(vervolg bespreking van) De nacht der Girondijnen

1980-02-21
  • Jaargang 24
  • nummer 8
Jacques en Jacob
De ik-figuur spreekt herhaaldelijk met een zekere Jacob. Hij heet zèlf Jacques, of Suasso (Portugese vorm van Jacob), Jacques en Jacob zijn twee kanten van dezelfde persoon.
Jacques is de gecultiveerde assimilant: hij heeft afscheid genomen van het Jood zijn en heeft zich volledig geassimileerd, aangepast bij de westerse cultuur. Jacob is zijn ándere ik, zijn Joodse kant, ook zijn geweten. Langzamerhand voelt hij zich steeds meer verbonden met het Joodse volk (blz. 13: zeg nu maar óns volk, spot Jacob) en ais een rode draad loopt die ontwikkeling door het boek: Van Joodse Nederlanders tot Nederlandse Jood. Het eerst breekt dat besef van Jood-zijn door op blz. 41: Geen grafteken voor jou, Mona. Je was het moedertje van 5b, je zat in de eerste bank aan de raamkant, je was zo fatsoenlijk en hartelijk; ik praat een beetje tegen je, Mona, tussen die naakte krankzinnigen in een verzegelde beestenwagen met afgesloten ventilatie naar de afgrond gereden, Mona, klein joods zusje van me.

"Ik moet mijn som maken"
De ik-figuur vraagt zich telkens af: wat is er eigenlijk met mij aan de hand, wie bèn ik eigenlijk, en wát ben ik? Wat zijn mijn drijfveren geweest?
Hij vertelt ook dat boven het bureau van zijn vader een bordje hing met daarop (in het Grieks, echt iets voor zo'n humanist) "Ken U Zelven". En dáár is de ik-figuur ook st€eds mee bezig, hij probeert zichzelf te leren kènnen. De structuur van het boek is grotendeels dáárdoor bepaald, de pogingen tot schrijven zijn pogingen tot zelfonderzoek geweest, twee keer is het mislukt, maar nu komt het proces op gang, zij het hortend en stotend (zie blz. 44): samenhangen worden zichtbaar. In hoofdstuk V ligt het keerpunt, dat was de dag waarop hij zich bewust werd van de drang tot schrijven, de dag waarop hij begón zichzelf te zien, te "kennen". Aan het eind van zijn schrijven stelt hij vast: de som is af en er staat een uitkomst, goed of verkeerd. Maar dan is hij geen Nederlander meer die toevallig van. Joodse afkomst is; dan is hij een Jood die toevallig Nederlander is: een Nederlandse Jood, geen Jacques of Suasso meer, maar Jacob!

Cobn en Hirsch
De personen die het sterkst invloed op de ontwikkeling van Henriques hebben gehad, zijn Cohn en Hirsch. Ze zijn in alle opzichten elkaars tegengestelde, zowel uiterlijk als innerlijk.
Cohn kent maar één wet: ik gá kapot, of ik máák kapot! Hij kiest voor het laatste, want dat is de enige mogelijkheid om te overleven. Hij heeft bovendien het bekende excuus: als ik het niet doe, dan doet een ander het wel! Vroeger heeft hij ándere idealen gehad, maar: tien jaar kampen ...
Henriques aarzelt eerst nog. Cohn zegt: "Zo lang hier Joden zijn, vinden ze nog altoos wel iemand die desnoods zijn eigen vader en moeder op de trein zet." Dát kan Henriques zich niet voorstellen. Maar hij accepteert het baantje, hij gaat in het voetspoor van Cohn, geniet van zijn macht, doet sommige dingen met grote tegenzin, dát ook, maar hij doet ze tóch: hij arresteert Jesaja Melkman, hij zet goede kennissen op de trein, ook Ninon, zijn leerlinge, óók zijn eigen moeder! Hij wordt zelfs spion, hij is bereid andere Joden te verraden om zélf buiten schot te blijven.
Hirsch, de rebbe is de anti-Cohn. Hirsch is "gaaf" gebleven en straalt die gaafheid naar buiten uit, hij heeft een bijzonder goede uitwerking op zijn omgeving. Hoe meer Henriques hem leert kennen, hoe meer hij hem gaat waarderen, bewonderen, ja liefhebben.
De rebbe leert hem het kwade te haten! (blz. 57). De rebbe leert hem ook mede-mens, mede-Jood te worden. Henriques leert ook de Bijbel kennen, maar of dát bij zijn ontwikkeling een rol speelt?

Het keerpunt
De invloed van Cohn veroorzaakt bij Henriques in moreel opzicht een dalende lijn; hij zakt steeds verder af en wordt zelfs spion, een ordinaire verrader.
Maar in hoofdstuk V (blz. 44-50) gebeurt er iets waardoor er een inzicht bij hem begint te groeien in wát hij eigenlijk aan het doen is. De machtige Cohn, de eerste man, direct onder de Duitse kampcommandant, wordt door een eenvoudige Nederlandse marechaussee diep vernederd: "Daar lag de hele pseudo-hiërarchie op de eerste duw van de kleinste Filistijn!"
Hier begint Henriques, hoewel hij het zichzelf nog niet bewust is, iets te voelen: Ondanks zijn inspanningen, ondanks zijn slaafse medewerking aan de vernietiging van zijn volksgenoten, blijft ook Cohn "maar" een Jood. Ook Cohn heeft niet de zekerheid dat hij zal overleven.
Dan zéker niet Henriques! Is hij wel op de goede weg? Mág hij eigenlijk wel zo doorgaan: kapot máken om niet kapot te gáán? Hier is een bekend literair motief, o.a. te vinden in het middeleeuwse Elckerlijc en zelfs in de gelijkenis van de verloren zoon. Juist als een mens het diepst gezonken is, kan er een wérkelijk besef ontstaan.
Bij Henriques groeit dat besef langzaam tijdens zijn contacten met de rebbe. Dat contact begint hier, direct na de vernedering van Cohn.
De rebbe zegt dat hij Cohn beklaagt, want die kan niets terugdoen, helemaal niets.
"En wat kunt u dan terug doen?"
"Wilt u dat werkelijk weten?"
"Graag." Ja, Jacob, ik zei graag, want je weet: ik was nu eenmaal een spion, een doodgewone verklikker en moest hier wel op af. Jij zegt me dat het niet helemaal zo was, maar toen al een beetje anders. Het is mogelijk, ik hoop het maar.
Ik vind dit telkens weer een meesterlijk getekend gedeelte uit het psychische proces dat Henriques meemaakt: zijn andere ik zegt hem dat er tóen al iets van inzicht aan het groeien was, maar hij beseft het zelf niet. De rebbe neemt hem dan mee naar zijn barak en laat hem voorlezen uit Jozua: "De Here God is met u, alom waar gij henen gaat."
"Dank u, mijnheer Henriques. Dat is het dan. U vroeg me wat ik kan terugdoen.
Dus helemaal precies heb ik uw vraag niet beantwoord, want dit is natuurlijk wat wij terug kunnen doen."
Hierna volgen nog veel gesprekken met de rebbe. Henriques krijgt er steeds meer oog voor dat Hirsch één van de enkele "rechtvaardigen" is in dit kamp dat erger is dan Sodom en Gomorra. Ook dringt het steeds meer tot hem door dat er géén redding mogelijk is door méé te doen aan de "onrechtvaardigheid": niet Cohn is meer zijn voorbeeld, maar de rebbe, Hirsch. Aan hém ziet Henriques wat een houvast het Joodse geloof kan geven. Of hij dat geloof zelf ook gevonden heeft?

Homo homini homo
Presser heeft dit boekje als motto meegegeven: homo homini homo. Letterlijk betekent dat: de mens is voor de (andere) mens een mens. Maar de oorspronkelijke Latijnse spreuk is: homo homini lupus, dat wil zeggen: de mens is voor de (andere) mens een wolf! Het motto van Presser roept automatisch de andere spreuk op, en de vraag rijst: waarom die verandering? De "lupus", de "wolf", komen we inderdaad in het boekje tegen: Cohn is daarvan hét voorbeeld, en in zekere zin de ik-figuur zelf ook. Máár, te midden van alle egoïsme, wreedheid, ook in dit Sodom en Gomorra, waar de een de ander de dood insleurt om zélf maar aan het gevaar te ontkomen, ook in de slechtst denkbare omstandigheden zijn er mensen die medemens blijven! Zie het lichtende voorbeeld van Hirsch, de rebbe.

De grondgedachte
Het voornaamste gebeuren is de geestelijke ontwikkeling van de hoofdpersoon, Henriques. Hij vraagt zich af wát hem eigenlijk bezield heeft, welke "drijfveren" hij gehad heeft.
Het wordt hem in wezen niet helemaal duidelijk: "Kennen, neen, mezelf kennen doe ik niet". Wél ziet hij achteraf in hóe slecht hij gehandeld heeft, hij heeft geleerd het kwaad te haten. Zijn afkeer van het kwade, zijn haat, komt in een emotionele daad tot uitbarsting: En toen gebeurde het, gauwer dan ik het vertellen kan: ik vloog op Cohn aan, sloeg hem met volle kracht in het gezicht, raapte het boekje op en gaf het aan de rebbe. Nog voel ik, hoe hij, in de opening van de wagen staand, zijn handen even op mijn hoofd legde en daarbij prevelde hij een paar woorden die ik niet verstond, maar wel begrijp, nu.
Henriques kiest vóór de rebbe en keert zich tegen Cohn: vóór de "mens", tegen de "wolf". Dát is de "waarheid" die uit dit boekje tot ons spreekt: homo homini homo. Er blijft hoop, want de mede-mens is er toch. Hirsch leeft vanuit zijn Joods geloof, en dat maakt diepe indruk op Henriques, Maar nergens is te lezen dat de ik-figuur dat geloof ook tot het zijne maakt. Er is wel ontroering bij het lezen van Psalm 23: "Al ging ik ook door een dal der schaduw des doods", maar nergens geeft de hoofdpersoon er blijk van in de God van zijn vaderen een altijd aanwezige Beschermer te hebben gevonden.

Waardering
Uit literair oogpunt gezien, moet dit boekje een meesterwerk worden genoemd: een uitstekende compositie, aangrijpende beschrijvingen, en een herkenbare, uiterst belangrijke problematiek. Wie het een béétje begrepen heeft, zal het beslist vaker dan één keer lezen.
Is het een "christelijk" boek? Nee! Ik heb hierboven laten zien dat de grondgedachte in wezen "humanistisch" is, zij het dan met een positieve houding ten opzichte van Joods geloof en traditie. Daarmee spreek ik geen afkeuring uit, daarmee wijs ik alleen op wat het boek zélf brengt.
Het confronteert de lezer met één van de ergste dieptepunten uit de menselijke geschiedenis en het opent de ogen ook voor de duistere afgronden in de mens zélf. Ik wilde dat er christelijke schrijvers waren die zo indringend en op een zó hoog niveau een dergelijke problematiek wisten te brengen. Die zouden dan ook een ánder accent weten te leggen: niet het voorbeeld van een "gaaf" mens, al leeft die dan vanuit de zekerheid die het Joodse geloof hem biedt. Het is de inhoud van o.a. Psalm 23 zélf die ons houvast geeft!

Ter afsluiting
Presser gebruikt nogal wat woorden en uitdrukkingen uit andere talen: achterin het boekje is een lijst met vertalingen en toelichtingen te vinden. Ik vermoed dat de meeste lezers er profijt van zullen hebben, als zij die raadplegen.
Een enkele aanvulling: Jacques is Frans, Suasso Portugees voor Jacob.
Jacob = hielenlichter. Oplichter?
Zou het te ver gezocht zijn als ik zijn naam in verband breng met de Jacobijnen die hun slachtoffers, de Girondijnen, onder de guillotine brachten?
Hirsch = hert. Hij is "weerloos", vergelijk: Lam.
Cohn = priester; Siegfried = beschermer van de vrede.
Ambivalentie: Henriques is "ambivalent", d.w.z. hij is naar twee kanten gericht, hij heeft iets van zijn moeder en iets van zijn vader, van Cohn en van Hirsch, voelt een afkeer van het Jodendom én wordt erdoor aangetrokken, de onvolwassen weifelaar.

Een volgende keer hoop ik nog iets te zeggen over het verband dat ik zie tussen dit boekje en het middeleeuwse toneelspel Elckerlijc.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief