De toekomst van de arbeid (slot)
1979-06-22
Onderstaand artikel bevat het referaat van prof. dr. J. G. Knol op 31 maart jl. voor de jaarvergadering van Opbouw heeft gehouden.- Jaargang 23
- nummer 25
8. In het voorafgaande is al ter sprake gekomen dat de aandacht zich heeft verschoven van de arbeider naar de arbeid. En daar zit iets redelijks in, omdat het in de economische wetenschap gaat om de .aanwending van productieve krachten. Dat wordt in de economische wetenschap bestudeerd, hoewel men er wel weet van heeft dat de mens meer is dan leverancier van arbeidskracht. Toch zit in het juiste verstaan van wat onder arbeid moet worden verstaan een groot deel van de oplossing besloten.
Eerst nog een enkele verduidelijking.
Marx heeft laten zien, dat in de werkelijkheid van het industriële kapitalisme de arbeider wordt vervreemd van zijn eigen-ik. De arbeidende mens levert een deel van zich zelf in nl. zijn arbeidskracht. Over deze arbeidskracht, over dit deel van de arbeider zelf, kan de arbeider niet meer beschikken.
Hij heeft deze beschikkingsmacht overgedragen aan de tegenpartij, de kapitalist. Maar ook de kapitalist is vervreemd van het menszijn, want de mens is op de andere mens betrokken. Als mens zijnde, is hij altijd, volgens Marx, een arbeidende mens. In de arbeid is de mogelijkheid tot ontplooiing van de menselijke natuur gegeven. Een mens die niet arbeidt houdt op waarlijk mens te zijn. Hij is een vervreemd wezen.
Een kapitalist nu werkt niet. Zijn maatschappelijke functie bestaat uit het uitbuiten, uit het maken van winst door uitbuiting en uit het investeren van deze buitgemaakte winst in vernieuwingen van de technologie, In de moderne samenleving waarin er klassen zijn treedt er altijd vervreemding op.
In zulk en samenleving zijn er talloze mensen die geen invloed hebben op de inrichting van hun eigen leven. De mensheid wordt voortgedreven op de weg die steeds verder afvoert van de echte zinvolle humaniteit.
In de moderne economie geldt dit beeld nog steeds. Allerlei verhandelingen over de betekenis van de mens in het productieproces nemen toch niet weg dat in de kern de arbeid als een "waar" wordt gezien. Arbeid moet iets opleveren. Daarom onderscheidt men in het moderne economisch denken wel de arbeid in het kader van de marktsector en de arbeid in de niet-marktsector. In de marktsector worden de goederen gemaakt voor de markt en daar wordt inkomen gevormd dat moet worden verdeeld.
Deze verdeling maakt de arbeid in de niet-marktsector mogelijk. Maar juist het feit dat blijkbaar op één of andere wijze de samenleving vrede heeft met een niet-markt-sector, met een sector waarin er geen verkoopbare goederen worden voortgebracht, brengt de noodzaak mede om zich af te vragen wat nu de ware betekenis van de arbeid is.
Naar bijbelse normen is de arbeid in diepste wezen een bezigheid in de dienst van God en daarin een bezig-zijn in de dienst van de naaste. De bijbel spreekt zich niet uit over de vraag wat nu wel concreet arbeid is en welke activiteiten niet onder de arbeid vallen. Dat is veel meer een onderscheid dat past in een rationale calculatie ten aanzien van de prestaties van de mens als productiefactor.
In de bijbel is de arbeid een aktiviteit met een zin die boven de tijd uitgaat, maar die concreet bestaat in het bouwen en bewaren van deze schepping.
Arbeid is zinvol als het is ten bate van de vier reeds genoemde relaties t.w. de relatie met God, de relatie met de natuur, de relatie met de medemens en de relatie met de mens zelf.
Er is geen scheiding tussen betaalde en onbetaalde arbeid. De zin van de arbeid wordt niet bepaald door de productiviteit van de prestatie in goederen of diensten gemeten. Er is wel een onderscheid. Er is een bezig-zijn in de marktsector, een arbeid die leidt tot goederen en diensten, die in het ruilverkeer worden aangeboden en waarvoor een prijs wordt gevraagd.
En er is een bezig-zijn in de niet-marktsectoren, een arbeid die in materiële zin niet productief is.
Maar principiëel gaat het zowel bij de arbeid als bij het bezig-zijn om een activiteit die ergens op gericht is.
Arbeid zonder een gerichtheid is zinloos. Arbeid die niet de bedoeling heeft om iets voort te brengen of ergens in te voorzien is een zinloos bezig-zijn. Arbeid is een activiteit gericht op het voorzien in de behoeften in de samenleving. Zonder samenleving geen arbeid. Maar ook zonder een complex van behoeften kan er geen zinvolle arbeid zijn.
Dit is niet een typisch christelijk standpunt. Dit is een algemeen verbreide visie op de arbeid. Het typisch christelijke komt pas naar voren als het gaat om datgene waarop het bezig-zijn is gericht. En als het gaat om het zoeken naar mogelijkheden om in een samenleving de arbeidende mens naar zijn aard ontplooiingsmogelijkheden te verschaffen.
De christelijke visie op de arbeid onderkent de dramatiek van de westerse volkshuishouding waarin twee zijden van de arbeid op de voorgrond worden gesteld. De arbeid is een productiekracht bestemd voor de voortbrenging van goederen en diensten en onderworpen aan het vrije spel der maatschappelijke krachten. En de arbeid is een bron van inkomen waaruit de niet-arbeidende en heersende bevolking kon putten om dit inkomen te consumeren en te investeren.
Nu heeft het christendom niet het monopolie in het verzet tegen deze ontmenselijking van de arbeid. Met name in marxistische en socialistische kringen is de de-humanisering voortdurend een centraal thema geweest.
Maar wij laten dit nu maar rusten.
9. Het zal duidelijk zijn dat men bij het nadenken over de vraagstukken die verband houden met de toekomst van de arbeid er niet omheen kan het standpunt van de vakbeweging in deze in te brengen. De visie van de vakbeweging inzake de toekomst van het economische proces en met name inzake de toekomst van de arbeid steunt op de principiële overweging dat er ten aanzien van de invloed van vraag- en aanbodfactoren regelend moet worden opgetreden. Er moet sprake zijn van een overleg-economie waarin ook de vertegenwoordigers van de productiefactor arbeid medebeslissingsrecht hebben met betrekking tot belangrijke beslissingen.
Wat houdt nu de visie van de vakbeweging in?
De vakbeweging plaatst het vraagstuk in het raam van een beleid dat gericht is op een aanvaardbare verdeling van de beschikbare werkgelegenheid.
Er is nu eenmaal een bepaalde ontwikkeling in de samenleving en men kan deze niet zomaar over zijn kant laten gaan. De sociale partners moeten met elkaar in overleg treden hoe de dalende werkgelegenheid in de marktsector zo goed mogelijk kan worden verdeeld.
Deze andere verdeling b.v. door werktijdverkorting, moet betaald worden en de vakbeweging is bereid om over de te betalen prijs te onderhandelen.
Naast dit gesprek over de werkgelegenheid in de marktsector moet er een politiek gesprek komen op maatschappelijk niveau omtrent de verhouding tussen marktsector en kwartaire sector. In deze laatste sector kan er werkgelegenheid worden geschapen, - een werkgelegenheid die bestaat uit het verschaffen van dienstbetoon in allerlei vormen - maar dit scheppen van werkgelegenheid moet uiteraard worden gefinancierd uit de productie van de marktsector.
De verhouding tussen marktsector en kwartaire sector is een politieke keuze die niet gratis kan worden gemaakt.
Dit alles vraagt om een daadwerkelijk overleg op basis waarvan een blauwdruk kan worden gemaakt. Een blauwdruk van een marktsector waarin de werkgelegenheid op aanvaardbare wijze is verdeeld. En een blauwdruk van een samenleving met een bepaalde verhouding tussen marktsector en kwartaire sector.
In deze blauwdruk past niet een economisch systeem waarin de arbeider een prijsconcurrentie moet voeren om aan werk te komen. En past ook niet een maatschappelijk systeem waarin de uitgestoten mens alleen nog maar op basis van particuliere barmhartigheid één of andere baan in de kwartaire sector kan krijgen.
De blauwdruk is nog niet helder. En daarom behoort het tot de taak van de christen om na te denken over een rechtvaardige verdeling van de werkgelegenheid. De christen zal het evangelie moeten laten spreken als het-gaat over de vraag hoe kan worden voorkomen dat de werkende mens slachtoffer wordt van maatschappelijk-economische-politieke macht.
Dat is als het ware een eerste conclusie.
Als het gaat om de toekomst van de a~beid heeft de christen de plicht mee te denken over het verloop van het economisch proces in een zich ontwikkelende samenleving. De samenleving heeft recht op een christelijke visie.
Uitdrukkelijk moet hierbij worden opgemerkt, en gezien het bovenstaande, zal het geen verwondering wekken, een christelijke visie houdt meer in dan een verwijzing naar de noodzaak van een goed gedrag van werkgever en werknemer. Want wat goed is en wat aanvaardbaar is, wordt in deze wereld mede door de maatschappelijke structuur bepaald.
Maar de christelijke visie heeft met de structuren zelf te maken. Een christelijke visie op een samenleving waarin mensen zomaar werkeloos kunnen worden. Het gaat om een christelijke visie op een proces waarbij mensen die hun leven hebben verbonden met een bedrijf, door economische overwegingen, als het ware "met een bloedend hart" en tegen de persoonlijke wil van de werkgever, op straat kunnen en moeten worden gezet. Ziehier wat gevraagd wordt.
Een visie die zich rekenschap geeft van de toenemende vervreemding van de mens in het arbeidsproces.
10. Dat is het eerste. De onvrede van de christen met de bestaande verhoudingen en zijn bereidheid om de evangelische boodschap ter sprake te brengen. Want de christen die de structuren van de samenleving zo aantast, dat het zondige tot de maatschappelijk aanvaarde gebruiken wordt gerekend.
En tegelijkertijd kan de christen de betrekkelijkheid van allerlei oplossingen naar voren brengen. Immers de ontwikkelingsgang heeft zijn' eigen wetmatigheid. Er zal op één of andere wijze in het christelijk denken en spreken over de toekomst van de arbeid iets moeten doorklinken van het beeld van de Openbaringen. De verschrikkingen van de toekomst naar de souvereiniteit van de Schepper en Onderhouder aller dingen.
De christen ervaart in zijn nadenken over de mogelijkheden betreffende een betere orde altijd de fundamentele spanning tussen de opdracht om "zoutend zout" te zijn en de werkelijkheid dat er een eigen werkelijkheid is in de ontwikkelingsgang van de wereld en van de mensheid.
Dan lijkt er zo weinig perspectief.
Er is perspectief omdat er een opdracht is om de voortreffelijkheid van de bijbelse normen en de ware humaniteit van het radicale evangelie aan de wereld te demonstreren. Het getuigend woord gaat immer gepaard met de getuigende daad.
11. Heeft de arbeid nog toekomst? Is er nog een mogelijkheid voor de komende generatie om te arbeiden?
Er is het maatschappelijk kader waarop wij weinig invloed hebben. Onze jeugd is onderdeel van de totale jeugd en ervaart dezelfde maatschappelijke weerstanden. Er is dus geen garantie dat onze jeugd in de toekomst in de marktsector kan werken. En ook geen garantie dat er voldoende emplooi is in andere sectoren, in ziekenhuizen, in ontwikkelingswerk en dergelijke.
De kerkjeugd heeft wat dit betreft geen streepje voor.
Maar de kerkjeugd heeft er wel recht op dat de oudere generaties positief nadenken over de toekomstige mogelijkheden. De kerkjeugd heeft er recht op dat de ouderen meer zeggen dan "koeien van waarheden" vanuit een versleten christelijk-liberale maatschappij-opvatting. In de kerk zullen de maatschappelijke onderwerpen weer hun plaats moeten hebben. Het mag in de kerk niet alleen om mentaliteiten gaan.
In de kerk moet weer het besef levendig worden dat de kerk een wereldwijde taak heeft en dat voor deze taak veel mensen en dus veel geld nodig is.
Dit is niet zo maar een pleidooi voor een ongeordende uittocht naar ontwikkelingsgebieden of andere terreinen waar er een grote behoefte is aan barmhartigheid.
Maat het is wel een pleidooi voor een gemeenschap die de jeugd opvoedt en in staat stelt om in deze wereld bezig te zijn.
In het ontwikkelingswerk, in het werk der barmhartigheid, daar waar de wereld het laat afweten.
Het is een pleidooi voor een kerkelijke gemeenschap waarin de werkende jeugd die thuis blijft zich toch verbonden weet met de jeugd die "uitvliegt" en die dit "uitvliegen" mogelijk maakt.
Kortom, wij kunnen de wereld niet veranderen. De toekomst komt over ons. Maar wij kunnen de daadkracht van de kerk wel veranderen.
Heeft het zin om over de toekomst van de arbeid te spreken?
De kansen om aan het werk te komen, worden steeds kleiner. Maar de kansen om zinvol bezig te zijn blijven er. De kerkjeugd heeft in deze een streepje voor. De wereld is groot en het evangelie moet doortocht hebben.
Zullen wij onze jeugd hiertoe in staat stellen?
Van ons hangt de toekomst van de arbeid van onze jeugd af!