Het abortusvoorstel

1979-06-29
  • Jaargang 23
  • nummer 26
Wat er aan vooraf ging Jarenlang hebben we geleefd onder de bepalingen van de wet van 1886, waarin abortus provocatus was ondergebracht bij misdrijven tegen het leven.
Medische indicatie, nl. levensgevaar voor de vrouw of de vrucht werd echter als strafuitsluitingsgrond aanvaard.
In de loop der jaren zijn de opvattingen over de toelaatbaarheid van abortus sterk veranderd. Zo werd het begrip medische indicatie verruimd.
Niet alleen levensgevaar van de vrouw, maar ook bedreiging van de geestelijke of lichamelijke welstand van de vrouw werd eronder gebracht.
Daarna werd zelfs sociale indicatie (een nogal vraag begrip) als strafuitsluitingsgrond aangevoerd. Steeds meer won de gedachte veld, dat de autonome mens zelf mag bepalen hoe hij zijn leven mag inrichten.
Een rol speelde hier ook bij het feit, dat abortus een eenvoudiger medische ingreep vereiste. Voor velen is abortus provocatus thans niet meer dan een normale medische ingreep op één lijn liggend met het wegnemen van een blinde darm.
Deze veranderde opvattingen hadden ook consequenties voor het vervolgingsbeleid.
Hier kwam nog bij, dat de wet van 1886 ook enkele leemtes had. Handhaving van de wet werd steeds problematischer. Momenteel functioneert deze wet in feite niet meer en daarmee werd ons land een "paradijs" voor hen, die abortus provocatus wilden plegen.
Sinds de zestiger jaren wordt nu gediscussieerd over de vraag, hoe de nieuwe wet er zal moeten uitzien. Handhaving van de oude nog bestaande wet is nl. onmogelijk geworden.
Bij deze discussies staat de vraag centraal, of het afbreken van een zwangerschap anders dan als uiterste middel tot redding van het leven is toegestaan.
In 1970 werd het wetsontwerp Lamberts-Roethof ingediend. Daarin werd abortus niet meer strafbaar gesteld, behalve als deze plaats vindt door een medisch onbevoegde. Beslissing over abortus was een zaak van overleg tussen vrouwen arts. Dit voorstel werd niet in de Kamer behandeld, Bij de vorming van het kabinet-Biesheuvel werd een afspraak gemaakt, over een abortusregeling. In aansluiting daarop verscheen in 1972 het wetsontwerp afbreking van zwangerschap van Stuyt-Van Agt. Daarin werd voorgeschreven een advies van een multidisciplinair team, waarbij de bescherming van het leven van de vrucht en de ernstige bedreiging van het geestelijk en lichamelijk welzijn van de vrouw moest worden afgewogen.
De geneeskundige had echter de uiteindelijke beslissing.
Wegens de val van het kabinet-Biesheuvel werd dit ontwerp niet verder behandeld.
Op 23 januari 1975 kregen we het ontwerp Van Schaick-Van Leeuwen. In plaats van Van Schaick kwam later mevr. Gardeniers.
In dit ontwerp werd afbreking van zwangerschap verboden, tenzij voortzetting van de zwangerschap voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de vrouw een ernstige bedreiging meebrengt en die bedreiging slechts door afbreking van de zwangerschap kan worden afgewend.
In maart 1975 volgde het initiatief-ontwerp Geurtsen-Veder Smit, een ontwerp dat dicht bij dat van Lamberts-Roethof lag. Op 6 mei kwam een aangepast wetsontwerp Lamberts-Geurtsen-Veder Smit. Dit ontwerp werd door de Tweede Kamer aanvaard, waarop het ontwerp Gardeniers-Van Leeuwen werd ingetrokken. Het V.V.D.-P.v.d.A.-ontwerp sneuvelde echter in de Eerste Kamer.
Bij de laatste kabinetsformatie was dit vraagstuk weer een heet hangijzer.
Tenslotte werd afgesproken, dat het kabinet zich tot taak stelde vóór 1 januari 1979 een wetsontwerp in te dienen. Indien men daarin niet slaagde, zouden initiatieven vanuit de Kamer worden afgewacht.
Terwijl over allerlei zaken afspraken werden gemaakt en met name over bescherming van mensenrechten in andere werelddelen stoere afspraken werden gemaakt, ontbrak in het regeerakkoord elke normstelling voor het ongeboren kind.

Het wetsontwerp Ginjaar-De Ruiter

In het begin van 1979, het jaar van het kind, is het kabinet er tenslotte in geslaagd een wetsontwerp "Afbreking Zwangerschap" in te dienen.
Daar het ontwerp al bij het voorleggen aan de Raad van State in grote lijnen bekend was, is in te vroeg stadium de discussie hierover ontbrand.
Het is wel duidelijk geworden, dat men er voortaan wijs aan doet over de voorlopige tekst, die aan de Raad van State wordt voorgelegd, niets naar buiten te brengen.
De hoofdlijnen van het wetsontwerp Ginjaar-De Ruiter zijn de volgende: Abortus van een vrucht die buiten het moeder-lichaam levensvatbaar is, blijft verboden en wordt gestraft als een misdrijf tegen het leven.
De eerste dertien weken mag abortus plaats vinden in erkende klinieken.
Nadien alleen in ziekenhuizen.
De zwangerschap mag niet worden afgebroken voor de zesde dag nadat de vrouw de geneeskundige heeft bezocht met het verzoek de zwangerschap af te breken. De behandelende geneesheer moet er zich van vergewissen, dat abortus de enige uitweg is voor de noodsituatie en dat de vrouw vrijwillig en na zorgvuldige overweging om deze ingreep vraagt.
De arts moet daarbij ook wijzen op andere oplossingen.
De uiteindelijke beslissing is voor verantwoordelijkheid van de vrouw.
Na de abortus moet er voldoende nazorg zijn voor de vrouwen de haren.
Overtreding van de voorschriften kan gestraft worden met straffen tot maximaal een jaar gevangenisstraf of boeten tot maximaalf 100.000,-.
Het valt op, dat in dit wetsontwerp de beoordeling van de noodsituatie overgelaten wordt aan de vrouwen de arts tesamen. Feministen zijn van oordeel, dat hiermee het principe van "baas in eigen buik" geweld wordt aangedaan. Ze vergeten daarbij, dat in feite de vrouw tenslotte zelf de beslissing heeft.
In de Mèmorie van Toelichting lezen we, dat de omstandigheden, die een afbreken van de zwangerschap rechtvaardigen zich niet laten vertalen in algemene termen, laat staan in een wettelijke formule vastleggen.
Daarom werd het niet mogelijk geacht de gevallen van nood in de wet te omschrijven. "Een specifieke norm omtrent de rechtmatigheid of wederrechtelijkheid van abortus provocatus ontbreekt dus in bijgaand wetsontwerp."
Dit is wel het meest kenmerkende van het wetsontwerp nl. dat een algemene normstelling ontbreekt. De overheid laat dit nu maar aan de verantwoordelijkheid van anderen over.
Hierin verschilt dit ontwerp principieel met het voorstel Gardeniers-Van Leeuwen. Daarin werd als noodsituatie aangegeven als voortzetting van de zwangerschap voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid. van de vrouw een ernstige bedreiging meebrengt. Hier werd dus een (ruime) medische indicatie aanvaard, maar een sociale indicatie of het ongewenst zijn van het kind afgewezen als noodsituatie.
Het is waar, dat ook bij deze omschrijving interpretatieverschillen mogelijk zijn en in de praktijk wel eens een te ruime uitleg gegeven zou kunnen worden, maar een norm was hier tenminste wel gesteld.
In dit ontwerp ontbreekt echter elke norm en daarmee elke grens.
We zitten nu helemaal op het hellend vlak.
Eerst werd alleen abortus provocatus toegestaan bij bedreiging van het leven van de moeder.
Daarna begon men te spreken van medische indicatie in het algemeen.
Toen kwam men met lichamelijke of geestelijke indicatie.
Vervolgens met sociale indicatie.
Nu is er geen enkele grens meer. De vrouw beslist zelf, wanneer volgens haar een noodsituatie aanwezig is.
In de 2e plaats wil ik wijzen op de grens van dertien weken. Juridisch is dat een onding. Hoe wil men die grens nu exact bepalen?
Waarom die grens van dertien weken is gesteld, is in de Toelichting ook niet erg duidelijk. Het is mogelijk, dat men deze grens stelt, omdat na dertien weken eerder complicaties kunnen optreden.
, Of speelt op de achtergrond de gedachte, dat bij een menselijk leven in ontwikkeling de bescherm waardigheid toeneemt? Zo ja, dan wordt hier een principieel verwerpelijke gedachte aangehangen.
Immers bij de conceptie wordt het unieke patroon vastgelegd van een individu.
Vanaf dat eerste moment kan men al niet meer zeggen, dat abortus zo iets is als een ongekwalificeerde daad.
Ook de bedenktijd van vijf dagen is een zin:loze zaak, die niet meer dan schijn-rem inbouwt. In het wetsontwerp Gardeniers-Van Leeuwen had deze bedenktijd wel zin, omdat daar een overlegprocedure dwingend was voorgeschreven.
Nu zal deze bepaling een dode letter blijken te zijn. Hetzelfde geldt trouwens van meer bepalingen.
Opvallend is ook, dat in dit ontwerp de overheid in vergaande mate delegeert naar de samenleving, naar abortusklinieken en ziekenhuizen. Kunnen zij deze verantwoordelijkheid wel aan?
Eveneens is een minpunt, dat allerlei zaken bij algemene maatregel van bestuur zullen worden geregeld. Daarop heeft de volksvertegenwoordiging vrijwel geen invloed.
Afgezien nog van de ernstige principiële bezwaren, moet gesteld worden, dat dit ontwerp uit juridisch oogpunt een wanproduct is.
Merkwaardig is, dat in dit wetsontwerp alleen sprake is van de vrouw.
Deze wordt metterdaad baas over eigen buik.
Nu is bij de verwekking van een kind ook altijd nog een man betrokken.
In dit wetsontwerp speelt de echtgenoot van de vrouw geen rol.
Wel geeft het ontwerp er blijk van, dat men er kennis van draagt, dat bij de conceptie ook een verwekker betrokken is.
In art. 5 wordt nl. gesproken over de gevolgen voor haarzelf en de "haren".
In het volgende lid van dat artikel lezen we verder over de nazorg voor de vrouwen de "haren". Hieronder kan volgens de Toelichting ook de verwekker worden begrepen. Deze behoeft echter niet in het overleg te worden betrokken.
Van een gemeenschappelijke verantwoordlijkheid van een echtpaar voor het kind, dat geboren of vernietigd zal worden, lezen we niets.

Het C.D.A.-program en het wetsvoorstel

Is het wetsvoorstel te rijmen met het C.D.A-program?
In het program van uitgangspunten van het C.D.A lezen we: "Vanuit de erkenning dat het menselijk leven een gave van God is, is een publieke rechtsbescherming daarvan geboden. Dit geldt in bijzonder voor het gehandicapte leven. Het geldt echter in even grote mate voor het ongeboren en het naar het einde neigende leven."
Hier worden dus uitdrukkelijk het gehandicapte, het ongeboren en het naar het einde neigende leven op één lijn gezet. Terecht, want de overheid moet opkomen voor het leven in alle fasen.
In het verkiezingsprogram staat voorts te lezen: "het streven naar bescherming van de mens dient zich ook uit te strekken tot het ongeboren leven.
Het CD.A stelt aan zwangerschapsonderbreking dan ook zeer strikte voorwaarden. Abortus mag alleen worden toegepast in gevallen waarin voortzetting van de zwangerschap een ernstige bedreiging vormt voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de vrouw."
Deze uitspraak ligt geheel in de lijn van het ontwerp Gardeniers-Van Leeuwen. Geen abortus tenzij ernstige bedreiging voor lichamelijke of geestelijke gezondheid van de vrouw.
Het is duidelijk, dat het nu aanhangige wetsontwerp niet uitgaat van "neen, tenzij", maar van "ja, tenzij". Abortus is toegestaan, tenzij ...
En dat tenzij betreft in feite alleen de situatie, dat het ongeboren kind levensvatbaar is.
In een interview met het Reformatorisch Dagblad heeft minister De Ruiter gezegd, dat het wetsontwerp in de lijn van de C.D.A-gedachte ligt zoals deze in het program werd verwoord.
Ik mis voor deze merkwaardige stelling een argumentatie. Wel voegt hij er aan toe, dat niet alles wat in een verkiezingsprogram als ideaal wordt geschetst, politiek haalbaar zal blijken te zijn, maar, aldus De Ruiter, in principe is wel degelijk rekening gehouden met de grondgedachte van het C.D.A-program: bescherm waardigheid van het ongeboren leven en hulp aan de vrouw in nood.
In feite wordt echter in het wetsontwerp aan het ongeboren kind, dat buiten de moeder nog niet levensvatbaar is, helemaal geen publieke rechtsbescherming geboden. De verantwoordelijkheid wordt bij de vrouw gelegd én de overheid onttrekt zich aan de verantwoordelijkheid, die zij heeft als dienares van God.
Verder vergist De Ruiter zich ook, als hij stelt, dat het verkiezingsprogram het C.D.A-ideaal omschrijft. Het verkiezingsprogram is vrijwel gelijk aan het ontwerp Gardeniers-Van Leeuwen. T.a.v. dit ontwerp is herhaaldelijk betoogd, dat het niet gelijk gesteld kan worden met het gebod van God, omdat de overheid heeft te rekenen met de zedelijke draagkracht van het volk. In dit ontwerp en dus ook in het vrijwel gelijke verkiezingsprogram was dus al in zekere zin gerekend met de politieke haalbaarheid.
Het was al een kompromis. En dat is begrijpelijk. Men wist immers bij het opstellen van het verkiezingsprogram hoe de situatie was. Deze is sindsdien ook niet veranderd.
Bovendien zijn de uitgangspunten van het C.D.A.-program en het wetsontwerp zo verschillend, dat de stelling van De Ruiter als zouden deze in één lijn liggen, volstrekt onjuist is. Met zulke uitspraken doet men de geloofwaardigheid van de christelijke politiek geen goed.

De conclusie

De conclusie moet helaas zijn, dat het wetsontwerp niet slechts juridisch beneden de maat is, maar wat erger is, nalaat aan het ongeboren leven publieke rechtsbescherming te, geven. Het wetsontwerp betekent een totale legalisatie van abortus provocatus.
Het wetsontwerp staat voorts ook op gespannen voet met de verklaring van 20 november 1959 van de Verenigde Naties over de "rechten van het kind". Daarin wordt o.m. uitgesproken: "Aangezien het kind op grond van zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming, zowel vóór als na de geboorte."
Behalve deze zin uit de preambule lezen we ook nog in beginsel 4, dat het kind en zijn moeder beiden bijzondere zorg en bescherming moeten krijgen, met inbegrip van voldoende prenatale en postnatale zorg.
De onbeperkte beschikking over het leven van het ongeboren kind, die de moeder in overleg met de geneeskundige nu krijgt, is in strijd met de Bijbelse ethiek en met de nationale en internationale rechtsbeginselen.
Helaas zien we, dat bij vele christenen het verweer tegen dit wetsontwerp maar slap is. Daar is een oorzaak voor.
Al jaren lang is nu over het abortusvraagstuk gediscussieerd.
Verschillende wetsontwerpen zijn gestrand. Intussen is de situatie zo, dat abortus straffeloos kan worden verricht. Iedereen wil graag, dat deze politieke twistappel zal verdwijnen. Er moet toch eens een eind aan de onzekerheid komen. We kunnen niet eindeloos de discussie blijven voeren.
Het gevaar is groot, dat de gedachte rijst: laten we nu dit wetsontwerp maar aanvaarden. Er komt toch niet iets beters.
Een ander gevaar is, dat men zegt (en het wordt al gezegd): als we dit wetsontwerp niet aanvaarden, komt er een wet tot stand door samenwerking van P.v.d.A. en de V.V.D. Dit mag geen argument zijn om zijn stem te geven aan een principieel verwerpelijk voorstel.
Bovendien, een wetsontwerp van de P.v.d.A. en de V.V.D. zal nauwelijks iets verschillen van dit ontwerp. Men vergelijke maar het nu voorliggende wetsontwerp met het ontwerp Lamberts-Geurtsen-Veder Smit. Ze lijken sprekend op elkaar, ondanks de protesten die we nu van socialistische en soms ook van liberale kant horen tegen het wetsontwerp Ginjaar-De Ruiter.
De voornaamste verschiilen zijn, dat in het eerste ontwerp de termijn van vijf dagen ontbreekt (en deze heeft in het wetsontwerp toch weinig zin) en voorts, dat niet 13 weken na de conceptie een behandeling in het ziekenhuis wordt voorgeschreven. En dat is juridisch een twijfelachtige zaak, terwijl hier ook van medische zijde vraagtekens geplaatst worden.
Het voorliggend wetsontwerp is dan ook geen kompromis.
Het is een neerslag van de visie, dat de mens autonoom is.
Wat is dan het alternatief, zo kan men vragen.
Nu is er een alternatief geboden in de vorm van een wetsontwerp ingediend door ds Abma en dr Verbrugh. Het is een duidelijk wetsontwerp, dat abortus verbiedt, tenzij het leven 'van de moeder door de zwangerschap bedreigd wordt.
Het is echter jammer, dat bij dit voorstel niet meer gerekend wordt met de mogelijkheid de wet ook daadwerkelijk te handhaven. Daardoor wijkt het wel erg ver af van de bestaande praktijk en rekent het te weinig met de zedelijke draagkracht van ons volk.
Het is voor mij zelfs de vraag, of het wetsontwerp niet iets te ver gaat.
Abortus op grond van geestelijke indicatie wordt in dit voorstel afgewezen.
Is het wel gewenst dit te allen tijde te verbieden? Ik denk b.v. aan een geval waarbij een zeer jong meisje als gevolg van verkrachting in verwachting is, terwijl het zeker is, dat zij op haar leeftijd door het moeder
worden geestelijk te gronde zal gaan.
Wanneer men bij dit voorstel meer in de richting was gegaan van het vroegere C.D.A.-ontwerp had men de C.D.A.-fractie in een moeilijke situatie hebben gebracht. Deze fractie had dan moeten kiezen tussen het regeringsontwerp, dat veel lijkt op het indertijd afgewezen socialistischliberale voorstel en het S.G.P.-G.P.V.-voorstel, dat veel overeenkomst had met het oude C.D.A.-voorstel.
Ik vrees, dat men met dit voorstel niet veel steun van C.D.A.-kant zal , Wat het C.D.A. betreft, daarvoor is het enige redelijke alternatief, dat men desnoods in de oppositie gaat. Ik behoor niet tot hen, die het kabinet-Van Agt liever vandaag dan morgen naar huis willen sturen, maar dit voorstel lijkt me wel een reden om een kabinetscrisis te riskeren.
Het is waar, dat de overheid moet rekenen met de zedelijke draagkracht van het volk. Men mag niet uit het oog verliezen, dat over het abortusvraagstuk in ons land zeer verschillend gedacht wordt. Anders zal een wet onuitvoerbaar blijken te zijn en in de praktijk bindende kracht missen.
Daar zijn echter grenzen. Juist nu het gaat over de publieke rechtsbescherming van het menselijk leven. Wanneer men nalaat het ongeboren leven te beschermen, wat zal er in de toekomst dan gebeuren met het gehandicapte en het naar het einde neigende leven gebeuren?
Ik ben het in deze geheel eens met wat de heer K. H. Mollema in de rubriek "lezers schrijven" van Ned. Gedachten van 17 maart schreef: "Indien het anno 1979 voor een partij die het Evangelie als richtsnoer, als norm, aanvaardt, niet mogelijk blijkt om inzake het ongeboren leven enige bescherming te bieden dan moeten we ten langen leste maar geen verantwoordelijkheid willen dragen voor een wet, waarin die norm geen gestalte kan krijgen. Als dan de meerderheid van het volk - wie zegt dat trouwens? - zonodig een geliberaliseerde abortuswetgeving wil, dan moet die meerderheid dat ook maar zelf doen.".
Onze volksvertegenwoordiging draagt hier een zware verantwoordelijkheid.
Politiek, zo zei prof. Van Ruler, is een heilige zaak. De overheid geeft haar ambtelijk zegel, haar fiat aan een bepaalde fase van geestelijke ontwikkeling.
Het is waar, dat wij onze eigen verantwoordelijkheid behouden. Gods gebod gaat verder dan dat van de overheid.
Een wet echter tot stand gekomen met medewerking van een christelijke partij zal het zedelijk bewustzijn van ons volk sterk beïnvloeden.
Tegen dit wetsontwerp past slechts een duidelijk neen.
Gij zijt die mijn kern hebt gevormd, die mij weefde in de schoot mijner moeder, en ik loof u in het besef dat ik ben eerbiedwekkend van maaksel, een wonder is wat gij schiep.

Mijn wezen kent gij volkomen.
Mijn oorsprong was u niet verholen
toen ik in het verborgene gevormd werd,
als in diepten der aarde ontworpen.
Uw oog zag mij, vormeloos nog:
in uw boek waren alle geschreven,
de dagen dezer formering,
toen er nog niet één daarvan was

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief