Kerkelijke verdeeldheid *)

1980-02-15
  • Jaargang 24
  • nummer 7
Vorige maand verscheen een nieuw boek van de hand van ds Hegger, Vorig jaar is hij uit de Geref. Kerk getreden. Wat zou hij nu moeten doen? Kiezen voor een andere kerk? Welke?
In dit nieuwe boek "Zij is mijn bruid" legt ds Hegger verantwoording af van zijn nieuwe keus: hij heeft gekozen voor de vorming van huisgemeenten. Deze beslissing volgde na rijp beraad.
Zorgvuldig heeft hij alle andere mogelijke keuzes afgewogen en hij vertelt daarvan op' een eerlijke en vriendelijke toon. Tegelijk gebruikt hij deze gelegenheid om een brede beschouwing te geven over de gemeente zoals die volgens het N.T. zou moeten zijn. Daardoor is dit boek uitgegroeid tot een studie over de structuren van de gemeente. Om die reden bespreek ik dit boek in deze rubriek 'Kerkelijk. leven'. Ds Hegger geeft allereerst een beoordeling van de bestaande kerken.
Het meest stoot hij zich aan de verdeeldheid. "Wanneer Paulus bij de huizen in een christelijk dorp van Nederland zou aanbellen en hij zou te horen krijgen: ik ben lid van de Ned. Herv. Kerk, Geref. Kerk (syn.), Vrijg. (binnen en buiten verband), Christ. Geref., Geref. Gemeente etc., dan zou hij ook nu nog vol verontwaardiging antwoorden: "Is Christus gedeeld?" (1 Kor. 1 : 12), (blz. 13). Kunt u zich voorstellen, vraagt ds Hegger dan aan zijn lezers, dat diezelfde Paulus als wij hem zouden vragen: wat moeten wij doen? ons zou antwoorden: "Wordt toch maar lid van één van die verdeelde kerken; htit is niet zo erg dat u daarmee de verdeeldheid helpt in stand te houden." (blz. 15).
Neen, dat antwoord kan ik mij in de mond van Paulus niet voorstellen.
Al'leen ik zou de twee zinnen van het z.g. antwoord van Paulus wel van elkaar willen scheiden. Ik sluit niet uit dat Paulus ons zou antwoorden: zoek Gods leiding in deze vraag en sluit je toch maar aan bij één van deze bestaande gemeenten - om de verdeeldheid niet nog groter te maken!
Toch wil ik het gesprek met ds Hegger niet op deze wijze beginnen: het zou de indruk kunnen wekken dat ik hem zijn keuze voor de vorming van een interkerkelijke huisgemeente betwist - en wie ben ik dat ik hem daarin zou aanvallen? Ik geloof met ds Hegger in de leiding van de Heilige Geest: als ds Hegger zich in deze richting gedreven ziet, dan respecteer ik zijn keuze en ben benieuwd of uit deze huisgemeente(n) iets nieuws gaat groeien, dat de vaak vastgegroeide bestaande kerken kan bevruchten en de voortgang van het Evangelie bevordert. Zijn studie van de huisgemeenten in het N.T. (hoofdstuk 6) heeft mij er nogmaals van overtuigd dat het N.T. niet één gestroomlijnd kerkelijk instituut kent - maar een veelkleurig levend geheel van gemeenten en huisgemeentes vaak naast elkaar die ieder voor zich Christus in zich lieten werken en de Heilige Geest ruimte gaven om hen op te bouwen - en die elkaar herkenden in die verbondenheid aan de Heer.
Ik moet zeggen dat het mij vandaag nog precies zó vergaat als ik christenen ontmoet vanuit andere gemeenten, soms ook gemeenten uit de eigen stad: het maakt mij steeds weer blij te zien hoeveel groepen, bewegingen en kerken zich door de Heer laten leiden. Ik ben minder pijnlijk getroffen door de veelheid van kerken als ds Hegger. Het is niet zozeer de veelheid van kerken, groepen en huisgemeenten die mij pijnlijk treft, want het lichaam van Christus moet klein beleefd worden - ik verwijs hier naar de bovengenoemde veelkleurigheid van de kerken in het N.T. - het is het verabsoluteren van de eigen identiteit en het gebrek aan wederzijdse erkenning en liefde die mij pijnlijk treft. Op dit punt is het boek van ds Hegger een "cri de coeur" die ik overal een goed gehoor toewens. Zelf zie ik de roeping tot eenheid, die Christus zijn gemeente meegeeft (Joh. 17) gelegen in de opdracht om allen die Christus navolgen als medechristenen en zuster(huis)gemeenten te erkennen en lief te hebben en te helpen waar ik kan. Dat zijn groepen en gemeentes uit alle kerkgenootschappen en bewegingen. Om dat in praktijk te brengen is onlangs de Evangelische Alliantie opgericht. Ook reiken ik het mij tot een eer dat ik evenals ds Hegger kerkdiensten heb geleid in vele kerkverbanden, van Ned. Herv. of Geref. synodaal tot Christ. Geref. of vrijg. binnen verband, en dit zal blijven doen.

Doet het er dan niet meer toe tot welk kerkverband je behoort? Ik denk van wel en ik ben niet zonder kritiek op vele kerkgenootschappen. Alleen die kritiek mag mij er nooit van weerhouden om plaatselijk en persoonlijk de gemeenschap in Christus te erkennen en te beleven.
Die gemeenschap in Christus moet er dan wèl zijn... Ik zeg niet dat die er per definitie is als ik met een kerk of een kerklid te maken krijg... maar wáár ik die aantref bij welke groep of kerk ook, daar ben ik blij en daar zal ik de gemeenschap bouwen.
Daarom ben ik blij met ds Hegger en zijn werk voor ex-priesters en zijn huisgemeente want ik proef in alles wat hij zegt en schrijft die toewijding aan de Heer.
Hiermee heb ik wel een "herkenningsprincipe" opgeroepen wat wellicht bij velen van u vragen oproept.
Het is gemakkelijker om de "drie formulieren van enigheid" te gebruiken als de liniaal die ik aanleg bij het beoordelen van medechristenen en zusterkerken. Die gemakkelijikheid is een vleselijke gemakzucht. Want met dàt criterium als “herkenningsprincipe" te gebruiken kom je niet goed uit. Er zijn talloos veel christenen en kerken die naar die maatstaf gemeten er buiten vallen, maar die de Heer zelf er binnen zal rekenen. Precies hetzelfde geldt ook van iedere kerkenordening of van lang geijkte tradities. Het enige waarop wij elkaar zullen moeten aanzien en toetsen is onze toewijding aan de Heer en aan Zijn Rijk. Waar ik die proef daar gaat mijn hart open en waar ik die mis - soms midden in een zeer orthodoxe kerk - daar sluit zich mijn hart toe. Ik weet dat u nu verder vragen zult willen stellen: waaraan toets ik nu die "toewijding aan de Heer"? Is dat dan niet een gevoelszaak?
Heb je daar geen nadere criteria voor nodig? Daarop zou ik willen antwoorden: dat is niet uitsluitend een gevoelszaak: ik moet ook 'voorzichtig zijn als de slangen' en goed op mijn qui-vive zijn dat ik niet christenen omarm, die het niet zijn. Daarvoor moet ik mijn verstand gebruiken, en mijn intuïtie en mijn waarnemingsvermogen (wat dóet de ander). Daarbij zullen nuchtere vragen de revue moeten passeren als: hoe functioneert hier de bijbel? In het N.T. onderzochten de apostelen de gemeenten op het punt van wetticisme, judaïsme, gnostiek en sectarisme... Wij zullen zoiets vandaag ook steeds weer moeten doen. Toch moet dit alles mij niet verzuren en mijn spontaneïteit wegnemen. Want in dezelfde zin waarin Jezus spreekt over voorzichtig zijn als de slangen, zegt Hij ook dat wij argeloos moeten zijn als de duiven. Je mag spontane blijheid in je toelaten als je een Rooms-Katholiek een goed woord van Christus hoort zeggen - of als een Volle evangelie man iets moois schrijft van het werk van de Heilige Geest.
Kortom: het 'herkenningsprincipe' is nog niet zó eenvoudig te hanteren of vast te stellen. In het N.T.
is het hanteren daarvan een Geestesgave: de gave van het onderscheiden van de geesten. Het is een zaak van: voorzichtig zijn als de slangen en tegelijk naïef als de duiven. Het is een zaak van gevoel en verstand. Het is een zaak van gebed. Bovenal: zoals ds Hegger steeds zegt: een zaak van: Sola Scriptura, Ds Hegger spreekt en schrijft ook in deze zin.

Ik beëindig dit eerste artikel met een citaat uit zijn boek waaruit blijkt dat hij op dit punt als ex-
Rooms-Katholiek scherp heeft rondgekeken in de rechts-gereformeerde wereld en dat hij tegen het gevaar van verdachtmaking in er niet voor terugschrikt om bepaalde verkeerde zekerheden aan te tasten, ook al zijn ze onder ons nog zo heilig: lees zijn P.S. op blz. 51 "Maar je hebt toch een uitgewerkte kerkorde en scherp geformuleerde belijdenisgeschriften nodig om de ketterij te weren?
Op dit bezwaar zou ik willen antwoorden:

1. Ondanks de Dordtse Kerkorde en ondanks de drie formulieren van Enigheid is de ketterij toch in de Ned. Herv. Kerk en in de Gereformeerde Kerken binnen geslopen.

2. De Bijbel leert ons om niet op menselijke constructies te bouwen, maar om in de nood (b.v.
van de ketterijen, die de gemeente bestormen) naar Christus te gaan in een intenser gebed.

3. Een gezond lichaam stoot de vreemde voorwerpen af. Dat is de moeilijkheid bij allerlei transplantaties. Zo stoot ook de gemeente, wanneer ze een gezond lichaam van Christus is, vanzelf de ketterijen af. Wij moeten er dus voor zorgen dat het lichaam van Christus gezond blijft en dat steeds meer wordt, door een toenemende geloofsafhankelijkheid van haar Hoofd, Jezus Christus. Dat is de beste afweer tegen de ketterijen." (blz. 51).


*) Naar aanleiding van het boek van ds H. J. Hegger, "Zij is mijn bruid" (208 blz., f 19,80) is een uitgave van de Evangelische Pers, postbus 30, Dieren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief