Zo was het (29)
1979-07-13
Wat is het toch een vreemde zaak, dat in veel kerkelijke kringen (of laat ik zeggen christelijke gemeenschappen) bezwaar gemaakt wordt tegen het Evangelie, dat royaal vergeving en leven belooft. Gratis, "zonder geld en zonder prijs". Men heeft daar z'n "maren". Het Evangelie is wel rijk, máár ... het is toch maar voor de uitverkorenen? Als dominee (wat een rare naam eigenlijk: Meneer!) is het mij vaak zó voorgesteld. In de eeuwigheid, voor alle tijden, is al bepaald in een onveranderlijk besluit, dat de uitverkorenen zullen behouden worden en alle anderen zullen verworpen worden. En voor hen alleen zijn de volle beloften. De anderen worden ook wel geroepen, maar dat is slechts uitwendig. Het komt op de inwendige roeping aan. Dat zijn de "echten" om zo te zeggen.- Jaargang 23
- nummer 27
Daartegen heb ik wel eens het volgende voorbeeld ingebracht. Stel er is in Voorthuizen een millionair. Hij laat bekend maken, dat de Voorthuizenaren allen f 1000,- kunnen krijgen. Ze mogen het dan en daar komen halen. Dat is natuurlijk mooi meegenomen. Maar als ze komen wordt hun verteld, dat die oproep slechts geldt voor de èchte Voorthuizenaren. Die daar geboren en getogen zijn. De "hierlanders" . Wie zich daar gevestigd hebben in de laatste 50jaren zal ik maar zeggen, die vallen er buiten.
We kunnen ons voorstellen wat die niet-echten zullen zeggen: Dat is gemeen van die man. Zijn oproep sprak toch van "alle Voorthuizenaren"?
Als alleen de "echten" werden bedoeld dan had hij dat moeten zeggen.
Zo iets zou niemand aan een fatsoenlijk mens toeschrijven.
Maar zouden we dan iets dergelijks aan de Vader van de Here Jezus toeschrijven?
Hij doet zoiets toch niet? Merkwaardigerwijs spraken en spreken veel christenen nog zo. En daarin volgen zij bekende theologen. Men beriep zich o.a. op Matth. 22 : 14: "Want vele geroepenen zijn er, weinig uitverkorenen". Maar die tekst wil niet zeggen, dat die "weinigen" reeds van eeuwigheid zijn uitgekozen. Doch dat zij aan het einde der dagen zullen worden verwaardigd om in te gaan in de vreugde des Heren. Omdat zij ernst gemaakt hebben met hun roeping en verkiezing in de tijd.
Zij zorgden voor een feestkleed. In vergelijking met de grote massa van geroepenen zijn ze "weinigen". Maar toch zullen zij vormen een schare, die niemand tellen kan."
Er is nog een "maar". De zaligheid is toch een werk van God? Hij moet "het" toch doen? Het is toch God, "die in ons werkt het willen en het werken tot roem van Zijn welbehagen"? Inderdaad. Er staat echter niet: God móet het doen. Maar: Hij dóet het. Doch Hij schakelt ons bij dat werk in. "Werkt uw zaligheid met heilige zorgvuldigheid". En weet dat Hij het doet. Ons verstand staat er bij stil. Maar zó spreekt de Schrift.
ZÓ spreekt de HERE. Gelooft het Evangelie. En erkent dat het Gods gave is. Werkt uw redding en belijdt dat het Gods werk is.
De tegenwerpingen zijn nog niet uitgeput. Er staat toch: "die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn"? Inderdaad. Zo staat het in de Oude Vertaling.
Natuurlijke afstammeling van de gelovige Israël, d.w.z. vader Jakob, is geen waarborg, dat iemand wordt behouden. Genade is geen erfgoed in deze zin, dat afkomst uit gelovige ouders automatisch tot zaligheid leidt. Het komt aan op eerlijk geloven in God en in Jezus Christus.
En zo staat net ook met het kindschap van vader Abraham. Wie oprecht gelooft, zoals Abraham deed, zal behouden worden. Zij zijn kinderen van vader Abraham.
Nog één bedenking wordt ingebracht. Er staat toch geschreven: "Jakob heb Ik liefgehad maar Ezau heb Ik gehaat?" Zeer juist. Maar dat lezen we in Maleachi. En daar wordt het volk der Edomieten bedoeld. Uit Ezau gesproten. Dat volk is door God gehaat of verworpen. Hun steden verwoestte Hij en hun land maakte Hij tot een wildernis. Deed de HERE dat zomaar? Welnee, het werd verworpen, omdat het God had verworpen.
