Taxatie van Galilea
1980-02-21
Jezus en Abraham- Jaargang 24
- nummer 8
Vanuit Kapernaüm nam Mattheüs ons mee. Eerst langs de oever van het meer, daarna door heel Galilea, het tand van de schaduw des doods. De zon gaat op, de duisternis wijkt, het volk komt weer tot leven: het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Tenslotte komen we weer daar waar Jezus begonnen is, het punt van uitgang: het meer van Galilea, een berg niet ver van Kapernaüm (vgl. 8 : 1 en 5). Ergens lees ik: "Ongeveer drie kilometer van Kapernaüm verheft zich aan de westelijke oever van het Meer een kleine hoogte, de zogenaamde Berg der Zaligsprekingen", Er staat nu een wat oosters aandoend kerkje - maar dat stond er in Jezus' dagen natuurlijk niet. Evenmin kan iemand met zekerheid zeggen welke berg rond het diepgelegen meer de berg is geweest. Laten we dat kerkje dus maar vergeten.
Belangrijk is alleen dat we nog steeds in Galilea zijn, in de buurt van de stad die Jezus als woonplaats had gekozen (9 : 1). Belangrijk is ook dat Jezus het eerste gedeelte van Gods programma heeft afgewerkt: met Gods boodschap en in Gods kracht is de Gezalfde het land van duisternis doorgetrokken. Een heel andere manier van rondtrekken dan Abraham lang geleden (Gen. 13: 14 v.v.). Nu houden andere machten in Kanaän huis en land en volk hebben eronder geleden: zijn dit nu Abrahams kinderen? Is dát Gods uitverkoren volk?
Mozes-Jozua-Jezus
Toen Israël met Mozes voor het beloofde land stond en er onder leiding van Jozua binnentrok, lachte het land hun toe (vgl. bijv. Deut. 6: 10, 11) - ze zullen nauwelijks geduld gehad hebben om Mozes' lange preek over de verbondswoorden tot .het eind toe aan te horen.
Nu, na zo'n twaalf of veertien eeuwen, is er een ándere Jozua en is er een andere preek. Luister maar naar Mattheüs: "toen Hij nu de scharen zag, ging Hij den berg op en nadat Hij zich had nedergezet, kwamen zijn dliscipelen tot Hem. En Hij opende zijn mond en leerde hen, zeggende Zalig de armen van geest… " (Mt. 5 : 1 v.v.).
Misschien waren de discipelen de direct aangesprokenen (vgl. Luc. 6 : 17 v.v.; 6 : 20). Maar die mensenmassa blijft in elk geval direct in het gezichtsveld. Het kan zijn dat Jezus tot zijn discipelen spreekt maar over, met het oog op de schare. Hij .Jeerde" zijn discipelen - de leerlingen moeten weten wat hun te doen en te zeggen staat. Mattheüs/Levi, één van die leerlingen, bundelt in die ene bergrede samen wat bij Lucas veel meer verspreid te lezen valt. Heeft Mattheüs Jezus' onderricht, leer, thorah vergeleken met de thorah waarmee Mozes vanaf de Sinaï Israël- onderrichtte? De vergelijking ligt voor de hand, temeer omdat in het vervolg verschillende momenten uit de Tien Woorden aan de orde komen.
Op de bergen
Met Mozes op de berg - met Jezus op de berg. Elk van beide spreekt "als gezaghebbende" (7 : 29), als onmiddellijke vertegenwoordiger van God: zó spreekt de HERE!
Mozes had vóór zich een ternauwernood aan dood (Ps. 116) en slavernij ontkomen volk-zonder-land, dat Kanaän ging beërven. Deze mensen, schreeuwend in doodsangs. tot God (Ex. 2 : 23), hadden de zairgheid gesmaakt en geproefd (Pascha) toen zij het evangelie der bevrijding onder grote tekenen en wonderen waarheid zagen worden. Het "Koninkrijk Gods" was ook toen nabij, a:lseen "dag des HEREN". Zelfs de achterstallige betaling werd geregeld: "Hij voerde hen uit met zilveren goud ... Egypte verheugde zich, toen zij uittrokken, want vrees voor hen was op hen gevallen" (Ps. 105: 37, 38; Ex. 3 : 22; 11 : 2; 12 : 35).
De thorah zoals Mozes die mocht brengen, en dat nog wel als Gods verbond met Israël op Schrif.t, begon dan ook veelzeggend. De aanhef luidde: Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis geleid heb. Is daarin de zaligspreking, de felicitatie niet inbegrepen?
Temeer omdat zij leven onder de uitdrukkelijke belofte, dat zij nu het land Kanaän gaan beërven. Zo had God het aan Abraham gezworen - daarom gaat het gebeuren. Mozes Iaat het hun weten aan de grens van het beloofde land: "Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken. Maar, omdat de HERE u liefhad en den eed hield, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft de HERE u met een sterke hand uitgeleid en u verlost uit het slavenhuis. uit de macht van Farao, den koning van Egypte, opdat gij zoudt weten, dat de HERE, uw God, de enige God is, de trouwe God ... " (zie Deut. 7 : 7-11).
In de ijzeroven
Egypte wordt in dat verband de ijzeroven genoemd (Deut. 4: 20; Jer. 11 : 4). Ook Salomo weet daarvan. Opvallend is dat zijn gebed bij de inwijding van de tempel niets triomfantelijks verraadt. Integendeel: hij voorziet dat Israël door eigen schuld weer in een situatie als die van Egypte terecht kan komen. En hij bidt: "wanneer zij zich dan tot U bekeren ... en wanneer zij tot U bidden in de richting van het land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt, van de stad die Gij verkoren hebt, en van dit huis dat ik voor uw naam gebouwd heb - hoor dan in den hemel, de vaste plaats uwer woning, naar hun gebed en smeking en versohaf hun recht. Vergeef uw volk hetgeen waarin zij tegen U gezondigd hebben, en al hun overtredingen die zij tegen U begaan hebben, en geef hun barmhartigheid bij degenen die hen weggevoerd hebben, zodat zij zich over hen erbarmen, want zij zijn uw volk en uw erfdeel dat Gij uit Egypte hebt geleid, midden uit den ijzerover (1 Kon. 8 : 48-51).
Zaligheid en rampzaligheid
We hebben een lange wandeling gemaakt, van Egypte via de Sinaï en de tempel van Jeruzalem weer terug naar Galilea, naar de berg der zaligsprekingen. Een tocht door Israëls historie aan de hand van de Schrift. Ik zou ook kunnen zeggen: van het "met Mozes op de berg"-
tot het "met Jezus op de berg". Wat vanaf Mozes opvalt is de armzaligheid van Israël van oudsher. Het valt niet te tellen hoe vaak in Israëls geschiedenis teruggewezen wordt naar het slavenbestaan in Egypte èn hoe God Israël daaruit heeft verlost. Bij die verlossing werden niet in geding gebracht Israëls religieuze kwaliteiten (lees maar eens Joz. 24: 14; Hand. 7: 23 v.v.; 7 : 42, 43!). Evenmin kan Israël ooit beweren dat God met deze keuze en deze verlossing en dit volk eer kon inleggen: een slavenvolk, een volk zonder land, het kleinste van alle volken. Kortom een armzalig volkje... Wat wèl in geding komt bij Israëls verlossing uit de "ijzeroven", het concentratiekamp, is Gods trouw aan zijn gedane beloften. En niet minder zijn ontferming, zijn bewogenheid als Hij ziet hoe zijn volk gemaltraiteerd, mishandeld wordt, Uit die geest moet Jezus gesproken hebben toen Hij Galilea voor zich zag: armen van geest ... Maar de verlossing is zo nabij als het Koninkrijk: zalig zijn de armen van geest!