HBO en universiteit, dertig jaar geleden

2008-09-26
  • Jaargang 52
  • nummer 19
Wie het idee heeft dat we in Nederlands Gereformeerde kring nu pas gaan nadenken over de positie van kerkelijke werkers op hbo-niveau, heeft het mis. Al dertig (!) jaar geleden lag er op de tafel van de Landelijke Vergadering van Wezep (1978) een rapport over de ‘pastorale werker’, geschreven door een studiecommissie in opdracht van de LV van Kampen 1976. Aanleiding daartoe waren noodsignalen van enkele kleine, vacante gemeenten.

De studiecommissie kwam met een verdeeld advies. De meerderheid (met o.a. de predikanten K.H. de Groot en B. Wielenga) stond positief tegenover de pastorale werker. Die kan een uitkomst zijn voor kleine gemeenten die zich financieel geen eigen predikant kunnen permitteren, vonden ze. Om echt soelaas te bieden zou de pastorale werker ook via het spreken van een ‘stichtelijk woord’ moeten kunnen voorgaan in de diensten. En daarom stelden ze landelijke afspraken voor over de gewenste vooropleiding (van voldoende theologisch niveau en confessioneel gehalte) en het verlenen van preekbevoegdheid in en buiten de betreffende gemeente (te verlenen door de regio, voor drie jaar). En wat als in de betreffende kleine gemeente de pastorale werker niet langer nodig zou blijken? Dan zou hij (want ‘zij’ was nog buiten beeld) mogelijk in een andere kleine gemeente aan de slag kunnen. Of kunnen doorstromen naar een grotere gemeente voor pastoraat, jeugdwerk of evangelisatiewerk.
De commissiemeerderheid had waarlijk een vooruitziende blik!

Maar de commissieminderheid in de persoon van ds. W. van der Lingen voelde niets voor de figuur van de pastorale werker: volgens hem een ‘semi- of schijnpredikant’. Er zijn genoeg emeriti, legerpredikanten en studenten met preekconsent om zondags vacante gemeenten te dienen; bestaande pastorale nood kan worden opgevangen door consulenten of door de vele aankomende predikanten; en over de instellingen die pastorale werkers opleiden, hebben de kerken niets te zeggen. En tenslotte: herderswerk tegen betaling uitbesteden is uit den boze. ‘Voor onze zieken zoeken we de beste dokter. Zullen we zo voor onze gemeenten niet het beste zoeken: een predikant?’

De Landelijke Vergadering volgende op 28 augustus 1978 het minderheidsvoorstel en maakte korte metten met het meerderheidsvoorstel. De argumenten: het meerderheidsvoorstel onderschat de bekwaamheden van ouderlingen; voorgangers van ongelijk niveau zijn onwenselijk; ambtelijk werk kun je niet uitbesteden; en kleine gemeenten moeten zelf maar een oplossing voor hun problemen zoeken, eventueel met hulp van de regio.
Met als overkoepelend argument: de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerken maken landelijke regelingen op dit vlak overbodig. En de vergadering (inclusief en met instemming van ondergetekende) besloot ‘met dank aan de commissie in deze materie geen beslissing te nemen en geen regelingen te treffen’.
Mea culpa, mea maxima culpa! (adb)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief