De wereld die komt en het beloofde land
2012-02-04
Ds. Henk de Jong heeft zich vaak en intensief bezig gehouden met Israël als uitverkoren volk en beloofd land. Vorig jaar leverde dat een dun, maar boeiend boekje op - boeiender dan de wat droge titel ‘De Landbelofte’ doet vermoeden.- Jaargang 56
- nummer 3
Het is een pittige Bijbelstudie, met grote lijnen en mooie details, veel meer dan ik hier kan noemen.
Het laatste woord is hiermee niet gesproken’, schrijft De Jong nuchter. Dat denk ik ook niet. Alleen al de intrigerende gebeurtenissen uit vorige eeuw, zoals het ontstaan van de staat Israël (1948) en de stroom van Joden vanuit de volken naar het oude land, maar ook de plaats van Messiasbelijdende Joden zorgen voor voortgaand gesprek in (en tussen) kerk en synagoge.
Van land naar wereld
Eerst iets over de trits wereld-landplaats, want het land staat niet op zichzelf. Als het gaat om de eerste twee, heeft de nieuwtestamentische kerk altijd met de gang van het evangelie meegedacht - van Jeruzalem tot aan de einden van de aarde en van het ene volk naar alle volken van de aarde.
Eén van de sterke punten van het boekje van De Jong is dat hij laat zien, dat deze blikrichting nog oudere papieren heeft. Eigenlijk zie je het al terug in de manier waarop in het boek Genesis de belofte van het land aan de aartsvaders wordt verwoord, waarbij de grenzen ruim en globaal worden aangeduid. Abraham mag, als het gaat om het beloofde land, van God grenzeloos ver kijken en dat in alle windrichtingen (Genesis 13:14-
15). En worden er grenzen aangegeven, dan liggen ze ongekend ruim: van de Eufraat tot Egypte (15:18-21).
De Jong constateert ‘een zekere uitwaartse druk op de landsgrenzen: land dringt naar aarde’ (p. 22). En dat sluit prachtig aan op het bekende woord aan Abraham - ‘In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’ (Genesis 12:3). De belofte van het land is dus van meet af aan open naar de wereld, zoals ook de verkiezing van het volk Israël is afgesteld op alle volken van de aarde.
Van land naar plaats
De Jong verbindt deze beweging van land naar wereld met een andere, waarbij niet uit- maar ingezoomd wordt van land naar plaats. In Genesis 22 komt dat al in beeld, als van de Moria gezegd wordt dat de Heer op die plaats zal voorzien. In latere tijden heeft Israël daar steeds een heilig midden gekend (Sion, tempel). Daar gebeurde het onmogelijke in alle voorlopigheid en beperktheid: God die woont te midden van de mensen.
Niet zomaar als vanzelf trouwens, getuige offerdienst en verzoening. De Jong laat zien hoe sterk de landbelofte aan deze heilige plaats gebonden is. Er zijn zelfs een aantal opmerkelijke Bijbelplaatsen, waarbij de intocht in het beloofde land gefocust wordt op het meest vitale: de aankomst op de heilige plaats (bijv. Exodus 15:13, p. 37).
Het land van God
Henk de Jong maakt duidelijk dat aarde, land en plaats zich op een heel dynamische manier tot elkaar verhouden.
Daar past bij dat de Israëliet het land ook eigenlijk niet in bezit kreeg, maar slechts het vruchtgebruik genoot. Het jubeljaar (Leviticus 25) en het denken in jaren van oogst is daar een mooi voorbeeld van. Want het land is van God en de Israëliet kan van daaruit zelfs getypeerd worden als vreemdeling en bijwoner bij God.
Leven in het geschonken land was bedoeld als leven voor het aangezicht van God. De donkere kant daarvan is door Israël ervaren in de ballingschap, nadat het volk de relatie met God grondig had verwaarloosd. Al viel Israël ook in deze landloze episode niet uit de aandacht van God.
De Jong illustreert dat laatste met Psalm 105, waar je ziet dat er ook leven (met God) is voor een volk zonder een eigen land. Het grootste deel van de psalm gaat namelijk over de tijd, dat de erfenis van het land nog uitstond (aartsvaders, Egypte, woestijn).
Buitenbeentje?
Tot zover wat belangrijke lijnen uit het Oude Testament, die het wereldwijde in Christus hebben voorbereid.
Goed om te lezen en de eigen gedachten aan te scherpen. Juist daarom vroeg ik me af of ds. De Jong zich in het ‘Voorwoord’ (p. 5) niet te nadrukkelijk als een buitenbeentje positioneert.
Is de inhoud van dit boekje werkelijk zo controversieel? En wat zijn nu die ‘gangbare’ opvattingen waartegen De Jong zich keert? ‘Omdat mijn gedachten over dit onderwerp afwijken van de gangbare opvattingen voel ik mij gedrongen me daarover te verklaren’, zo lees je in de opening van het eerste hoofdstuk. Dat had volgens mij meer gespreksopenend gekund.
Ik had bijvoorbeeld die tegenstanders van De Jong wel meer in beeld willen hebben. Naar een boek vol literatuurverwijzingen verlang ik niet, maar alleen de typering ‘gangbare opvattingen’ is wel erg karig. Zo eensgezind ligt de Israël-theologie er nu ook weer niet bij. Juist het brede spectrum aan opvattingen maakt het gesprek minder massief.
Heel Israël
Kansen liggen volgens mij in een woord als ‘geheimenis’, dat Paulus gebruikt bij de gedeeltelijke verharding van Israël (Romeinen 11:25). De Jong is een uitgesproken volgeling van Calvijn als het gaat om de uitleg van ‘de redding van heel Israël’. Dat is kort gezegd de volheid van gelovigen uit alle volken (inclusief Israël). Dus geen eindtijdelijke move van God uitsluitend gericht op Israël, waarmee het oude volk alsnog deel krijgt aan Gods redding. De Jong vindt dat een Fremdkörper in de heilsleer, vanwege het ontbreken van de geloofsvoorwaardelijke kant. ‘Geen algemene verzoening dus, voor Israel niet en voor de wereld niet, het is een leer die de waardigheid van de mens aantast’ (p. 11).
Geheimenis
Toch blijft dat woord geheimenis staan als een woord dat ik aan de grote kant vind voor dat eeuwenlange proces waarbij heidenen en joden tot Christus komen. En ik vind het dus niet zo vreemd dat er altijd geweest zijn in de christelijke kerk, die dat ‘heel Israël’ toch meer op dat oude volk betrekken.
Juist met zo’n woord als ‘geheimenis’ maakt de apostel duidelijk, dat de redding van Israël en de volken echt Gods werk en niet het onze. Dat geeft tot op vandaag de christelijke gemeente ruimte om met een niet-eenduidige uitleg van ‘heel Israël’ te leven. Waarbij je ook niet in de sfeer van alverzoening terecht hoeft te komen. Ik zou me kunnen voorstellen dat de verwonderlijke gebeurtenissen uit de vorige eeuw de christelijke gemeente prikkelen tot gebed om openheid bij de joden voor Messias Jezus.
En dat een verhoring van die gebeden zou kunnen zijn dat in een laatste fase van de wereldgeschiedenis het oude volk (en tegelijk één van de volken) op bijzondere wijze wordt bereikt met het evangelie. Misschien wel omdat Israël te midden van de volken toch Gods eerste liefde blijft, zoals De Jong het ergens typeert.
Goddelijk-menselijk
Boeiend in het gesprek met en over Israël is ook de notie van de goddelijke en menselijke factor in allerlei initiatieven.
Zo moeten de chassidim (ultraorthodoxe joden) weinig van de staat Israël hebben, omdat ze het een te menselijk initiatief vinden. Daarin staan ze dicht bij De Jong. Een verwant gesprek zou kunnen gaan over de verhouding tussen offerdienst (Gods verzoening) en Tesjoeva (menselijke inkeer, gebed, p. 40) en dat laatste weer in verband met De Jongs nadruk op het geloofsvoorwaardelijke.
En nog weer iets anders is het gesprek over verzoening tussen Palestijnen en Joden, waar een organisatie als de NEM aan werkt. Gesprekspunten te over, volgens mij!
Jong, H. de (2011), De Landbelofte.
Buijten & Schipperheijn, Amsterdam.
52p. € 11,-.
Drs. Freddy Gerkema is lid van de redactie van Opbouw en predikant van de NGK Amersfoort-Noord.