MASKERS
1979-08-24
De bekende Engelse auteur C. S. Lewis heeft maar één roman geschreven.- Jaargang 23
- nummer 31
Het is tevens zijn laatste werk Hij noemde het "Het wordend aangezicht". Het is uitgegeven bij Ten Have, maar mogelijk al uitverkocht. De engelse titel is "Till we have faces".
De hoofdpersoon in deze roman is de prinses. Orual. Zij is prinses van een oud-Oosters rijk. Orual is de oudste dochter van een machtig maar. wreed koning. Zij heeft twee zusters. De één, is uiterlijk knap en aantrekkelijk, maar oppervlakkig.
De ander is haar lievelingszusje, dat eigenlijk door haar als een soort eigen kind wordt opgevoed: ze heet Psyche en is gevoelig en begaafd. Zelf heeft de prinses, die later koningin wordt maar één groot probleem: ze is lelijk en daarom jaloers. Als haar vader haar eens wil straffen, trekt hij haar voor de spiegel en dan ziet zij hoe oerlelijk en onaantrekkelijk haar gezicht is. Daarom besluit zij om als koningin een sluier voor te doen en die nooit weer af te nemen. Tegen het eind van haar leven is er niemand, die ooit haar eigenlijke gelaat gezien heeft, ja, je zou er tenslotte aan gaan twijfelen of zij wel een gelaat heeft ...
Wat C. S. Lewis hier beschrijft is in beeldende taal het probleem van vervreemding. De schrijnende pijn in onze samenleving, waarin zoveel mensen gemaskerd zijn, gesluierd, een rol spelen of opgaan in een functie, zonder te tonen, wie zij eigenlijk zijn, soms zonder te weten wie zij eigenlijk zijn. Is er nog wel iemand achter de sluier? Als Orual, de koningin, het einde van haar leven nadert heeft zij een bijzondere droom. Haar vader staat vóór haar en neemt haar mee naar de kelder van het paleis; dáár in de.kelder licht hij een tegel op waaronder een trap verschijnt, die leidt naar een nog diepere kelder en in die tweede kelder gaat hij graven tot een nieuwe tegel toegang geeft naar een laatste kelder en daar in die diepste kelder daar hangt de spiegel. Opnieuw hangt daar die verschrikkelijke spiegel en hij dwingt haar ertoe om daar ongesluierd voor te gaan staan en dan ziet zij haar gezicht: het is het 'gezicht van Ungit, de godin van haar koninkrijk, maar deze godin heeft geen gelaat: ze wordt vereerd in een grote doorgroefde en zwarte steen, die in voorhistorische tijden uit de aarde omhooggedrongen is en waarop offerdier na offerdier is geslacht, tot het doorgroefd was met duizend groeven en ieder gezicht vertoonde dat de mensen er maar in wilden zien.
Daar ligt de angst van vele mensen vandaag. Ben ik wel iemand? Is er een "ik" achter alles wat ik doe?
of ben ik slechts een radertje in de grote machine van onze samenleving en blijft er niets achter als ik wegval? Een kaart in een kaartenbak?
Zo vrezen velen vandaag onder te gaan in de brij van het algemene!
Ze voelen zich door hun omgeving geleefd, "met een sluier om" en zij zijn bang dat, als de sluier wordt afgerukt en ze zich zelf zien zoals zij zijn, zij een niemand zien, Ungit, een van de vele naamloze producten van moedernatuur.
Het onbewuste in de mens - zijn "es", zoals Freud het zei - de diepe kelders van onze ziel waarin Orual moest afdalen - zijn onpersoonlijk. Gaan wij daarin straks allen weer naamloos ten onder?
Dat verwekt in Orual zo'n angst, dat zij het zwaard grijpt en zichzelf erin wil storten. Maar de kracht om het te doen ontbreekt en zo moet zij voort.
II. Hiermee kom ik bij het tweede punt: de betekenis van de spiegel.
Wie zoekt naar zijn ware identiteit heeft een spiegel nodig. Zoals ik letterlijk mijn gezicht maar op één, manier kan zien door een spiegel, zo heb. ik om mijn ware identiteit te kennen ook een spiegel nodig.
Dat is zonder meer een feit.
Niemand kan zichzelf leren kennen door 'n ego-trip of door navelstaren.
We zagen al in Orual, hoe zij, wanneer zij afdaalt in de diepste kelders van haar bewustzijn tenslotte uitmondt bij moederaarde - de naamloze, wreed-goede, alles-verslindende, en tegelijk schoot-achtige onpersoonlijke godin van de natuur. Is dat ons thuisland?
Neen; het zijn de medemensen die wij nodig hebben als spiegels om te weten dat dàt niet ons thuisland is en dat wij wèl iemand zijn.
Hier stuiten wij op de tweede laag in het boek van C. S. Lewis: die spiegels van onze medemensen doen wel iets - soms heel veel - maar ze schieten uiteindelijk te kort. Hoe goed ook de vrienden zijn, die Orual omringen: de wijze leermeester, de Vos genaamd, en Bardia, de generaal, haar zuster en haar vrienden, zij zijn niet in staat haar haar wáre identiteit te geven.
Sterker nog: in de loop van haar leven blijkt zij hen steeds meer tot een verlengstuk van zichzelf te maken.
Psyche, haar zuster wil zij in jaloerse zelf-liefde aan zich houden.
Haar vrienden zuigt zij aan zich, om hen egocentrisch alleen voor zich te bezitten. Zij moeten haar dienen in plaats van zij hen.
Maar aan het eind van haar leven slaat het uur van de waarheid. Dan ontvalt haar de ene na de andere vriend en de rest laat haar in de steek. Zij moet alléén de eenzame weg gaan naar de goden. Daarom is dit niet het laatste antwoord op de vraag: waar vind ik mijn identiteit.
De spiegels die mensen ons aanreiken, die mensen voor ons zijn, laten ons allemaal maar deelwaarheden zien van ons-zelf. De leraar weerspiegelt: een goede leerling.
De vader: een lelijke dochter, de generaal: een goed soldaat. Zo laten ze allen allen maar iets zien, niet het eigenlijke.
III. Waar ligt dan de ware ontknoping?
Die komt aan het einde van het boek: ineen visioen of een droom vlak vóór haar sterven wordt Orual meegevoerd naar de zaal der goden. Zij die verbitterd haar leven lang heeft gezocht naar... ja ... naar wat anders dan naar zichzelf?
Liefde, rijkdom, macht; alles wat haar rijk had moeten maken, het heeft haar arm en leeg achtergelaten.
Verbitterd.
Aan het slot van het boek treedt zij met haar aanklacht voor de goden.
Alles hebben jutl'ie mij ontnomen.
Wreed hebben jullie mij geschapen en tenslotte zuig je me weer op ... en dan terwijl zij haar aanklacht voorleest schrompelt deze in haar handen ineen en ziet zij in beelden aan de wand die haar getoond worden door haar oude leermeester, de Vos, hoe zij het in feite zelf was, die altijd alIe mensen om zich-zelf liet draaien als de planeten rondom de zon, hoe zij altijd ieder opzoog, jaloers was, alIer aandacht naar zich toe trok, iedereen onder haar beslag legde, altijd alle liefde hebben wilde - en hoe alIes daarvoor moest wijken.
Als de Vos is uitgesproken en deze beelden aan haar zijn voorbijgetrokken dan ontmoet zij opnieuw haar zuster, haar mooie zuster: Psyche en terwijl zij daar samen staan aan de oever van een rimpelloze vijver verschijnt de Hoogste God, de enige God met een gezicht en terwijl Hij verschijnt kijkt Orual in het water voor zich en dan ziet zij in het water van de vijver hoe haar spiegelbeeld en dat van haar zuster samenvloeien en zij hoort een stem: Gij zijt ook Psyche! Het moment waarop zij voor God haar jaloezie bekent en haar zelfzucht op dat moment krijgt zij, dankzij het lijden van haar zuster Psyche - en haar offer - zelf een gelaat om voor de hoogste God te kunnen verschijnen. Zo brengt het einde van het verhaal de onverwachte ontknoping. Pas als Orual de hoogste God ontmoet, dan ziet zij zichzelf weerspiegeld in een vijver aan de rand waarvan zij zich heeft opgesteld en staande naast haar zuster Psyche - met het beeldschone gelaat - ziet zij haar eigen spiegelbeeld en dat van haar zuster. .. en ineens merkt zij tot haar grote verwondering hoe zij een gezicht heeft gekregen, waar alle lelijkheid va nis weggevallen en dat ja, anders is dan Psyche, maar minstens zo schoon.
Met deze roman heeft Lewis een poging gedaan om diepere dimensies aan te geven in de vervreemding van de moderne mens dan in de regel wordt gedaan. In de regel wordt de zelf-vervreemding van de mens van vandaag verklaard vanuit de 20e eeuwse kultuur.
De techniek vervreemdt een mens van zichzelf. De samenleving met zijn bureaucratie, zelfbediening en multinationals vervreemden de mens van zichzelf - de mentaliteit van Europa met zijn rationalisme en pragmatisme vervreemden de mens van zichzelf - gebroken gezinnen - en kille universiteiten, computers en t.v. vervreemden de mens van zich-zelf - en ik ben er zeker van dat ik nog maar een klein deel van alle oorzaken heb genoemd. Je raakt vervreemd van jezelf als je opgaat in onze consumptiemaatschappij etc. etc. Alles waar. Maar de diepste dimensie van vervreemding wordt niet gepeild.
Zolang die niet wordt gepeild, zal men de uitweg uit de vervreemding ook zoeken op wegen die je misschien wel eens even bekoren, maar die je in de diepte geen hulp bieden.
Vandaag zijn dat vooral allerlei soorten groeps-, gedrags- en gesprekstherapieën.
Ze zijn allen voortgekomen uit de ideeën van het humanisme: de mens moet zichzelf helpen - zichzelf ontwerpen zichzelf ontdekken - zichzelf aktualiseren.
C. S. Lewis wijst een andere weg: niet de ontdekking van mijn eigenlijke zelf in het proces van zelfaktualisatie voert mij uit de vervreemding, maar de ontmoeting met de Ander, die boven mij staat, die een beroep op mij doet, -mij aanklaagt en mij vertroost, dié ontmoeting voert mij naar de ware zelf-kennis en op de weg uit de vervreemding.
Dit alles heeft C. S. Lewis in zijn laatste grote roman ‘Het wordend aangezicht' op bijzondere wijze in beeld gebracht. Het zou een bijzondere zegen zijn als tengevolge van dit boek steeds meer maskers tot spiegels werden.