Gespreide verantwoordelijkheid (volgens het C.D.A.-model) of geen verantwoordelijkheid?

1980-02-29
  • Jaargang 24
  • nummer 9
Het commentaar van br. H. Strating te Utrecht op mijn in dit blad in november jl. gepubliceerde artikelen over het C.D.A. en de economische orde, noopt mij tot het maken van enkele opmerkingen.
Ik heb het toegejuicht, dat deze zaak onder ons eens besproken wordt. Het kan leiden tot een beter inzicht in deze niet zo eenvoudige materie. Ik zal niet op alle uitgebrachte kritiek ingaan: de kern van het verhaal van br. Strating is, dat de samenvatting, die het C.D.A.-rapport "Gespreide verantwoordelijkheid"
van zichzelf heeft gegeven het qua leesbaarheid wint van mijn samenvatting en dat ik het rapport niet in de juiste context zou hebben geplaatst. De juiste context mist br. Strating (pijnlijk) in mijn artikelen. Hij grondt dit verwijt op het feit, dat ik mijn artikelen opende met één zin uit een citaat op blz. 18 van het C.D.A.-rapport, nl. met de zin "Ons staat een andere inrichting van de samenleving voor ogen". Wat in het rapport verder bij deze zin staat, heb ik weggelaten en daarmee mijn artikel niet in de juiste context geplaatst, aldus br. Strating.
Dit verwijt zou juist zijn, indien ik genoemde zin niet uitvoerig in mijn artikelen verder zou hebben toegelicht. Ik heb dat echter wel uitvoerig gedaan en in mijn artikelen weergegeven, dat het C.D.A. zowel de gangbare maatschappijopvatting, waarin de overheid domineert als dé koersbepaIer in onze samenleving als de opvatting van de vrije markteconomie afwijst.
Ik begrijp dan ook niet dat br. Strating kan schrijven, dat de context waarin en de achtergrond, waartegen het C.D.A.-rapport is geschreven door mij zijn verwaarloosd. Ik hoop deze verwaarlozing aan te tonen, schrijft hij, maar ik heb het bewijs van zijn stelling echter (pijnlijk) in zijn artikelen gemist. Hij heeft deze verwaarlozing niet aangetoond en ook niet kunnen aantonen om de eenvoudige reden dat ik duidelijk heb weergegeven dat het C.D.A. beide genoemde opvattingen afwijst en daarvoor in de plaats een derde weg heeft aangegeven.
Deze derde weg - het toekennen van verantwoordelijkheden aan het meso-niveau, aan belangenorganisaties - heb ik uitvoerig besproken en vervolgens bekritiseerd. Nogmaals: ik begrijp niet, dat dat br. Strating allemaal voorbij is gegaan. De samenvatting, die het C.D.A.-rapport van zichzelf geeft vindt br. Strating beter dan de samenvatting, die ik van het rapport heb gegeven, althans qua leesbaarheid, schrijft hij. Dat mag br. Strating vinden; hij heeft daarmee echter niet gesteld en dus ook niet aangetoond, dat mijn samenvatting van het C.D.A.-rapport niet goed is. Zijn eerste artikel is bij mij dan ook overgekomen als een poging spijkers op laag water te zoeken. Hij maakt mij op deze wijze een al te gemakkelijke prooi voor zijn kritiek om vervolgens met zijn C.D.A.-visie te komen.
Ik heb - nogmaals - het C.D.A.-rapport uitvoerig doorgelicht en dat (natuurlijk) gedaan vanuit mijn opvatting hoe de verantwoordelijkheden in het economisch leven wel gespreid behoren te zijn. Ik wijs daarbij allerlei aangemeten verantwoordelijkheden af, omdat dat naar mijn mening tot collectivering van de economie leidt. Dat was de teneur van mijn artikelen. Vanuit deze context, deze achtergrond heb ik mijn artikelen geschreven. Ik vind van deze context, deze achtergrond echter niets terug in de artikelen van br. Strating.
Hij rept met geen woord over de kern van mijn artikelen nl. , dat het leggen van verantwoordelijkheden voor de economie bij meso-belangenorganisaties ook op grote schaal tot afwenteling van lasten op anderen dan degenen, die de baten incasseren leidt. Nogmaals, ik vind het onbegrijpelijk, dat dat bij br.
Strating niet is overgekomen; was hij bij het schrijven van zijn artikelen te zeer in beslag genomen door het uitstorten van zijn toom over de vrije markteconomie, door het verdedigen van zijn C.D.A.-opvatting? Ik zal mijn uitvoerig uitgewerkt standpunt hier niet herhalen, maar het komt er op neer, dat belangenorganisaties in de economie, naar vrijwel altijd weer blijkt, de overheid onder druk zetten wanneer het om verdeling van de nationale koek gaat en een verdeling (willen) afdwingen, die voor hen het voordeligst is, ook al gaat dat ten koste van anderen in de samenleving. Dat laat de praktijk op het macro-niveau thans zien.
De realiteit geeft (helaas) dit beeld te zien. Men kan dat allemaal wel trachten te verbloemen met mooie woorden over verantwoordelijkheden spreiden, solidariteit betrachten, etc., maar het wordt er niet beter van. Men wil de individuele ondernemingen gaarne afschilderen als belagers van mens en maatschappij en de beslissingsbevoegdheden in de economie van de ondernemers beperken door het "spreiden" van verantwoordelijkheden in die zin, dat men deze bevoegdheden wil leggen in handen van belangenorganisaties in die gevallen, waarin de ondernemingen naar het oordeel van de belangenorganisaties de reikwijdte van hun beslissingen niet kunnen overzien, maar men vergeet hierbij gemakshalve, dat belangenorganisaties, naar de praktijk van het afwentelen van de lasten in de economie heeft laten zien en nog laat zien (sterke voorbeelden ziet u in Engeland) vanwege ook hun egoïsme nog grotere belagers van mens en maatschappij (kunnen) zijn. Met deze normatieve structuur der feiten heeft men rekening te houden, wanneer het gaat om de inrichting van de samenleving, om de wijze van economische ordening. Belangenorganisaties hebben nu eenmaal deze structuur; zij zijn ook moeilijk ter verantwoording te roepen voor hun beslissingen dan de individuele ondernemingen; ze hebben een enorme machtspositie in de economie, althans kunnen die hebben; ze kunnen de overheid zelfs onder druk zetten. Men heeft het wel eens over het vrije spel der maatschappelijke krachten, maar als er iets is, waarop dat van toepassing is dan is het bij het optreden van belangenorganisaties op het macro-niveau in de economie (de vakbeweging, de werkgeversorganisaties, straks de bedrijfstakorganen op het meso-niveau, die in het C.D.A.-model voor hun optreden een legitieme plaats in de economie krijgen toegewezen, bekleed nI. met publiekrechtelijke bevoegdheden). Ik geloof ook niet, dat belangenorganisaties betere beslissingen t.a.v. de economische vraagstukken nemen dan de ondernemingen; naar mijn mening zelfs eerder slechtere; de praktijk laat daarvan trouwens nu reeds voorbeelden zien op het macro-niveau.
Een dergelijke samenvatting zult u natuurlijk in het C.D.A.-rapport niet vinden; daar wordt dit verdoezeld onder schone woorden over verantwoordelijkheid en solidariteit.
Nu hoeft br. Strating met deze analyse niet akkoord te gaan, maar hij had mijn artikelen toch wel tegen deze achtergrond, in deze context moeten becommentariseren; tegen die achtergrond, in die context zijn zij, naar vermeld, geschreven. Ik heb wat ik hierboven schrijf, allemaal uitgewerkt in mijn drie artikelen van november j.l.
Br. Strating is ook van mening dat ik het C.D.A.-rapport ten onrechte dualistisch heb genoemd. Ik heb daarmee bedoeld, dat het rapport enerzijds wel de beslissingsbevoegdheden in de economie bij de ondernemingen wil leggen, maar deze anderzijds doorlopend op de tocht zet in die gevallen, waarin de ondernemingen, naar de mening van een hoger niveau, de reikwijdte aspecten van hun beslissingen niet of niet voldoende overzien; beslissingen bijv. waarvan negatieve effecten kunnen uitgaan op het milieu, op de levensomstandigheden van toekomstige generaties, etc. Steeds blijkt in het C.D.A.-rapport een hoger orgaan de ondernemingen als het zwaard van Damocles boven het hoofd te hangen. Het rapport noemt dat een begrenzing van de beslissingsbevoegdheden op het micro-niveau; ook daaraan worden in het rapport vele fraaie woorden gewijd. Een hoger orgaan kan de beslissingsbevoegdheden van ondernemingen volgens het C.D.A.-rapport overnemen, wanneer dat orgaan dat nodig oordeelt.
Ik vind dat maar gevaarlijk. Ik ben van mening, dat alleen de overheid aan de ondernemingen randvoorwaarden kan stellen m.b.t. diens beslissingen ook of met name in die gevallen, die br. Strating noemt. Alleen de overheid dient publiekrechtelijke bevoegdheden te bezitten. Ondernemingen zijn verantwoordelijk voor hun daden, zij betalen de lasten daarvoor en ontvangen de baten.
Lasten en baten dient men hier niet uiteen te trekken; men komt dan voor gekke situaties te staan, waar o.m. bevoegdheid en aansprakelijkheid uiteen komen te liggen met alle consequenties van dien (afwenteling van lasten o.m.).
Ik heb dat allemaal uitgewerkt in november jl, Hierop gaat br. Strating in het geheel niet in. In de vrije markteconomie worden de verantwoordelijkheden het beste gespreid: juist in de vrije markteconomie, mits aan enkele noodzakelijke voorwaarden is voldaan, omdat daarin opeenhoping van macht in handen van belangenorganisaties wordt tegengegaan, althans, dat is de bedoeling.
De overheid dient te zorgen, dat o.m. aan deze publieke voorwaarde is voldaan.
Een gezonde economie ontstaat niet vanzelf, heb ik geschreven. De overheid dient er aan te pas te komen.
Natuurlijk stelt het C.D.A.-rapport wel, dat de burgers in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor hun materieel bestaan, maar het stelt ook, dat de overheid de minimumbestaansvoorwaarden dient te garanderen, indien de burgers er zelf niet voor kunnen zorgen. Ook aldus geformuleerd zie ik daarin niet zonder meer een overheidstaak en past het ook niet zonder meer in een christelijke maatschappijopvatting, heb ik geschreven. Br. Strating maakt daarvan, dat ik deze overheidsbevoegdheid op dit punt krachtig van de hand wijs als strijdig met de christelijke maatschappijvisie.
Vervolgens voert br. Strating het spook van de bittere armoede in de 19e eeuw weer eens ten tonele door deze armode toe te schrijven aan de vrije markteconomie.
Dat nu is een enorme simplificatie: daaraan deze armoede toe te schrijven. Er zou veel over te schrijven zijn. Alleen dit. Europa stond na de Napoleontische oorlogen aan de rand van het faillissement; daarover heen kwam nog eens de industriële revolutie, die enorme kapitalen opeiste. De armoede was toen algemeen; zeker relatief gezien. Verder verwijs ik br. Strating naar de bestaande handboeken van de economische geschiedenis van de 1ge eeuw. Over die eeuw is enorm veel geschreven in de economische-historische literatuur.
Het C.D.A.-rapport zou volgens br. Strating wel voldoende argumenten aanvoeren voor het door het rapport ingenomen standpunt, dat de vrije markteconomie het bestaansminimum der burgers niet kan garanderen. Ik verneem deze argumenten uit het rapport gaarne van br. Strating; ik heb ze in het rapport onvoldoende kunnen vinden. Het rapport maakt hier alleen de bekende opmerkingen over reikwijdte-effecten en over overwegingen van rentmeesterschap en solidariteit.
Br. Straling is geen voorstander van de vrije markteconomie; dat is zijn goed recht. Maar zijn argumenten tegen deze economie hebben mij bepaald niet overtuigd. Natuurlijk komt in elke economie onrecht voor, ook dus in de vrije markteconomie. Dat zal wel zo blijven tot de jongste dag. Het is geen simpele rekensom, wanneer ik stel, dat de vrije markteconomie het best past in een christelijke maatschappijopvatting. Het heeft met rekenen niets te maken; wel met inzicht in maatschappelijke vraagstukken.
Ik kan evengoed stellen, dat het een simpele rekensom is, wanneer men van mening is, dat het C.D.A. verantwoordelijkheidsmodel (het toekennen van de nodige bevoegdheden aan het meso-niveau) het best past in een christelijke maatschappijvisie.
Ik beweer, dat een dergelijk model grote gevaren in zich bergt en helemaal geen christelijke maatschappij behoeft op te leveren; daarvoor heb ik naar mijn mening in mijn artikelen in november jl. de argumenten geleverd.
Arbeidsvreugde, motivatie, arbeidsomstandigheden e.d. worden door de markt niet geregistreerd en gehonoreerd, schrijft br. Strating. De markt registreert alleen de in geld meetbare behoeften, aldus br. Strating. De markt neutraliseert als het ware de behoeften, schrijft hij vervolgens. De markt is een levensgevaarlijk instrument in de hand van de mens na de zondeval, aldus voorts br.
Strating, Zijn publiekrechtelijke bevoegdheden gelegd in de hand van belangenorganisaties geen levensgevaarlijk instrument? Ook daarin zitten zondige mensen.
Het lijkt mij nog gevaarlijk zoveel macht in de hand van zondige mensen te leggen. Het is bovendien niet juist, dat arbeidsvreugde, motivatie en arbeidsomstandigheden niet geregistreerd en gehonoreerd worden door de markt.
Dat worden ze wel degelijk. Ook de niet in geld meetbare behoeften spelen op de markt een rol; zij worden wel degelijk betrokken bij de afwegingen door de economische subjecten. Hier loopt br. Strating achter bij de huidige opvattingen in de economie.
Ik zou volgens br. Strating de door de Reformatie beoogde vrijheid t.b.V. mijn, visie op de economische orde zonder meer vertalen in een bijna onbegrensde economische vrijheid van handelen binnen een vrije markteconomie, waarvan de geschiedenis de meest onchristelijke gevolgen heeft laten zien. Dit is een mistekening van mijn opvatting. Bovendien heeft niet de vrije markteconomie, maar hebben mensen in de geschiedenis de meest onchristelijke gevolgen van hun optreden laten zien, ongeacht de voorhandenzijnde economische orde dus.
Ik sta geen bijna onbegrensde economische vrijheid voor en uit mijn artikelen in november jl. hebt u dat kunnen lezen. Ik heb de overheid (en deze alleen) een grote mate van beslissingsbevoegdheid op grond van haar publiekrechtelijke bevoegdheid toegekend in mijn artikelen.
Ik zal dat hier niet allemaal herhalen. Br. Strating maakt hier van mijn standpunt een karikatuur. Vrijwel niemand wil een bijna onbegrensde vrijheid in de economie toestaan. Ik verzet mij tegen het toekennen van publiekrechtelijke bevoegdheden aan belangenorganisaties in de economie. Het is helemaal niet aangetoond, dat bij de vrije markteconomie tijdens de industriële revolutie in ons land en heden elders in de wereld een toeziend oog van de overheid alleen onvoldoende is om de negatieve effecten van de markt te voorkomen.
Br. Strating stelt, dat dat wel is aangetoond. Het bewijs van deze stelling of het verwijzen naar voorbeelden uit de praktijk ontbreekt bij hem geheel. Br. Strating verwijt mij tenslotte, dat ik weinig gemotiveerd en weinig opbouwend heb uiteengezet, dat het grond motief van het C.D.A.-rapport - de menselijke verantwoordelijkheid georiënteerd op rentmeesterschap en solidariteit - onvoldoende bijbels is gefundeerd. Hij vindt mijn kritiek een ernstig verwijt aan de samenstellers van het rapport en aan het C.D.A. Vele broeders en zusters zijn met mijn kritiek onbarmhartig in de hoek getrapt, aldus br. Strating. Daar begrijp ik helemaal niets van.
Ik heb uitvoerig uiteengezet in mijn artikelen in november jl. waarom de termen rentmeesterschap en solidariteit in het C.D.A.-rapport een geseculariseerde inhoud hebben gekregen. Ik heb ook hier het rapport letterlijk geciteerd en op de voet gevolgd. Br, Strating gaat echter in het geheel niet in op de inhoud van mijn kritiek op het rapport hier. Hij maakt wat nietszeggende opmerkingen over kleine reformatorische politieke partijen en over het in de hoek trappen van broeders en zusters. Ik vind deze kritiek van br. Strating beneden het peil, waarop ik gaarne zou willen discussiëren. Gaat u, br. Strating, nu eens inhoudelijk in op wat ik geschreven heb over de termen rentmeesterschap en solidariteit. Ik heb niemand met mijn kritiek in de hoek getrapt; ik heb zakelijk kritiek uitgeoefend op termen, die het C.D.A.-rapport naar mijn mening geen goede bijbelse inhoud geeft. Mag dat niet? Trapt men dan iemand in de hoek? Kom nou!
Met zakelijke kritiek op enkele termen tast men iemands persoonlijkheid niet aan. Dan zou men nooit op iemands standpunt kritiek mogen uitoefenen.
Trapt br. Strating mij dan niet onbarmhartig in de hoek door mijn opvatting, die ik ook normatief heb trachten te onderbouwen, af te wijzen en te bespreken zonder deze in de juiste context te plaatsen? Ik heb, naar vermeld, duidelijk in mijn artikelen in november jl. naar voren gebracht, dat het toekennen van beslissingsbevoegdheden aan belangenorganisaties op het mezo-niveau, die, wanneer zij dat nodig oordelen, ondernemingen tot de orde kunnen roepen, deze als het ware elk moment op de nek kunnen springen, in de economie ook tot afwenteling van lasten leidt en de economie collectiveert, Tast u dit verhaal nu eens aan br. Strating. Daar gingen mijn artikelen over; over de afwenteling van lasten. Daar gaat ook het C.D.A.-rapport over.
Men verschuilt zich in het C.D.A.-rapport achter schone woorden, die ook een humanist kan naspreken en dat gebeurt volgens mij welbewust. Moet ik een dergelijke aanpak aanzien voor een christelijke maatschappijopvatting? En die naar mijn mening ook leidt tot collectivering van de economie, tot een vorm van corporatisme. Ik vind het onbegrijpelijk, dat in onze kring niet altijd ingezien wordt, dat men met een dergelijke aanpak het christelijk leven op alle gebieden schade toebrengt. Ik ben er diep van overtuigd, dat christenen zelf op deze wijze het einde van het christelijke leven op elk gebied helpen bevorderen, Het gebruik van de bijbel in maatschappelijke- en politieke vraagstukken is en blijft een subjectieve aangelegenheid. Dit is inderdaad een nieuw onderwerp. De bijbel is een lamp voor onze voet, geen schijnwerper. Wanneer wij de bijbel biblicistisch menen te kunnen gebruiken, dan zitten wij fout volgens mij. God heeft ons toegerust met vele mogelijkheden, waarmee wij, uitgaande van hetgeen wij lezen in de bijbel, zelf de oplossing van de problemen kunnen vinden.
Wij zijn ook in staat de werkelijkheid te analyseren bij het licht van de bijbel.
God draagt ons dat ook op. Vergissingen van onze kant zijn intussen hierbij bepaald niet uitgesloten; ook dat weet iedereen. Het blijft zoeken en tasten, echter niet in het blinde weg. Ik zal nimmer beweren, dat God voorstander is van de vrije markteconomie. Naar mijn mening beantwoordt de vrije markteconomie echter het meest aan enkele wezenlijke kenmerken van de mens: aan de hem gegeven vrijheid, aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid. Met deze begrenzing, dat de overheid (en deze alleen) de publieke voorwaarden dient te scheppen voor een goede werking van deze economie. Dat kan een verregaand overheidsingrijpen vereisen.
Nu is er wel kritiek op mijn artikelen van november jl. uit te oefenen. Bijv. de volgende. Ik zou een betere economische analyse moeten geven van de werking van de volkshuishouding, van de economie dus. Een grondiger studie van hoe de vrije markt werkt en onder welke voorwaarden de markt goed werkt, Daarin kunnen, dienen, ook normatieve elementen te worden betrokken. Ik heb echter voor dit blad een voor ieder leesbaar verhaal willen schrijven zonder al te veel economie erin. Vanuit o.m. Duitsland komen de laatste jaren vele economische analyses over de werking en toepassing van de vrije markteconomie, ook op het gebied van wat men noemt de collectieve sektor. Ook daar is nl. het systeem ten dele toe te passen. In Duitsland zijn daarover o.m. publicaties verschenen van de hand van de christen-econoom Prof. A. Muller-Armack, die men de duitse "Goudzwaard" zou kunnen noemen. Muller-Armack is in tegenstelling met Goudzwaard voorstander van de vrije markteconomie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief