Bejegen elk kind als een koningskind
2008-11-07
Hoe reageer je als Nederlands Gereformeerde Kerk op het verzoek van ouders die hun kindje willen laten opdragen in plaats van dopen?- Jaargang 52
- nummer 22
In mijn vorige artikel pleitte ik er voor om eerst een poging te doen om hen van het goed recht van de kinderdoop te overtuigen. Maar wat doe je als die poging op niets uitloopt en de ouders bij hun verzoek blijven?
De laatste jaren is deze vraag binnen allerlei kerken volop in bespreking en de beantwoording daarvan wisselt per gemeente en voorganger.
Terughoudend
Voor zover mij bekend zijn de meeste NGK tot nu toe zeer terughoudend in het honoreren van een dergelijk verzoek. Meestal blijft het bij een moment van dankzegging en voorbede voor de ouders en het kind. Zeker gaat het niet zover dat de ouders in de gelegenheid worden gesteld om hun kindje in het midden van de gemeente te brengen, alwaar het vervolgens de zegen van de Here ontvangt. Zo willen we als NGK de grote en bijzondere betekenis die de kinderdoop voor ons heeft waarborgen en het misverstand voorkomen dat dopen en 'opdragen' ons om het even zijn.
Andere stemmen
In andere kerken gaan echter stemmen op om wel ruimte aan het zegenen van de ongedoopte kinderen te geven. Zo verscheen tien jaar geleden het boek Vurig verlangen1 (een uitgave van het Evangelisch Werkverband in de PKN), waarin ds. M.J. Koppe schrijft: 'Ook als Evangelisch Werkverband zouden we graag een situatie zien ontstaan, waarin volwassen-
én kinderdoop naast elkaar gerespecteerd en erkend worden. Het gaat ons niet om het ontkennen van de waarde van de kinderdoop en het pleiten voor de volwassendoop, maar om de erkenning dat voor beide vormen van dooppraktijk Bijbelse argumenten en lijnen aan te geven zijn'.2 Ook in een recent verschenen themanummer van het tijdschrift Kontekstueel zijn er predikanten die ruimte voor opdragen bepleiten. Dr.
P. van den Heuvel, bestuurslid van het IZB en predikant te Bunnik schrijft: '(…) het is goed dat er in onze kerk ruimte wordt geboden voor gemeenteleden die met betrekking tot hun eigen kinderen de doop willen uitstellen.'3 Ook andere auteurszowel van gereformeerde komaf als uit de Pinkstergemeente - pleiten in dit nummer voor een erkenning van elkaars doop.
Het Dienstboek
De meest opvallende stem in dit rijtje is die van het nieuwe Dienstboek (een proeve) voor de PKN.4 Hierin namelijk wordt aan het zegenen van kinderen een legitieme plaats in de liturgie gegeven. Zelfs is hiervoor een speciale orde van dienst ontworpen: de 'Zegening van zuigelingen op weg naar de doop'.5 Het Dienstboek van de PKN kiest er overigens - wat mij betreft terechtvoor om niet van 'opdragen', maar van 'zegenen van kinderen' te spreken.
De term 'opdragen' namelijk wekt de indruk dat er een offer aan de Heer wordt opgedragen, of dat een kind aan de Heer wordt afgestaan zoals Samuël aan de Heer werd afgestaan. Om deze indruk te vermijden spreekt het Dienstboek van 'zegenen'. Dat sluit het opdragen in de zin van 'biddend bij God aanbevelen' in.6 Zo kan er ook een link gelegd worden met het enige moment dat ons uit het Nieuwe Testament bekend is waarbij de aardse Jezus zegent en dat is wanneer Hij de tot Hem gebrachte kleine kinderen de handen oplegt (Marcus 10:16).
Meebewegen
Uit het bovenstaande blijkt, dat de gedachte om ruimte te geven aan het zegenen van het (ongedoopte) kind breed leeft. En hoewel ik zelf een hartelijk voorstander van de kinderdoop ben, doen we er naar mijn mening als NGK goed aan om - zo de plaatselijke situatie dat toelaat - mee te gaan met deze beweging. Als blijkt dat de betrokken ouders respectvol over de kinderdoop spreken en bij hun standpunt blijven na een gesprek over de Bijbelse onderbouwing van de kinderdoop, kan wat mij betreft zelfs op ruimhartige wijze meegewerkt worden aan het zegenen van hun kind. Graag zou ik zien dat daarvan een plechtig liturgisch moment gemaakt wordt, waarbij de 'opdraagouders' in de gelegenheid worden gesteld om een aangepaste versie van de doopvragen te beantwoorden.
Ik realiseer me dat dit standpunt om een nadere verantwoording vraagt.
Hoe kan iemand die overtuigd is van het Bijbels recht van de verbondsdoop ooit ruimte geven aan 'opdragen'?
Wat belangrijker is, laat dit standpunt zich wel verenigen met de gereformeerde belijdenis en - meer nog - de Bijbelse gegevens? Tenslotte, begeven we ons hiermee niet op een weg waarop ras in onze kerken de volwassendoop een alternatief voor de kinderdoop wordt? Op deze vragen wil ik dit en een volgend artikel ingaan.
Nu wil ik me bepreken tot de twee meest basale en doorslaggevende argumenten die ik voor mijn standpunt heb.
Meervoudige functie doopdienst
Een doopdienst heeft in onze traditie meer dan één functie. Als een kindje gedoopt wordt, wordt het ook in het midden van de gemeente gebracht.
De gemeente weet: dit kindje is 'ons' kind. De ouders spreken in het midden van de gemeente uit dat ze hun kind een echt christelijke opvoeding willen geven en tegenwoordig belooft niet zelden ook de gemeente de ouders hierbij te steunen. Het kind tenslotte wordt middels het teken van de doop direct onder de hoede en de zeggenschap van de drie-enige God gesteld. Dit alles maakt de doopdienst tot een zeer rijk en zinvol samenzijn voor de ouders, de overige familie en de gemeente.
Het punt nu is, dat de koppeling tussen de doop en de overige kostbare momenten die ik hierboven noem geen principiële is. Die kostbare momenten komen op natuurlijke wijze met de bediening van de doop mee, maar zijn daaraan niet noodzakelijk en onlosmakelijk verbonden.
Het is immers niet dankzij de kinderdoop, dat een kind bij Christus mag horen en deel uitmaakt van de gemeente. Nee, omdat het bij Christus en zijn gemeente hoort, dopen we het! De eerste doopvraag luidt immers: 'Belijdt u, dat onze kinderen (…) in Christus geheiligd zijn en dáárom als leden van zijn gemeente behoren gedoopt te zijn?' Ook een kind dat door de gelovige ouders niet ten dope wordt gedragen is dus in Christus geheiligd en behoort tot zijn gemeente. Als zodanig - als een koningskind! - moet het dan ook door de gemeente bejegend worden.
Volwaardige leden
Stel dat er ouders zijn die - niet uit gewoonte of bijgeloof, maar uit diepe overtuiging - al de genoemde kostbare momenten als een gave uit Gods hand ontvangen willen, echter zonder gelijktijdig hun kindje te laten dopen.
Zij dienen hiertoe een verzoek bij hun kerkenraad in, maar die wil een minimum aan ceremonieel en beperkt zich tot dankzegging en voorbede. Zo wordt inderdaad heel duidelijk gemaakt dat opdragen geen alternatief is voor de kinderdoop. Nu, dat punt is dan gemaakt, maar … tegen welke prijs?
• Dít kindje wordt niet in het midden van de gemeente gebracht;
• Déze ouders worden niet in de gelegenheid gesteld om te beloven dat ze hun kindje - daarbij gesteund door de gemeente - tot Christus willen brengen;
• Dit kind wordt middels de persoonlijke zegen niet zichtbaar aan Gods hoede en zorg toevertrouwd.
De prijs van dit beleid om de bijzondere betekenis van de kinderdoop te waarborgen is, dat - even onbedoeld als onvermijdelijk - de indruk gewekt wordt dat de kinderdoop een voorwaarde wordt voor een hartelijke en volwaardige gemeentelijke betrokkenheid op dit kind en de ouders. De praktijk komt immers hierop neer: alleen als je je kind laat dopen ontvangen we je kind in het midden van onze gemeente en mag het aldaar de zegen van de Here ontvangen.
Dat de ouders zo de indruk kunnen krijgen geen volwaardige leden van deze gemeente van Christus te zijn, hoeft geen betoog.
Ik denk daarom dat er, met het oog op de ouders, het kind en de gemeente, echt wat voor te zeggen is om ook rond het kind dat niet gedoopt wordt een ceremonieel te hebben, waaruit blijkt dat ouders en kind echt bij Christus en zijn gemeente horen.
Gemeentelijke steun
Graag onderstreep ik in dit verband het belang van het stellen van een variant op de doopvragen aan de ouders die om een kinderzegen vragen.
We leven in een tijd van ernstige ontkerkelijking en staan daarom als christenen voor wat betreft de geloofsopvoeding van onze kinderen voor een groot gemeenschappelijk belang. Het spreekt allerminst vanzelf dat kinderen in deze tijd en wereld de weg tot Jezus vinden. En evenmin spreekt het vanzelf dat ouders hun kind een christelijke opvoeding willen geven. Wat is het tegen deze achtergrond waardevol dat ouders publiek de verplichting op zich willen nemen om hun kindje 'in Christus' op te voeden.
En wat hebben zulke ouders het nodig om daarbij door de gemeente merkbaar gesteund te worden. Tussen haakjes, wat hebben ook gereformeerden die hun kinderen tot de Here willen brengen daarbij niet zelden de steun nodig van christenen die voor de volwassendoop zijn! En daarom, laat ook ouders die om een kinderzegen vragen maar uitspreken dat zij het 'in Christus' willen grootbrengen.
En laat hen maar weten dat wij als gemeente achter hen staan!
'Laat de kinderen tot Mij komen'
Mijn tweede argument vóór het ruimte geven aan een kinderzegen is de gang van zaken rond het zegenen van de kinderen door Jezus. Onder andere Marcus (10:13-16) beschrijft dat de ouders tot Jezus komen om hun kinderen door Hem te laten aanraken, oftewel zegenen. De leerlingen bestraffen deze ouders en staan het hun niet toe tot Jezus te komen.
Wanneer Jezus dat merkt, reageert Hij daar ongekend fel op: “Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet! En Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen.” Zelf heb ik mij afgevraagd, toen mij verzocht werd een kindje te zegenen in plaats van te dopen: als ik dit weiger, lijk ik dan niet verdacht veel op de leerlingen die de ouders bestraften en hen de toegang tot Jezus blokkeerden?
Voor mezelf kon ik die vraag alleen maar bevestigend beantwoorden en vervolgens restte mij - alles allicht in overleg met en met toestemming van de kerkenraad - maar één ding: hieraan mee te werken.
Gereformeerde tegenwerpingen
Nu weet ik wel wat 'wij gereformeerden' geneigd zijn hier tegenin te brengen. Die ouders die hun kind de doop onthouden, díe lijken pas op die leerlingen! Sterker nog, deze ouders onthouden het God om middels de doop zijn rechtmatige claim op hun kind te laten gelden! Ja, zo reageren wij niet zelden, maar dat is - alleen al vanwege onze sacramentsopvattingtoch echt te kort door de bocht. De doop is een sacramentele gestalte waarin Christus tot ons komt, maar het is niet de enige gestalte waarin Christus tot ons komt. De doop is zelfs niet de voornaamste gestalte waarin Christus tot ons komt. Anders zou Paulus nooit gezegd kunnen hebben (1 Korintiërs 1:14v): 'Ik dank God dat ik niemand van u (…) heb gedoopt', en 'Ik ben immers niet door Christus gezonden om te dopen, maar om te verkondigen.' Je kunt onmogelijk volhouden dat ouders die hun kind niet laten dopen het dús niet tot Christus brengen. Nee, deze ouders brengen hun kind tot Jezus en willen niets liever dan dat God beslag op hun kind legt. Zij verbinden daar alleen niet het teken van de doop aan. Naar mijn mening doen we er goed aan om zulke ouders tegemoet te komen. De Heiland zelf doet immers niets liever dan kleine kinderen zegenen!
Maar hoe zit het dan met Schrift en belijdenis? Daarover de volgende keer.
1 H. Eschbach (red.), Vurig verlangen.
Evangelische vernieuwing in de traditionele kerken, Zoetermeer 1996.
2 Zie: Vurig verlangen, p. 95.
3 In: Kontekstueel 22e jrg. nr. 3, februari 2008, p. 17.
4 Dienstboek - een proeve, deel II, Leven - Zegen - Gemeenschap, Zoetermeer 2004. Hoewel dit Dienstboek 'een proeve' is, is het in opdracht van de synode(n) tot stand gekomen en wordt het gebruik daarvan ook van harte door de synode(n) aanbevolen. Het heeft dus een officieel tintje.
5 Zie: Dienstboek, p. 72-73.
6 Zie: Dienstboek, p. 58.
Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK van Haarlem.
Reageren?
Redactie.opbouw@ngk.nl