Heilsverwachting in steen
1979-08-24
Een van de boeiendste bijbelplaatsen slaat u waarschijnlijk over. In de Britse bijbel is dat hoofdstuk in kleine letters gedrukt, wat het overslaan in de hand werkt. Maar u moet altijd op de "kleine letters" letten. Wij spreken over Nehemia's herbouw van het verwoeste Jerusalem, waarschijnlijk in 445 v.C. Zoals u weet zijn de boeken Ezra en Nehemia als verlengstuk van de Kronieken te zien en kron'ieken mogen dan stoffige archiefstukken zijn, maar de inhoud kan wel springlevend zijn gebleven.- Jaargang 23
- nummer 31
Nehemia, schenker en dus vertrouwensman aan het hof van Babel, had van koning Artasasta verlof gekregen om de tempel te Jerusalem te gaan herbouwen. Hij had namelijk vernomen, dat de tempel van Israël's God in puin lag en dat de Messias-verwachting op uitdoven stond.
Hij wist ook van Salomo's gebed, vijfhonderd jaar tevoren gebeden: "Wanneer zij tegen U zondigen (er is immers geen mens die niet zondigt) en Gij toornig op hen wordt en hen overlevert aan een vijand, zodat men hen als gevangenen wegvoert naar het land van de vijand; wanneer zij het dan ter harte nemen, zich bekeren en tot U smeken en zeggen: wij hebben gezondigd, ongerechtigheid bedreven en goddeloos gehandeld; en wanneer zij tot U bidden in de richting van dit huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb; - hoor dan in de hernel naar hun gebed en smeking en verschaf hun recht; vergeef uw volk en geef barmhartigheid bij degenen die hen weggevoerd hebben, dat zij zich over hen erbarmen ... " 1)
Welnu, Nehemia kreeg dus verlof om voor onbepaalde tijd naar Jerusalem te gaan. Hij kreeg volmachten mee, geloofsbrieven voor de landvoogden aan de overzijde van de Jordaan. Hij kreeg de nodige middelen mee, een introductie voor de koninklijke houtvester en zelfs een geleide van officieren en ruiters. Zo trok hij de weg van Babel naar Jerusalem "om de Noord", die ook Abraham was gegaan, die later de wijzen uit het Oosten zouden gaap, bijna 1500 kilometer lang, een reisduur van maanden.
Nehemia was nog maar nauwelijks uitgerust of hij maakte een nachtelijke inspectietocht langs de stadsmuren van Jerusalem, Een belevenis!
Nooit had hij Jerusalem gezien, maar vorige generaties hadden hem de oorspronkelijke stad uitgetekend: "Gaat rondom Sion en trekt er om heen, telt haar torens, richt uw aandacht op haar voormuur, doorwandelt haar paleizen, opdat gij het aan het volgende geslacht kunt vertellen" 2). En Nehemia had als knaap al leren zingen: "Jerusalem is gebouwd als een stad, tot hechte eenheid gevoegd" 3).
Jawel, van die schoonheid, die muren en torens, die weldoortimmerde stad, was weinig over. Dat had Nehemia, toen hij dodelijk vermoeid aankwam, met één oog gezien. En hij koos het nachtelijk uur, de maneschijn, om met enkele vertrouwden de toestand op te nemen. Hij ging de Dalpoort uit, die u als 1 op de tekening aantreft en trok Oostwaarts, langs de Slangenbron of Slangenvijver naar de Mestpoort of Aspoort (2). Dat was langs de IIe muur, die van Hizkia. De muur met I aangegeven was de oorspronkelijke muur van Salomo; muur III is die van Manasse. De Dalpoort was dus waar muren I en II samenkwamen. Nehemia zag in het maanlicht met ontzetting, hoe alle muren en poorten waren afgebroken en verbrand.
Hij ging Noordelijk naar de Bronpoort 3), de plaats van de stedelijke watervoorziening: waar het leven van de heilige stad moest worden gevoed. Maar op die plaats kon zijn rijdier geen vaste voet meer vinden!
Nehemia moest afstappen: klom op handen en voeten tegen de ruïnes van de muur op, bezag de zorgwekkende toestand en ging verdrietig terug naar de Dalpoort. Hij moet aan Psalm 79 hebben gedacht: Jerusalem, de tempel, Uw altaren, het ligt al verwoest door die geweldenaren.
Maar een goede diagnose is de helft van de genezing. Nehemia wist nu wat hij moest weten - hij had het ergste gehad. De volgende morgen stond hij fris op, herinnerde zich Gods beloften over "zeventig jaren", realiseerde zich zijn voorrechten: de afgebeden barmhartigheid van de overheerser, zijn betaalmiddelen en geloofsbrieven - en hij wist de priesters en volksleiders te overtuigen. Deze zaten eigenlijk te wachten op zijn profetisch getuigenis en zijn koninklijke moed en besloten spontaan aan het werk te gaan. Eerst Jerusalem weer tot een gesloten stad maken en vervolgens de tempel herbouwen!
Gods vijanden waren al paraat. Sanballat de landvoogd, die de volmachten terdege gezien had maar niets voelde voor een herbouwde vesting, probeerde Nehemia meteen al te intimideren.
Maar Nehemia sprak een van de mooiste volzinnen van zijn leven: God van de hemel, die zal het ons doen gelukken - en wij zijn knechten zullen bouwen.
Tot datgene, wat God de Heere nodig en voldoende heeft geoordeeld om tot onze zaligheid te dienen, behoort het stoffige stukje archief dat nu volgt. Nauwkeurig wordt namelijk beschreven, hoe en door wie de stadsmuren zijn herbouwd.
En sla zulke details nooit over, want onder dat stof voelt u harten kloppen van mensen, die het goede voor Jerusalem hebben verwacht en hun heilsverwachting door eigen handen realiseerden. Gods beloften worden immers altijd vervuld aan mensen, die goed weten wat Hij beloofd heeft; en aan mensen die zowel bidden als werken!
De priesters gingen vooraan, want goed voorgaan doet goed volgen. Hogepriester Eljasib riep zijn priesters bijeen: samen herbouwden zij de Schaapspoort (4). Die lag Vlak bij de tempel - hun keus was dus niet toevallig.
Tegen de klok ingaande namen zij meteen maar de Mea-toren en de Hananeël-toren (5) voor hun rekening. Hananeël betekent iets als honderd: er konden wel honderd verdedigers in.
De tussenliggende stadsmuur werd hersteld door mannen uit Jericho en door Zakkur, zoon van Imri. Gelijktijdig werd de Noordmuur gerestáureerd.
De zonen van Senaä herbouwden de Vispoort (6) en aan de aangrenzende -muur werd gewerkt door de familie Meremoth, zoon van priester Uria. Daarnaast wrocht MesuIlam, zoon van Berechja, met stenen en leem. Naast hem metselde Zadok, zoon van Baäna. Dan kwamen de mensen uit Tekoa - een dorpje bij de Dode Zee, waar de profeet Amos gewoond had. Hun voormannen hebben niet meegedaan, vermeldt de bijbel; hetzij dat zij er zich te goed voor achtten, hetzij ze door Sanballat bang zijn gemaakt voor tegenorders uit Babel - ze hebben hun hals niet gebogen.
Intussen was met het voorgaande al een heel stuk muur gemoeid: in feite was men toe aan de Oude Poort (7) in het Westen, waar de Ie en de IIIe muur samenkwamen. Die Oude Poort werd hersteld door Jojada en Mesullam; Jojada betekent "de Heere heeft gekend" en Mesullam is een naam, die tientallen mensen in de bijbel droegen. Naar het Zuiden gaande werkten aan de Westelijke muur verder Melatja van Gibeon en Jadon van Meron, mensen die onder het gezag van Sanballat vielen, maar die het risico 'van zijn wraak aanvaardden. Hun naaste buur was de goudsmid Harhaja, die zijn fijne handen niet spaarde; evenmin als zijn buurman, de apotheker Hananja. Ze hebben zich voor het ruwe werk niet geschaamd. Maar de Brede Muur (8) viel gelukkig erg mee, ze konden heel wat overslaan dat in goede staat bleek te verkeren.
Naar het Zuiden gaande trof men Refaja, een der vier burgemeesters van Jerusalem.
Naast hem kwam Jedaja, die precies voor zijn eigen huis aan het restaureren was. En dat niet bij toeval, want verscheidene Joden werden voor hun eigen huis aangewezen: wie kon zijn gezin beter beschermen? En als we nog Hattus genoemd hebben kwam de Zuidwest-hoek, waar Malkia en Hassub samen de Bakoven-toren hebben gerestaureerd (9). Dat was de plaats, waar ieder zijn brood kon bakken zonder de hele stad in brand te steken.
Zuidoostelijk gaande trof men een ander districtshoofd, Sallum; zijn dochters werkten prachtig mee en zwoegden tot aan de Dalpoort (1).
Die Dalpoort kwam onder handen van Hanun (ook al van de kant van de Dode Zee) weer fijn voor elkaar; ze restaureerden meteen nog een halve kilometer verder!
Dan kwam de Mestpoort of Aspoort (2). Die is hersteld door Malkia, het hoofd van Beth-Kérem met zijn mannen. Daarop volgde de Bronpoort (3), die bij de stedelijke watervoorziening lag. Hier werd water aangevoerd van de buiten de stad gelegen Gihon, door een onderaardse tunnel van koning Hizkia, een meesterwerk.
Sallum, hoofd van Mizpa, heeft die Bronpoort fijn gerestaureerd. Meteen nam hij de muur van de vijver voor zijn rekening, want hij wilde geen half werk en bij een mogelijke belegering zou water hetzelfde als leven betekenen.
SaIIum zat hier bij de koninklijke tuinen, want ook die gebruikten het water van Hizkia's tunnel; hij werkte door tot aan de trap, die van de Sionsburcht naar het Kidrondal voerde. Een erg belangrijk punt: hier waren de koningsgraven, hier was de kazerne en een andere vijver, het badwater Siloam. (10).
Dan werkte aan de Oostmuur een groep Levieten, allen voor hun eigen woningen. Aan de hoektoren, bij het wapendepot, werkte Ezer, de kleinzoon van Mizpa's burgemeester. Zijn buurman Baruch wordt in de bijbel speciaal genoemd vanwege zijn grote ijver - hij kwam tot het erf van de hogepriester Eljasib. Dat erf werd afgewerkt door Meremoth, Uria's zoon, die intussen klaar was gekomen aan de Noordmuur.
Dan de priesters, die voor hun eigen huizen metselden. Tot aan de Hoektoren restaureerde Binnui. Zijn buurman Palal had het moeilijke werk aan de uitspringende toren, die op het paleis en de gevangenis uitzag. Dan volgde Pedaja aan de Ofel (11) waar de tempelslaven woonden. Zo kwamen ze aan de Waterpoort (12) met zijn fortificatie. Daarna weer een stel uit Tekoa tot aan de Paardepoort (13)
Van de Paardepoort af waren het weer priesters, die met gewijde. handen stenen sjouwden en metselden. Zo ook Zadok, voor eigen deur.
Dan de tempelwachter Semaja - en daar komen we zowaar Mesullam weer tegen, die zijn werk aan de Noordmuur had klaar gekregen!
Malkia, de goudsmid of bankier, de andere goudsmeden en zakenlui, die de Beurs, de Wachtpoort en de Uitgebouwde Hoek verzorgden.
Zo kwam men aan de Schaapspoort (4), waarmee de kring was gesloten.
Laten we een week uitrusten van deze rondwandeling over puin en stenen.
1) 1 Kon. 8 : 46-50 - 2) Ps. 48 : 13, 14 - 3) Ps. 122: 3. - Met 14 is het Libanon-huis van Salomo aangeduid, zie 1 Kon. 7 : 2 - Met 15 is het koninklijk paleis binnen de veste aangegeven. - Met 16 is de tempel bedoeld.