God verwerpt niet omdat Hij dat zo graag doet. Hij heeft geen plezier in de ondergang van een mens. Maar het is wel waar, dat mensen die de genade van God beproefd hebben, met Gods verkiezend handelen in aanraking zijn gekomen, doch hun roeping en verkiezing niet veilig gesteld hebben door een godvruchtig leven, verworpen worden. Ze komen om door eigen schuld. Zo doet de HERE met kinderen van Gods volk, die "liegen", zoals de Schrift dat zegt. Dan berouwt het de HERE, dat Hij het goede hun beloofd heeft. Andersom kan het God ook berouwen, dat Hij het kwade over zijn volk heeft uitgeroepen. En dat "berouw" van God schijnt ons ook voor moeilijke vragen te zetten.
Vermoedelijk hebben theologen hier moeilijkheden gemaakt, die voor normale lezers niet bestaan. Dat er herhaaldelijk van Gods berouw in de Bijbel sprake is weet ieder, die een beetje in de Schrift thuis is. Het berouwde de HERE, dat Hij Saul koning had gemaakt. Had verkoren zouden we kunnen zeggen. Het berouwde Hem, dat Hij aan het huis van Eli had beloofd, dat zijn "huis" het priesterschap voor lange tijd zou waarnemen.
Wat nu menselijk berouw is weten we allen. Als we iets verkeerd deden en ons geweten gaat kloppen, dan hebben wij daarover berouw. Daar zijn we dan rouwig om. Ik onderstel dat berouw wel te maken heeft met rouw.
Als we iets ergs misdeden dan zijn we "gebroken van geest en verslagen van hart" en belijden we ons kwaad voor de HERE. Nu hebben theologen zich afgevraagd of bij God wel van berouw kon worden gesproken? Wetenschappelijk theologisch dan. Ten eerste: God zondigt nooit, er is in Hem geen onrecht. Hoe zou Hij dan berouw kunnen hebben over iets, dat Hij deed?
Ten tweede, zo hebben godgeleerden gezegd: Berouw hebben wijst bij een mens op verandering. Maar God is toch de Onveranderlijke? Bij Hem is toch "geen verandering of schaduw van omkering"? Nu dan.
Dan moet berouw bij God toch eigenlijk geen berouw zijn. Een bekend geleerde uit onze vroegere kring heeft dan ook gezegd, dat wetenschappelijk eigenlijk niet van berouw bij God kon worden gesproken.
Dat lijkt wel een moeilijke kwestie. Zwaar om te verstaan. En vooral schijnt het lastig te worden als we in één en hetzelfde hoofdstuk lezen, dat het God niet berouwt en dat het Hem wèl berouwt! Dat staat geschreven bij Saul's geschiedenis in I Sam. 15.
Daar staat in vs. 11: "Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning heb aangesteld."
En in vs. 29 lezen we: "Ook liegt de Onveranderlijke God van Israël niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben." Hoe is het nu: Heeft God berouw of heeft Hij het niet.
In Gen. 6: 6 lezen we: "Toen berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had en het smartte Hem aan Zijn hart." Daar geeft de Kanttekening deze verklaring van: "Aldus wordt menselijkerwijs in de Heilige Schrift van God gesproken, omdat Hij zijn werk of daden verandert, hoewel Hij in Zichzelf onveranderlijk blijft." Alleen de daden of werken van God zouden veranderen, maar Hij Zelfzou niet veranderen.
Een wijsgeer ben ik niet, maar het zou me niet verwonderen als achter deze opvatting een heidense wijsbegeerte zat. Die beweerde dat God was het "onveranderlijke Zijn". Alles zou aan verandering onderhevig zijn, maar God alleen zou de onbeweeglijke en onveranderlijke wezen, die alles in beweging en verandering bracht.
Maar de vraag komt direkt op: Hoe is het mogelijk, dat Gods daden veranderen maar Zijn gezindheid niet? Laten wij ons van deze wijsbegeerte maar niets aantrekken en ons houden aan wat er geschreven staat. Er staat, dat God Zijn houding tegenover mensen verandert en Zijn gezindheid ook. Hij kan boos worden op Zijn volk, als het van Zijn wegen afwijkt.
Hij kan ook weer goed worden als het zich bekeert. Soms staat er dat de HERE Zich laat verbidden door het gebed van een mens. Als we lezen dat Gods volk Hem vertoornt dan moeten wij daarvan niet maken, dat Hij nooit boos kan worden. God is geen Stoïcijn, die probeert zich nergens iets van aan te trekken. Zo is de HERE niet. Hij kan zich over zijn volk verblijden, maar ook bedroeven. Zijn toorn wordt vergeleken met het brullen van een leeuw, met donder en bliksem. We moeten dat alles maar laten staan. Theologen en filosofen stellen zich soms aan, alsof zij weten hoe "God in mekaar zit". Dat is een verschrikkelijke hoogmoed.
We mogen wel zeggen, dat de HERE onveranderlijk is in Zijn liefde voor ieder die Hem vreest. En ook onveranderlijk in toorn tegenover allen, die Hem versmaden. Zolang zij zich niet bekeren. Maar Hij is niet onveranderlijk in deze zin, dat Hij nooit van goed boos kan worden en van boos weer goed.
Maar hoe zit het dan met die schijnbare tegenstelling van I Sam. 15 : 11 "het berouwt God" en vs. 29 "Hij is geen mens dat het Hem berouwen zou"? Dat zit dunkt mij zo: In het laatste vers gaat het er om of de HERE liegen kan of niet. Kunnen wij op Zijn Woord aan? Zowel op de beloften als op de dreigingen? Het antwoord op deze vragen is: Wij mogen gerust op Gods toezeggingen vertrouwen. Hij meent wat Hij zegt. En laten we maar beven voor Zijn dreigingen, want ook die zijn ernstig gemeend.
Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen.
Ik wil proberen met een voorbeeld duidelijk te maken, dat ook van mensen gezegd kan worden, dat zij berouw hebben en anderzijds ook, dat ze geen berouw hebben.
Stel dat een werkgever een werknemer aanneemt. De eerste zegt: Ik beloof zoveel loon en zoveel vakantie enz. Daar kunt u op aan.
Maar nu gaat de werknemer redeneren: Dat is een beste man. Zoveel loon oen zoveel vakantie en ik hoor dat hij niet liegt. Fijn zo. Maar nu gaat hij de kantjes er af lopen. Komt te laat of gaat te vroeg weg en houdt kameraden van hun werk af. De baas is toch goed?
Dan duurt het niet lang of de voorman zegt tegen de patroon: Die man gooit er met de muts naar. Hij doet zus en zo. Hij zegt, dat u goed bent en dit en dat hebt beloofd. Wat zal de werkgever dan doen? Hij zal de werknemer bij zich roepen en vragen of hij zus of zo doet. Als het waar blijkt te zijn dan zal de patroon zeggen: M'n beste man, zo zijn we niet getrouwd. U kwam hier om werk, dus om te werken. Daarop heb ik beloofd: dat loon enz. Natuurlijk in de veronderstelling dat u uw plicht doet. Als u dat niet doet, dan is dáár de deur. Heeft die werkgever dan gelogen? Natuurlijk niet. Maar de ander heeft niet gedaan waarvoor hij is aangenomen.
Elke vergelijking gaat een beetje mank. Maar ik meen zo enigszins duidelijk gemaakt te hebben, dat beide waar is: God kan berouw hebben, dat Hij iemand koning gemaakt heeft. Maar ook kan van Hem gezegd worden, dat Hij niet liegt, niet liegen kán. God is niet "onze lieve Heer", die alles maar goed vindt wat Zijn volk doet. Als wij misbruik maken van Gods goedheid dan moeten we niet verwonderd zijn, als Hij ons dat laat voelen. Het is waar zoals er staat: "Die Mij eren zal Ik eren, maar die Mij versmaden zullen licht geacht worden." Hij kan veranderen. Kan goed boos worden. Maar gelukkig is het omgekeerde ook waar. Hij kan van toornig weer goed worden. En toornen doet Hij niet graag. Het is Zijn welbehagen wèl te doen.
En nu tenslotte een herinnering: Hoe het was in 1948. Ik werd in Kampen benoemd. Zag er tegen op. Durfde eigenlijk ook niet weigeren. Maar ik wilde toch eerst kennis maken met de collega's, waarvan ik maar één persoonlijk kende. We hadden een samenspreking. Toen heb ik de kwestie van Gods berouw ter sprake gebracht. En gezegd, dat ik het met de opvatting van één van hen niet eens was. Zelfs vrij sterk oneens. Ik vroeg of mij de vrijheid werd gegund het in dezen en moge1ijk in andere punten niet eens te zijn. Tot mijn blijdschap zei bedoelde collega, dat mij die vrijheid volkomen werd gegund. In de praktijk is dat waar gebleken. We waren het niet altijd eens. Maar we waren en bleven wel één.