De Nieuwtestamentische gemeente *)
1980-02-21
De vorige keer zagen wij hoe ds Hegger in de kerkelijke verdeeldheid kiest voor de vorming van een soort interkerkelijke huisgemeente.- Jaargang 24
- nummer 8
Hij doet die keus gepaard gaan met een schets van de N,T,-ische gemeente.
Deze wilde ik dit keer bespreken. Met opzet gebruik ik het woord "schets" en niet zoals ik de vorige keer (minder juist gekozen) deed het woord: structuur. Het is namelijk een van de eerste dingen die ons opvallen in het N.T. dàt er geen structuur of ordening wordt voorgeschreven, di'eals een soort blauwdruk zouden moeten gaan functioneren voor de kerk van alle tijden.
De gemeente in Corinthe is weer heel anders dan de kerk aan wie 'Paulus Zich richt in de Efezebrief; de huisgemeente in Rome (Rom. 16: 5) zag er anders uit als de gemeente in Jeruzalem en het opvallende is dat de apostelen niet gaan stroomlijnen, geen juridische kerkenordening gaan opstellen of gaan uniformeren, maar aan al deze gemeenten hun eigen vrijheid en vorm laten, en zo blijkbaar grote variatiesen kleurrijkdom op hoge prijs stellen, Os Hegger legt h'ier terecht grote nadruk op. Hij bespreekt in dit verband 1 Cor. 14 : 40, 33 waar staat dat God geen God van wanorde is en dat daarom 'alles met orde moet geschieden. Deze tekst is vaak als kapstok gebruikt voor allerlei kerkenordeningen, Ds Hegger wijst er op dat alles afhangt van de vraag wat voor soort orde hier bedoeld wordt. De orde van een staat, die geregeld wordtin wetboeken?
"Er is ook een andere orde mogelijk. Dat is de orde in 'een huwelijk en in een gezin, Die orde is levend en wordt niet geregeld door statuten of door een wetboek van strafrecht.
Ook in een gezin zijn er enkele ongeschreven regels waaraan men zich houdt, een bepaalde manier van zich gedragen, die voortkomt uit de visie en de besluiten van vaderen moeder. Maar die regels zijn zeer soepel. Ze hebben betrekking op de tijd van de maaltijden, van 'het kopje koffie of thee in de dagpauzen, op de tijd van het slapen gaan, op de wijze waarop men met elkaar omgaat, de verjaardagen viert 'etc." blz. 153. Christus heeft de orde van een gezin bedoeld, zo stelt ds Hegger en hoeveel verschil is er niet tussen verschillende gezinnen? Als eerste citaat op de titelpagina neemt ds Hegger dan ook een citaat op van prof. dr K. Schilder uit diens redevoering op de Vrijmakingsdag, 11 augustus 1944, "God is een God van orde. Maar als de orde, die Hij stelt, inderdaad Zijn orde is, met maar onze orde op zaken stellen, dan...". Die tegenstelling in de woorden van K. Serrilder beheersen het boek van ds Hegger. Hij ziet overal in alle kerken het menselijk zèlf orde op zaken stellen, terwijl voor de orde van Christus te weinig ruimte is. Dit menselijke orde op zaken stellen heeft 'geleid tot de groei van gemeentes die lijken op een bruid in een harnas.
"Hebben wij het recht om deze bruid van Christus in een harnas te steken van allerlei kerkelijke bepalingen en menselijke tradities?", blz. 55, vgl. blz. 96. Toch zouden wij ds Hegger geen recht doen als wij hem naar voren zouden halen als een man, die kritisch alle kerken en kerkelijke tradities en ordeningen hekelt, om zich 'er tenslotte van af te wenden.
Integendeel: zijn boek wordt gedragen door het verlangen om met zijn inzicht in de Schrift en zijn toewijding aan Christus en onder leiding van de Geest deze gemeenten en kerken in ons land te dienen. Dat inzicht bestaat in een aantal punten die ds Hegger ons met name onder de aandacht brengt en die 'hij vanuit het N.T. voor 'het leven van de gemeente wezenlijk acht.
1. Iedere gemeente is plaatselijk bruid van Christus: staat in een levende betrekking tot Hem en wordt door hem geleid door Woord en Geest. Daarom gaf ds Hegger dan ook aan zijn hoek de titel: "Zij is mijn bruid", Wat hierbij opvalt is de nadruk die ds Hegger liegt op de realiteit van die levende band met de Heer. "Hebben wij hem in feite niet vaak tot een ere-voorzitter gemaakt, die ver weg troont aan de rechterhand der Vaders. Maar hier op aarde zullen wij in de gemeente alles wel regelen." blz. 62.
2. In de tweede plaats wordt in het N.T. grote nadruk gelegd op het staan in de vrijheid (blz. 109 e.v.) die alleen dan echt kan functioneren als àlle leden van de gemeente mondig zijn, en mee beoordelen wat wordt verkondigd, mee-bidden en meewerken in de opbouw van de gemeente. Er is nog veel te veel verschil tussen predikanten - en niet-predikanten, "ambtelijke" en "niet-ambtelijke" samenkomsten, blz. 162.
"De kerk moet niet een vrijblijvende groep van mensen zijn, die op gezette tijden wat 'geestelijke consumpties bijen van elkaar genieten en overigens telkens naar elders rondzwabberen" , blz. 121.
3. De intergemeentelijke band moet worden gedragen en onderhouden door apostelen. De apostelen zijn de organen van het universele lichaam van Christus en in onze situatie van verdeeldheid moeten zij functioneren als dwarsverbindingen, blz. 101 e.v. Ds Hegger houdt vast - en dat lijkt mij erg belangrijk - aan de uniekheid van de twaalf apostelen. De twaalf eerste apostelen hebben geen opvolgers. Zij waren het fundament van de gemeente. Hun gezag is uniek, samen met de latere unieke apostel Paulus. Maar naast deze eerste apostelen waren er ook andere apostelen bijv. Barnabas (Hand. 14: 4) en Jacobus de broeder des Heeren (Gal. 2 : 9) die een ambt hadden dat intergemeentelijk was en dat ook blijvend bedoeld was.. Zulke apostelen waren bijv. Luther en Calvijn en zulke mannen zou de kerk vandaag weer nodig hebben.
4. In het geheel van plaatselijke gemeenten komen in het N.T. kleinere huisgemeenten voor die zich niet van die éne plaatselijke gemeente afzonderen, maar er levende cellen van zijn, Rom. 16: 5, blz. 105 e.v. De vorming van deze huisgemeenten is geen gebod, maar ook geen verbod. Het oprichten ervan mag niet concurrerend staan tegenover de plaatselijke gemeente, maar moet haar juist dienen. In de verdeeldheid van de kerk zou daar een stukje genezing van de verdeeldheid moeten plaatsvinden. Dat staat of valt bij de vraag of zij in staat zal zijn zioh vrij te houden van geestelijke inteelt, eenzijdigheid en sektarisme. (blz. 121).
"Trouw" noemde deze huisgemeenten een soort: kritische basisgemeenten van rechts.
5. De viering van het Avondmaal moet worden beleefd als het te gast zijn bij Christus en is daarom per definitie "open" voor iedere christen, van welke kerk hij of zij ook is. "Christus is de Gastheer, niet de kerkenraad" - of in mijn woorden gezegd: ook de kerkenraad mag komen (blz. 118 e.v.).
6. In de gemeenten, die zo in een zekere veelkleurigheid en geschakeerdheid plaatselijk samenkomt, moet er ruimte zijn voor Geestesgaven. De Geest geeft meer mensen als gaven aan de gemeente dan alleen maar oudsten en diakenen, hij geeft ook profeten, apostelen en evangelisten, Efeze 4 : 11 e.v., blz. 133 e.v. Ook is er sprake van meer "bedieningen" dan alleen die van het Woord. Alleen door openheid voor méér Geestesgaven zoals wij daarvan lezen in 1 Cor. 14 wordt het lichaam weer gezond.
7. Tenslotte: de kerk is niet in plaats van Israël gekomen, en de doop in plaats van de besnijdenis maar de kerk is naast Israël gekomen en de doop naast de besnijdenis.
De heilszekerheid van de kerk hangt samen met de visie op Israël, blz. 200 e.v.
Tot zover in notendop de schets van de N.T.-ische gemeente van ds Hegger. Wat moeten wij hierop zeggen? Ik kan hier alleen voor mij zelf schrijven, maar wat mij betreft ben ik het met verschillende punten van ds Hegger van harte eens: Punt 1, 2, 5, 6 en 7 hebben mijn hartelijke instemming. Het zijn de twee punten over het apostelschap en de vorming van huisgemeenten waar ik verdere vragen bij stel. Wat de huisgemeente betreft: wat ds Hegger daarover schrijft is zeker wel naar de Schrift. Of het de leiding is van Gods Geest dat in onze tijd veel zegen te verwachten is van zulke 'huisgemeenten dat weet ik niet. De tijd za1 het leren. Aan de vruchten kent men de boom. De gevaren ervan staan ds Hegger zelf (zie blz. 121) voldoende duidelijk voor ogen: geestelijke inteelt, eenzijdigheid of sektarisme. Deze gevaren liegen er niet om en hebben in het verleden vooral bij de jeugd in dit soort kleine kringen grote schade aangericht.
Wat het apostelschap betreft heb ik zo mijn twijfels. Slaat wat Paulus daarover schrijft in Ef. 4: 11 e.v. niet juist met name op de twaalf apostelen? Is het gebruik van de benaming 'apostel' voor Barnabas en Jacobus ook anders te verklaren gezien het bredere gebruik van het woord 'apostolos' = zendeling in die dagen? Maar zolang de uniekheid van de 12 apostelen en hun gezag wordt vastgehouden zoals ds Hegger doet, heb ik geen echte moeite met zijn uitleg, al deel ik hem niet.
Tenslotte: het zwaartepunt van dit boek ligt zeker in het pleidooi voor de vorming van "huisgemeenten", die de kerkelijke verdeeldheid zouden moeten gaan doorbreken en genezen. Ik hoop van harte dat het zo zal werken.
Intussen kies ik voor mij in het midden van de kerkelijke verdeeldheid een andere weg; maak van de nood een deugd. Zoals de Heilige Geest van de nood van de twist tussen Paulus en Barnabas een deugd maakte doordat er ten gevolge daarvan niet 2 maar 4 zendelingen op weg gingen (Hand. 15 : 35 v.v.). Zo zou ik van de nood van de verdeeldheid een deugd willen maken door van die aparte groep waarin ik 'gesteld ben een speerpunt te maken voor het rijk van God; in de hoop en met het gebed dat de andere evangelische gemeenten vanuit diezelfde gezindheid van Christus te werk gaan.
Dan zullen we elkaar op die weg - net als Paulus en Johannes Marcus (vgl. 2 Tim. 4: 11) - ook weer ontmoeten, misschien niet samensmelten, maar wel erkennen, hoogachten, en liefhebben. Om samen met alle heiligen in een veelkleurigheid van kerken en huisgemeenten te vatten hoe groot de lengte, breedte, hoogte en diepte is van de liefde van Christus.
*) Naar aanleiding van het boek van ds H. J. Hegger, "Zij is mijn bruid" (208 blz,; f 19,80) is een uitgave van de Evangelische Pers, postbus 30, Dieren.