JEREMIA

1979-07-27
  • Jaargang 23
  • nummer 28
Een nieuw verbond




De verzen 31-34 worden in het Nieuw Israël afkomstig waren. Zij behoren we Testament verschillende malen aangehaald. Paulus zinspeelt erop in Rom. 11 : 27 en in 2 Cor. 3. En de brief aan de Hebreeën verwijst ernaar in hoofdst. 8: 8-12 en 10: 16, 17.
Zowel Paulus als de brief aan de Hebreeën halen deze woorden aan om te laten zien dat de profetie van' Jeremia in vervulling gegaan is. Toen Christus het avondmaal instelde, zei Hij immers: deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed (Luc. 22 : 20).
Op dat moment, laat het Nieuwe Testament zien, is dat nieuwe verbond waarover Jeremia profeteerde, gekomen.
Toen heeft het een aanvang genomen.
Dat is niet zo moeilijk te begrijpen.
Het ligt zelfs min of meer voor de hand.
Als Jezus spreekt over het bloed van het nieuwe verbond, is het niet verbazingwekkend, dat er een onmiddellijk verband bestaat tussen het nieuwe verbond waarover Jezus spreekt en dat waarvan Jeremia profeteerde.
Je bent geneigd te zeggen: dat is nogal wiedes!
Toch zit er meer aan vast dan zo op het eerste gezicht misschien lijkt. In het Nieuwe Testament wordt de profetie van Jeremia nl. toegepast op de nieuwtestamentische gelovigen die voor een steeds groter deel niet uit tot dat nieuwe verbond, waarvan de regels niet meer op steen maar in de harten geschreven zijn. Maar bij Jeremia zelf heeft deze profetie betrekking op het volk Israël. En dat maakt natuurlijk toch wel verschil.
Nu zijn er die zeggen: het is helemaal geen probleem. Want wie in Christus gelooft, is door het geloof een kind van Abraham (vgl. Rom. 4: 11, 16; Gal. 3: 29). De nieuwtestamentische gelovigen vormen dus een nieuw, een geestelijk Israël. Als Jeremia zegt dat de HERE een nieuw verbond zal sluiten met het huis Israël, moeten we "huis Israël" niet letterlijk nemen, maar toepassen op de gelovigen uk alle volken, die samen het nieuwe, geestelijke Israël vormen. Op die manier is de profetie van Jeremia ver vuld, Die profetie heeft dus betrekking op de christenen en heeft geen betekenis meer voor het volk Israël zelf.

Voor Israël
Nu is het waar, dat de nieuwtestamentische gelovigen uit de heidenwereld samen met de christenen uit de Joden zaad van Abraham genoemd worden en erfgenamen zijn van Gods belofte aan Abraham. Ook is het waar, dat Jeremia's profetie aangaande een nieuw verbond in het Nieuwe Testament op hen wordt toegepast.
Zij maken dus inderdaad deel uit van het nieuwe verbond dat met Christus begonnen is. Het Nieuwe Testament is in dit opzicht duidelijk genoeg.
Maar dat betekent nog niet automatisch dat Jeremia's profetie nu mets meer met het volk Israël te maken zou hebben. Wie de vervulling van deze profetie laat opgaan in het feit dat wij als nieuwtestamentische gelovigen tot het nieuwe verbond behoren, moet een heel stuk van deze profetie laten liggen, waar hij niets mee kan beginnen.
Kijkt u b.v. eens naar de vss. 38 v.v.
Daar staat dat Jeruzalem weer voor Jahweh opgebouwd zal worden van de Hananeël-toren af tot de Hoekpoort, enz. Wat moet je met deze belofte, als deze profetie niet voor het volk Israël zelf bestemd is? Dan kun je er geen kant mee uit. Je kunt je er b.v. niet afmaken door te zeggen: deze profetie is vervuld bij de terugkeer uit Babel. Want in de eerste plaats was er toen nog geen sprake van een nieuw verbond. En bovendien zou er dan helemaal niets terecht gekomen zijn van het slot van vs. 40, waar gezegd wordt: er zal niet weer vernield en verwoest worden in eeuwigheid. Want Jeruzàlem is wel degelijk weer verwoest. Als de belofte van de herbouw van Jeruzalem alleen maar betrekking had op de terugkeer uit Babel, moeten we erkennen dat er niets terecht gekomen is van de belofte dat de stad niet weer verwoest zou worden. Daarom kun je met deze verklaring van Jeremia's profetie niet uit de voeten.
We komen er ook niet uit, als we stellen dat de belofte van de herbouw van Jeruzalem geen betrekking heeft op Jeruzalem in Palestina, maar op het geestelijke, hemelse Jeruzalem. Want dat is nooit verwoest geweest en kan dus ook niet herbouwd worden.
Wanneer we ervan uitgaan dat Gods beloften niet zinloos zijn – en dat doen we immers – kunnen we niet anders dan aannemen, dat deze belofte van herbouw betrekking heeft op Jeruzalem in Palestina en dat deze belofte bij de terugkeer uit Babel nog niet vervuld werd, althans nog niet zijn uiteindelijke vervulling kreeg.
Dit gegeven, dat we in de vss. 38-40 te maken hebben met een concrete belofte voor Jeruzalem en het volk Israël, impliceert dat dat ook het geval is met de voorafgaande verzen.
Ook de vss. 31-34 hebben betrekking op Israël en spreken over een nieuw verbond met Israël. En opnieuw kan de vervulling van deze belofte niet gevonden worden bij de terugkeer uit Babel. Want toen was er nog geen sprake van een nieuw verbond dat anders was dan het oude Sinaï-verbond. We lezen in verband met de teruggekeerde ballingen wel over een verbondssluiting in Neh. 9 en 10. Maar daarbij gaat het niet om de sluiting van een nieuw verbond, maar om een hernieuwing van het oude verbond.
Het nieuwe verbond dat God met zijn volk Israël zal sluiten, is er dus nog niet. Dat komt nog. Die belofte is nog niet vervuld.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief