Dr Jelle Zijlstra (4)

1979-08-24
  • Jaargang 23
  • nummer 31
N.a.v. het onder deze titel verschenen boek, samengesteld door dr G. Puchinger (uitg. Strengholt. Naar den, f 47.50)

Een maand ná het aftreden als minister-president, op 2 mei 1967, stapte de heer Zijlstra het gebouw van De Nederlandse Bank (DNB) te Amsterdam binnen. Hij was benoemd tot president van die bank en begon zijn arbeid, die zo heel anders zou zijn dan de politieke.
Uitermate boeiend is de uiteenzetting, die hij over deze nieuwe taak geeft. Eerst wijst hij er op, dat de Amsterdamse Wisselbank reeds in 1692 als Centrale bank in de Nederlanden fungeerde, omdat zij het recht kreeg bankbiljetten uit te geven.
DNB is haar opvolger, in 1814 door Koning Willem I gesticht, thans dus 165 jaar oud.
Zoals gezegd is de eerste taak het uitgeven van bankbiljetten. Maar wat in circulatie is (275 miljoen coupures van resp. 1000, 100, 25, 10 en 5 gulden, met een totaalwaarde van 18 miljard gulden) ligt er in de kelders van de Bank een (beperkte) goud-dekking, Een tweede taak is "de waarde van de Nederlandse geldeenheid te reguleren op zodanige wijze als voor 's lands welvaart het meest dienstig is en daarbij die waarde zoveel mogelijk te stabiliseren." (160). Dat is, kort gezegd: passen op de waarde van de gulden, inflatie zoveel mogelijk tegengaan. En tenslotte oefent DNB toezicht uit op het kredietwezen, d.w.z. op het doen en laten van de in Nederland werkzaam zijnde bankinstellingen.
Deze taken, zo vertelt dr Zijlstra, zijn bij de wet geregeld. De minister van financiën is echter, politiek gesproken, de baas, hij kan DNB aanwijzingen geven hoe te handelen.
Dat komt echter vrijwel niet voor, zodat de president van DNB een figuur is, die veel invloed op het maatschappelijk leven kan uitoefenen, zij het niet altijd even rechtstreeks.
Hij treedt ook weinig publiek op. "Zo vind ik dat ik mij van partijpolitieke activiteiten doorgaans moet onthouden (... ) Ik ben partijpolitiek niet neutraal, ik was en ben overtuigd anti-revolutionair, en hoop, ijs en wederdienende, met die partij over te gaan naar het CDA. (... ) Mijn adviserende taak met betrekking tot het regeringsbeleid oefen ik in het algemeen uit achter de schermen, zowel in de wekelijkse lunchbijeenkomsten met de minister van financiën (... ) alsook in de bijeenkomsten van de REA, de Raad voor Economische Aangelegenheden, die een van de onderraden is van de ministerraad" (163, 164).
De president van DNB is voorts lid van de SER. de Sociaal Economische Raad, in welk orgaan hij samen met werkgevers- en werknemersleden.
deel neemt aan het overleg over belangrijke, ook politiekgevoelige, problemen.
Gevraagd op wat voor wijze waakt DNB nu over de waarde van het geld? zet de heer Zijlstra uiteen welke functie het geld in de samenleving heeft. Het heeft in feite geen "eigen waarde", doch is enkel een reken-eenheid om de waarde van goederen en diensten aan te geven. De productie van goederen leidt tot inkomen. Toenemen van die productie betekent dus méér inkomen. De som van alle verdiensten, winsten, rente-opbrengsten e.d. noemen we nationaal inkomen (dat is wat we als nederlanders gezamenlijk per jaar verdienen). Een deel van dat NI gebruiken we voor levensonderhoud (consumptie), terwijl we een ander dee1 sparen, om dat te gebruiken voor nieuwe investeringen, op eenzelfde moment dan wel later. Tenslotte eist de overheid, in de vorm van belastingen, eveneens een deel van het NI.
Die omvangrijke som (het NI is nu al meer dan 200 miljard gulden per jaar) moet wel beheerst worden, er dient een zekere ordening te zijn. Niet teveel geld-in-omloop, niet te weinig. Het gaat niet enkel om wat er aan contanten in omloop is, doch ook en voornamelijk om giraal geld en om kredieten, die banken verlenen. De waarde van al dat geld dient nu in duide1ijke verhouding te zijn en te blijven met de omvang van het geproduceerde pakket goederen en diensten. Dan kan het. daarmede tegen inflatie gevrijwaard zijn. Als er teveel geld beschikbaar is, zijn we gauw geneigd om hogere prijzen te betalen voor iets, wat ons trekt en dan is er op dát moment waardevermindering van het geld aan de orde.
Verder gaande met z'n verhaal spreekt dr Zijlstra over de verhouding met het buitenland. Financieel gezien moet ook die in evenwicht zijn. We voeren veel in (grondstoffen, goederen), besteden ook op andere wijze geld buiten de grenzen (b.v. vakanties) en de schulden,die daardoor ontstaan dienen betaald te worden met de waarde van de uitvoer plus wat buitenlanders hier te lande (ook bijv. als touristen) besteden. Verstoring van het evenwicht zou op de lange duur er toe leiden, dat we niet credietwaardig meer zijn: de schulden aan het buitenland lopen op of wel we hebben enorme sommen op buitenlandse afnemers te vorderen. De waardeverhouding tussen de gulden en de andere (buitenlandse) valuta's is dan danig verstoord met alle onaangename gevolgen van dien in het handelsverkeer, d.w.z. in onze levensmogelijkheden. Die internationale verhoudingen zijn dus heel belangrijk. Daarom zijn er ook regelmatig besprekingen en het centrum daarvan is de Bank voor internationale betalingen te Bazel.
Daarin werken thans Engeland, Duitsland, Frankrijk, Italië, België, Zwitserland en Zweden samen. Ook ons land doet daarin mee en dr Zijlstra is zelfs president van de raad van commissarissen van de BIB te Bazel. In EEG-verband zal deze activiteit t.z.t. wel een nog belangrijker plaats krijgen.
Een nog bredere internationale samenwerking is tot stand gekomen door het stichten van het Internationaal Monetair Fonds te Washington.
Dit IMF is een instelling van de Verenigde Naties en ook daar heeft Nederland met de president van DNB een plaats in de Raad van Bewindvoerders.
Als we in Amsterdam langs het - fraaie gebouw van DNB lopen, moeten we zeker denken aan de zware en omvangrijke taken van zijn president. Hij sluit het verhaal over deze activiteiten af met "Ik heb nog een stille vennoot. In mijn kamer op de Bank staat een prachtig koperen beeld van de oude Mozes, kennelijk op het moment dat hij met de tafelen der Wet op zijn schouders de berg afdaalt. Zijn strenge blik doet vermoeden, dat hij de kinderen Israëls in het vizier heeft gekregen, dansend om het gouden kalf. Het is vervaardigd door de beeldhouwer Johan Verhey en aan de Bank aangeboden ter gelegenheid van de officiële ingebruikneming van het nieuwe gebouw aan het Frederiksplein in mei 1968" (201).
Jaarlijks brengt de president van DNB een verslag uit van het gebeuren.
Dit verslag, een omvangrijk boekwerk, is zowel in politieke als in sociaal-economische zin van betekenis, juist vanwege de grondige analyse van de situatie waarin Nederland verkeert en van de adviezen die daarin zijn opgenomen voor overheid en bedrijfsleven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief