen. Maar al was ik 23 geweest, dan was ik ook voorzitter geworden.
Terwijl er een oudere broeder was, wiens wijsheid groot was. Zijn pink was, om zo te zeggen, dikker dan mijn lendenen. Wat wijsheid betreft dan. Praktisch had hij ook wel de leiding waarop ik steunde. Maar ik zat toch voor! Nog maar een blauwe maandag was ik dominee, of ik werd consulent van een naburige gemeente. Of liever van twee gemeenten, die samen één dominee hadden. Tijdens een vacature ontstond daar wrijving En de consulent, dat was ik, moest die twist maar beslechten. Dat lukte ook nog, als ik mij wel herinner. Maar die ouderling, die ik noemde, was daarvoor veel meer geschikt: Doch zo hoorde het nu eenmaal: een dominee was de baas. Helemaal niet naar het N.T. Want daar is een predikant alleen maar een ouderling, bezig in de woordbediening. Petrus, de apostel, noemt zich heen mede-ouderling. Theoretisch hadden de gereformeerden afgerekend met de tegenstelling van "geestelijken" en "leken". Maar in de praktijk kwam het eigenlijk in het leven van de gemeente op hetzelfde neer. De preek was een eenmansbediening.
Een gemeente-vergadering werd eens per jaar gehouden. Maar daar werden hoofdzakelijk financiële zaken behandeld. De begroting werd besproken en de diakenen gaven verslag van de geldelijke toestand. Mogelijk kwam ook aan de orde op welke tijd de diensten zouden beginnen. Maar de eigenlijke zaken van de gemeenschap der heiligen kwamen niet aan de beurt. Dat had in een kleine gemeente toch best gekund. En ook ge-moeten. Maar dat hoorde blijkbaar niet zo. Gelukkig is daar in de loop der jaren wel enige verandering in gekomen. Maar in grote gemeenten duurt de oude toestand in hoofdzaak nog voort. Daar kan het waarschijnlijk moeilijk anders. Dit pleit niet vóór een massale gemeente. Wel ertegen.
Er was een goede kerkeraad. Van de broeders heb ik wel wat geleerd.
Vooral aan de broeder, met wijsheid gesierd, en een leider in de goede zin van het woord. Een "voorstander" zoals in de Statenvertaling staat. De diakenen waren ook wel goede lieden. Maar achteraf zeg ik: hun vrouwen - waren beter geschikt geweest voor het diakonale werk dan zij. Ik vermoed, dat die vrouwen ook het eigerilijke diakonale werk opknapten. In die tijd was er nog echte armoede. Gebrek aan het meest nodige. Waarschijnlijk hebben de vrouwen wel eens geïnformeerd hoe het stond bij de armen met kleerkast, brandstof en wintervoorraad. De gemeente was er in die tijd niet rijp voor. Maar waarom zouden zusters niet als diakonessen dienst mogen doen? In het N.T. komen ze wel voor. Niet in het ambt, zal men zeggen. Maar is dat wel zeker? Ik zou niet weten waarom dat niet zou mogen.
Om de drie maanden gingen een ouderling en ik naar de vergadering van de classis. Volgens mijn herinnering was er van de classis geen goed of kwaad te zeggen. Een giro-dienst was er toen niet. De gehouden collecten werden daar aan de betrokken deputaat afgeleverd. Visitatie-rapporten werden uitgebracht en aangehoord. Zonder nut voorzover ik mij herinner.
Aan de gang van zaken in de verschillende gemeenten veranderde niets.
Onze kerkeraad heeft in de vier jaren van mijn verblijf daar geen enkele kwestie op de classis gebracht. Was er eens een moeilijkheid, waar wij niet uit kwamen, dan raadpleegden wij een oude, wijze broeder, die vaak consulent was geweest. Van een classis-vergadering ben ik nooit wijzer geworden, wat m'n eigenlijke werk betrof. Dat werd nooit besproken. Met preken, catechiseren, huis- en ziekenbezoek moest ik mezelf maar redden.
Met een enkele oudere collega sprak ik wel eens over een en ander. Maar een classisvergadering heeft dat niet op het agendum. Dat zal nog wel zo zijn. Ik vraag mij wel af of dat niet anders kan en moet. Waarom eigenlijk niet? Betrokkenen mogen daarover wel eens nadenken dunkt mij. Verder dan naar de classis strekte zich mijn belangstelling niet uit. Van de particuliere synoden en van de generale synode herinner ik mij niets. De acta werden ergens bijgezet. Ongelezen denk ik.
Na 4 jaren verhuisden we naar de pastorie van Voorthuizen. Ook daar hebben we, evenals in Hommerts, goede jaren gehad. Met kerkeraad en gemeente kon ik goed opschieten. Met meerdere vergaderingen ten slotte minder goed. Maar dat is een ander verhaal. Sommige lezers van m'n verhalen hebben wel eens de indruk gekregen, alsof er daar in die Veluwse gemeente niet veel deugde. Die indruk heb ik dan onbedoeld gegeven. Er was, als in alle grote gemeenten, een goede kern. Maar evenzo is vrijwel in elke grote kerk een vrij grote rand. Die bovendien onder invloed stond van een gereformeerde gezindte van "och en ach". Waartegen ik - niet altijd even verstandig - te velde trok.
Wat het kerkelijke leven betreft ook daar leefde te weinig het woord van de Heiland: Gij zijt allen broeders en zusters. En: gij hebt allen de zalving van de Heilige Geest. Al te veel werd overgelaten aan de kerkeraden en, vooral, de dominee. Ik kwam al gauw in aanraking met kerkelijke regels.
Bijvoorbeeld voor het huisbezoek. Ze stonden netjes op papier. Een groot aantal vragen, die moesten gesteld worden. Als ik me goed herinner in 5 groepen verdeeld. En elke groep bevatte wel 10 vragen. Naar van alles en nog wat. Ze zijn nog even ter sprake gekomen op de kerkeraad. Maar we werden het erover eens, dat we die papieren maar moesten deponeren in de snippermand. De verscheidenheid der gezinnen is te groot om het huisbezoek naar één schema af te werken.
Later kwam ik in aanraking en in botsing met een andere regel. Die betrof gasten, die aan het Avondmaal wilden deelnemen. Zij moesten een briefje tonen van de gemeente waar ze thuis hoorden. Er kwamen 's romers steeds meer vakantiegangers. Onder hen vrij veel gereformeerden. Als die dan 's zaterdags vernamen dat de volgende dag het Avondmaal zou worden bediend, kwamen ze aan de pastorie om te vragen of ze daaraan moohten deelnemen. Dan moest ik, op het spreekuur, vragen naar een bewijs van lidmaatschap. Dat wilde ik wel doen en deed het ook. Maar als dat briefje ontbrak had ik geen vrijmoedigheid om te zeggen, dat ze dus aan de Tafel van de Here niet mochten aanzitten! Daarmee waren sommige broeders het gans niet eens. Regel was regel. Zo had een vorige dominee hun geleerd.
Toen heb ik voorgesteld, dat die broeders dan zaterdagavond maar moesten komen op het spreekuur. Om aan betrokkenen-zonder-briefje te zeggen: jullie moogt niet deelnemen. Er verscheen geen ouderling. En ik liet het aan de vragende broeders en zusters over om de dood des HEREN te verkondigen. Zulk een regel is in 't algemeen mogelijk wel goed. Ofschoon ik ook dat betwijfel. Maar in elk geval moet het geen wet van Perzen en Meden worden. Waarmee heilbegerige broeders en zusters eigenlijk van de gemeenschap der heiligen worden uitgesloten. Ik acht het een gunstige ontwikkeling, dat tegenwoordig in vele kerken bij de viering van het Avondmaal ook toevallig-aanwezige-gasten worden genodigd, om de dood van de Here te verkondigen. Totdat Hij komt.
Er was ook een regeling van de grenzen van de kerken onderling. Die grens tussen V. en K. was een beek. Een grote boerderij stond op het terrein van V. Nu ging een zoon trouwen met een meisje uit K. Ze zouden blijven wonen aan de kant van V. Maar wilden behoren bij de kerk van K. Tijdens de verloving hadden ze daar ook altijd gekerkt. Dus vroeg de zoon attestatie aan naar K. In meerderheid vond de kerkeraad dat goed. Maar enkele broeders waren pertinent tegen. Toen herinnerde ik mij een soortgelijk geval van omstreeks 1920. Een landbouwer uit de gemeente Spijk ging rentenieren en bouwde een villa op het gebied van de kerk van Bierum.
Maar hij bleef kerken in Spijk, als steeds. Bierum was het daarmee niet eens. Maar dat veranderde de houding van de broeders met. De kwestie werd op de classis gebracht. Afgevaardigden naar betrokkenen. Zonder resultaat. Eén partij zocht het "hogerop". Bij de P.S., part. synode. Deputen naar S. en B. Geen resultaat. Bedoelde broeder bleef kerken in S.
Nog meer "hogerop" werd recht gezocht. Hoge Ome's togen uit Amsterdam naar het Noorden. Twee proffen onder hen. Dat maakte op broeder landbouwer helemaal geen indruk. Bleef kerken in S. - zoals hij al z'n leven had gedaan. Zonder resultaat keerden deputaten naar het Westen terug. Was het wijs om die grens zó vasthoudend te handhaven?
De kerkeraad van V. besloot eenstemmig de betrokken broeder en zuster als leden aan de kerk van K. te laten. Nog wel met de aantekening in de notulen, dat dit geen "antecedent" mocht worden voor andere gevallen.
De regel moest blijven.
Dan nog iets, over de visitatie. Jaarlijks kwamen een paar wijze mannen de hun toegewezen kerkeraden visiteren. Bezoeken zogenaamd. Maar het werd soms een examineren, Ook wel eens een bezoeking. Bij ons in V. kwam er geen bloed uit. Maar het nut ervan heb ik ook nooit ingezien: Een lange lijst van vragen, door de classis opgesteld, was leiddraad. Die door de kerkeraad moesten worden beantwoord. De dominee moest "buiten gaan staan" als vragen gesteld werden over zijn werk. Zo ook de ouderlingen daarna en als ik het wel heb ook de diakenen. Ik vond dat maar een vreemde zaak. Maar zo was de regel. Visitatie-rapporten werden op. een classis uitgebracht. De grote gemeenten kwamen er in de regel goed af. Alle commissies en verenigingen waren daar aanwezig. Maar één kleine en zwakke gemeente kreeg elk jaar weer te horen dat er van hun kerkje weinig deugde. Alsof die arme broeders het konden helpen. De zaken bleven daar zoals ze waren. Tegen zulk een visitatie heb ik wel eens geprotesteerd. Wat door verschillende collega's maar vreemd werd gevonden.
Tot besluit een goéde regel: wat je belooft moet je doen! Dat werd mij eens duchtig ingepeperd. Een zieke vrouw moest naar een ziekenhuis in Utrecht. Ik beloofde haar daar eens te bezoeken. De wijk-ouderling vroeg mij: Is u al geweest? Een tweede keer herhaalde hij die vraag. Er was nog niet van gekomen. Een maandagmorgen stapt die broeder op mij af; ik was bezig in de tuin. Kort en krachtig waren zijn woorden: "Als u uw belofte wilt houden moet u gauw wezen. Vrijdag komt ze thuis". Het klonk als een bevel. Beschaamd ging ik direkt.
M'n verhaal is wel wat lang geworden. Toch waag ik het nog een toegiftje te geven. Een oud verhaal over m'n grootvader en een belofte. Hij was oud. Zo tussen 80 en 90. Ging wegens doofheid met meer naar de kerk.
Kreeg op z'n verjaardag bezoek van de dominee. Wat hij plezierig vond.
Hij was een vroom man. Bij het heengaan vroeg m'n grootvader: Dominee, komt u nu ook eens vóór mijn volgende verjaardag? Het antwoord luidde: "Dat hoop ik te doen Smit". Zo was de naam van m'n opa. AIs dit in familiekring werd verteld volgde als slot steevast: "Maar hij deed het niet". Als wij in onze familiekring nu iets beloven, zonder al te grote zekerheid dat we het ook zullen doen, is het een vast gezegde geworden: "Dat hoop ik te doen Smit". De volgende keer hoop ik dit verbaal over kerkelijke regels te vervolgen.