EEN RING AAN DE HAND
1979-08-17
Wij kennen deze gelijkenis als de gelijkenis van de verloren zoon.- Jaargang 23
- nummer 30
Dat is een eenzijdige titel. Die omschrijving is in omloop gekomen door een uitleg die de jongste zoon in het middelpunt van de belangstelling plaatst. Onze ingebakken lust voor schandaaltjes en het buitenissige wordt op die manier gevoed door een verteIlingswijze die het summiere verhaal van de Heiland over de zonden van deze jongen in geuren en kleuren ons voorschildert.
De Bijbel dramatiseert de zonde niet, noch degene die de zonde doet, zoals vele bekeringsverhalen dat wel doen. De bedoeling van de Meester is niet om de jongste zoon zo zwart mogelijk te schilderen.
Hij dramatiseert nooit. Naast de jongste zoon is er immers ook nog de oudste zoon. In deze gelijkenis wil Hij de aandacht vestigen op het vreemde, uitzonderlijke gedrag' van de vader. Daarom behoort deze gelijkenis de naam te dragen die de Meester er zelf aan geeft, nl. 'De gelijkenis van een vader die twee zonen had'. Hij vestigt de aandacht op het gedrag van de vader, niet op het verleden van de jongste zoon. Het koninkrijk der hemelen is als een vader die twee zonen had.
De jongste zoon verspeelde al zijn rechten als kind en erfgenaam toen hij wegliep. Wij kennen die regel niet in het westen. Noch zijn berouw of terugkeer konden hem het kindschap teruggeven. Het enige dat voor hem nog mogelijk was, was slaaf te worden van zijn eigen vader. Dat zegt hij ook, "Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen, "Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw won te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners". Dat was niet slechts een vorm van deemoedigheid.
Wat doet de vader nu? Wij lezen dat hij zijn zoon tegemoet liep terwijl hij nog ver af was. Dat vet af zijn van de jongste zoon moeten wij niet alleen geografisch verstaan, maar allereerst geestelijk. Zelfs al zou de zoon thuis komen, en iedere dag zijn vader zien, dan zou hij nog veraf zijn. Maar, zijn vader kwam hem tegemoet, terwijl hij nog ver af was. Lukas gebruikt het woord voor lopen in de renbaan. Terwijl de zoon met lood in de schoenen de laatste afstand aflegde, sprintte de vader hem tegemoet. In het Oosten was het ver beneden de waardigheid van een aanzienlijk persoon hard te lopen. De vader legde al zijn waardigheid af.
Voorts, viel hij zijn zoon om de hals en kuste hem. Dezelfde vader die zijn zoon had laten gaan, ongetwijfeld met tranen in de ogen, die loopt hem nu tegemoet. Soms moet je iemand de weg van verharding laten gaan. Praten en waarschuwen helpt op een bepaald moment niet meer. Maar als diezelfde persoon, misschien je eigen kind, zich kapot loopt en tot inkeer komt, dan moet je de bereidheid hebben van die vader, die wij kennen als de Vader van onze Here Jezus.
Ht gedrag van de vader krijgt zijn hoogtepunt in het geschenk van die ring. Daar zouden wij het niet in weken. Wij lezen daar over heen, en zien het als een extraatje. 'En hij kreeg nog een ring ook'. Ringen zijn voor ons gemeengoed geworden, van de ringen in een kauwgumautomaat tot de duurste ringen in de etalage. In het Oosten.
had de ring een bijzondere betekenis.
Niet iedereen droeg een ring, maar alleen mensen van rang en stand. In het Oude Testament komen wij verschillende keren geschiedenissen tegen waar ringen een belangrijke rol spelen. De zegelring van Juda, die Tamar van hem als onderpand kreeg, was zijn handtekening dat het kind dat van haar geboren werd van hem was (Gen. 38). Jozef was pas onderkoning van Egypte met de zegelring van Farao aan zijn hand (Gen. 41). Zonder die ring had Jozef geen gezag. Wie de zegelring van iemand droeg, die had zijn volmacht. In dit licht moeten wij die daad van de vader verstaan.
Door zijn opdracht" ... en doet hem een ring aan zijn hand" herstelde hij zijn zoon in het kindschap.
Hoe kon die vader zover komen?
Hoe kwam het dat hij met geen enkel verwijt of straf zijn zoon ontmoette?
Wij lezen dat hij met ontferming bewogen was. Deze uitdrukking wordt in de bijbel alleen voor de Here Jezus gebruikt. In gelijkenissen wordt het van mensen gezegd, bv. in de gelijkenis van de barmhartige samaritaan, en in deze gelijkenis. Het betekent meer dan medelijden. Het grijpt . iemand aan tot in het diepst van zijn wezen. Die houding brengt altijd daadwerkelijke hulp met zich mee.
Het is de innerlijke ontferming van God over ons dat Hij ons in Jezus Christus tegemoet gekomen is, terwijl wij nog ver af waren. Als wij denken dat de Here God wel blij met ons mag zijn, dan draaien wij de zaak om. Wij hebben als de jongste zoon alle rechten verspeeld door het vaderhuis te verlaten. En toch, door Jezus Christus krijgen wij het kind schap terug. Wij hebben, hoe besmeurt en besmet ook door de zonde, de status van zonen.
Wij zijn geen vreemdelingen meer, zelfs geen bijwoners (gasten), maar "medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods" (Ef. 2 : 19). Wij krijgen een ring aan de hand die we alleen maar kunnen aannemen als geschenk. Wij kunnen er niets voor geven. Beseffen we daar de waarde van? Hij is gekocht met het bloed van Jezus Christus. We gaan ons kindschap zo vlug als iets gewoons zien. Dat gebeurt als wij [liet beseffen dat God ons iedere dag weer tegemoet moet komen, bewogen door Zijn innerlijke ontferming.
De zekerheid van de ring geeft ook een ongekende bevrijding.
Hoe diep wij ook vallen, wij dragen die ring van Gods liefde.
De oudste zoon kende deze vrijheid niet. Hij is ook 'ver af'. Hoewel hij thuis was stond hij er toch buiten, omdat hij zijn vader niet het de tegemoetkoming van de het de tegemoetkoming van de vader waar de Meester de nadruk op legt. Deze zoon moet iets anders horen dan de jongste. "Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe". Je gedraagt je als knecht, terwijl je kind bent. Zo overbrugt de 'vader die ontzaglijke kloof die er ook was tussen hen beiden. Hij vervolgd, "Wij moeten feest vieren en vrolijk zijn". Dat is een belofte, in de geest van, 'kom mee, laten wij het samen vieren'.
De oudste zoon staat model voor de Farizeeën en Schriftgeleerden, die morden toen de tollenaars en zondaars tot Jezus kwamen, en Hij ze ontving en met hen at (zie vs. 1 en 2). De oudste zoon besefte de waarde van zijn ring niet. Hoe makkelijk gaan wij als die oudste zoon alles in het geloofsleven als een plicht zien die zwaar op ons rust. Wij bidden uit plichtsgevoel, en we zien alleen nog maar regels en nog eens regels. Tot hen zegt de Heer, "Wij moeten feest vieren en vrolijk zijn".
Wij hebben een ring aan de hand.
Bij alles wat wij doen dragen wij hem. Zalig hij die hem met waardigheid draagt. Komt, laten wij feest vieren en vrolijk zijn.