Evangelie voor Galilea
1980-02-29
Een ander evangelie?- Jaargang 24
- nummer 9
"Naar mijn gedachte (schreef ik eerder) wil Mattheüs dat we zijn weergave van Jezus' leven op aarde lezen in het licht van het Oude Testament".
Ook: "Mattheüs zegt: ik zal jullie leren bijbel lezen!" Jezus gaat a.h.w. de weg van Israël, van Gods knecht. Niets nieuws eigenlijk, voor ons gevoel. Maar aangekomen bij de berg der zaligsprekingen, krijg je het gevoel: dit is iets nieuws. Er is zelfs een term voor gevonden: bergrede-christendom. Wie aan dit unieke bergrede-christendom niet voldoet, blijft beslist ver beneden de maat. Want het is iets heel aparts, iets waar de hele wereld wel van op moet kijken.
Nu, 't is waar "dat de scharen versteld stonden over zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden" (Mt. 11 : 28, 29). Maar dát zij er van opkeken, lag in feite dus aan de schriftgeleerden en hun manier van onderricht. Er staat niet, dat Jezus met iets totaal nieuws kwam. Hij sprak geen andere taal dan die van "wet en profeten". Hij werd niet door een andere Geest gedreven dan de Geest die rustte op, bijvoorbeeld, zijn "vader" David. Hij heeft ons Gód doen kennen, schrijft Johannes (Joh. 1 : 18; vgl. 14: 8 v.v.) - maar geen andere God dan die van Israël, van het oude verbond. Wie de bergrede hemelhoog uitlicht uit het geheel van de openbaring, die forceert een breuk tussen Ide God van) het oude en het nieuwe testament. Die neemt Jezus' eigen woorden, nog wel uit de bergrede, niet eens serieus: "meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden ... " (Mt. 5 : 17 v.v.). Die neemt ook de historia revelationis, de geschiedenis der Godsopenbaring, niet serieus: "nadat God eertijds vele malen en op vele wijlzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in den Zoon ... de afdruk van zijn wezen" (Hebr. 1 : 1-3). Nog eens anders gezegd: wie het bergrede-christendom je van het noemt, laat in feite God spreken met een dubbele mond.
Wel en wee
Zijn die zaligsprekingen op de berg nu werkelijk 2'10 uniek? Of sprak Jezus hier simpelweg van dingen die Hij in het huis van zijn Vader geleerd had (Luc. 2 : 49)? "Zalig zijn de armen van geest ... " (Mt. 5 : 2) - rot hoeveel vreemde uitleggingen hebben die woorden al niet geleid, onder de druk en dwang van het: hier wordt iets nieuws, zelfs: iets revolutionairs geleerd.
Armen van geest - wie of wat zijn dat? Geestelijk onvolwaardigen, zwakzinnigen, mensen met niet meer dan het verstand van een kind of nog minder? Geeft Jezus hier een beetje troost aan ouders van geestelijk gehandicapten? Waarom dan niet aan ouders van lichamelijk gehandicapten?
Of moeten we denken aan het "niet vele rijken, niet vele aanzienlijken"
en moeten we herinneren aan het feit dat de gemeente van Jezus Christus door alle eeuwen heen het meest gerekruteerd wordt uit de kleine luyden (een mening te vinden bij - niet ván - D. J. Couvée, Met Jezus op de berg, pag. 19). Dan grijpen die weinige rijken en enkele aanzienlijken er wel naast ...
Spijtig ook voor de Nederlandse doorsnee gemeente van nu: die is voor een groter deel gerekruteerd uit de gegoede middenstand en komt er dus niet of nauwelijks aan te pas...
Spreekt Mattheüs van "armen van geest", Lucas immers zegt het nog korter: "zalig, gij armen.. " met als tegenstelling: "wee u, gij rijken... " (Lucas heeft na een drietal zaligsprekingen als contrast een drietal rampzaligsprekingen, Luc. 6 : 20-26).
Meer wee dan wel?
Ha, zeggen de mensen van de materialistische exegese, zie je het nu, hóór je het nu? Nu hoor je het ook eens van een ander, van Jezus zelf: zalig, gij atmen ... wee u, gij rijken ... ! Zo zie je maar: de bijbel zegt het zelf! Zalig de proletariërs - vervloekt de kapitalisten! Weg ermee!
In het blad "Wie oren heeft om te horen ... " (I), een bijzonder nummer van OPSTAND, het tweemaandelijks tijdschrift van de beweging Christenen voor het socialisme, staat een bijdrage van Rochus Zuurmond, onder de titel Zalig de armen. Ik wil daar iets van citeren: "Lucas heeft 'Welzalig de armen', Mattheüs voegt toe... 'van geest'.
Wat bedoelt Mattheüs daarmee? In griezelige grote eenstemmigheid verklaren exegeten van alle plaatsen en tijden dit als 'spiritualisering' (zeg maar vergeestelijking, P.). Op weinige uitzonderingen na meent men dat Mattheüs ons wil duidelijk maken dat de ware armoede 'armoede van geest' is: gelatenheid, bereidheid de dingen te accepteren zoals ze liggen, armoede voor God, dat is het besef dat we allemaal zondaars zijn" (pag. 12). Voor een deel is deze karakterisering juist, Déze vorm van gelatenheid sloot maar al te goed aan bij de “lijdzaamheid" die in kerkelijke kringen in religieus opzicht schering en inslag was (was?). Lijdzaamheid in de verkeerde zin van passief blijven, lijdelijk ondergaan, over je heen laten komen. De catechismusprediking) leek dat ook aan te bevelen.
Wordt daarin niet geleerd dat God ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal (!) toeschikt, mij ten beste zal keren? En moet onder Gods voorzienigheid niet verstaan worden dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen niet bij geval maar van Zijn vaderlijke hand ons toekomen?
En diende dit weten niet daartoe dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen? (Heid. Cat. v. en a. 26, 27, 28.)
Bezit uw ziel in lijdzaamheid?
Ik beweer niet dat de opstellers zo'n bevordering van "lijdzaamheid" beoogden. Maar het lijkt me wel waar, dat zulke rinsneden in een tijd van werkloosheid, crisis en malaise al te gemakkelijk in de bestaande maatschappijvorm in- en aangepast konden worden, en als zoethoudertje gebruikt. De huidige maatschappijkritiek is bepaald niet, letterlijk noch figuurlijk, uit de hemel komen vallen. Ook ai geven we grif toe, dat kritiek achteraf erg makkelijk is en dat men soms kritiekloos beoordelingen van die periode accepteert. Tenslotte valt te bezien of de huidige maatschappijkritiek niet op andere punten mank gaat, waar het vroeger misschien vaak aan terechte kritiek ontbrak. Is door de kerk de houding van lijdzaamheid niet al te gemakkelijk bevorderd?
En - ik ga even terug naar de vorige eeuw - hoe reageerde men kerkelijk op de ideeën van Marx en het daaruit voortgekomen socialisme en communisme? Is de kerk merendeels niet uit angst voor het marxisme gevlucht in de armen van het liberalisme? Het leek schriftuurlijk Spr. 22 : 2 te citeren: "rijken en armen ontmoeten elkander, de HEERE heeft ze allen gemaakt" (St. Vert. vanwege het tijdsbeeld).
Dat betekende in de praktijk: de arme neme eerbiedig de pet af voor de rijke - want Gód heeft de verschillen tussen klassen en standen gemaakt...
Ook terecht m.i. noemt Zuurmond aan het eind van het gegeven citaat "het besef dat we allemaal zondaars zijn". Leidt dat niet vanzelf tot het besef dat je geen recht van (tegen)spreken hebt? Mensen die belijden dat zij in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom kinderen des tooms zijn" en "daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelf onderworpen", ja "alzo verdorven dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad" hebben toch alk rechten verbeurd "in dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood)" en dat "in dit jammerdal"? Ja, tenzij...