De nacht der Girondijnen en Elckerlijc

1980-02-29
  • Jaargang 24
  • nummer 9
Elckrleijc is een werk uit het midden van de vijftiende eeuw. Het is een zg. moraliteit, een "preek in toneelvorm"; er treden allegorische figuren in op zoals deugd en kennis, voorgesteld als personen.

De inhoud:

God ziet vanuit de hemel dat de mensen er maar op los leven; ze storen zich niet meer aan zijn geboden: "Op de aardse schat zijn zij verzot Die hebben zij tot hun god verkoren En Mij vergeten ... "

Daarom geeft God opdracht aan de Dood: die moet Elckerlijc halen, want God wil van hem rekening en verantwoording. Als de Dood bij Elckerlijs komt, blijkt die daar absoluut niet op gerekend te hebben, hij heeft zijn papieren, zijn boekhouding, ook helemaal niet in orde en dringt aan op uitstel. Maar de Dood is onverbiddelijk: nog vandaag moet E. de reis aanvangen: Wèl mag E. iemand méénemen op zijn reis, maar hij moet zich haasten. Eerst wendt E. zich tot Gezelschap; die belooft: "Ik ga met u, al waar het in de helle!" Maar als blijkt dat het om de definitieve tocht gaat waarvan niemand terugkomt, retireert Gezelschap zo snel mogelijk.
Dan probeert E. het bij zijn familie: Mage en Neve.
Het gesprek verloopt op dezelfde manier: Eerst beloven ze alle mogelijke hulp, maar als ze horen waar het wèrkelijk om gaat, weigeren ook zij hem te vergezellen. Dan zoekt E. hulp bij het Goed, d.w.z. zijn bezit (zijn aardse schat) op wie hij heel zijn leven heeft vertrouwd. Het Goed kan in de wereld alles voor elkaar krijgen, maar het wil niet mee op déze reis. Bovendien, zegt het Goed, zou E. er alleen maar nadeel van ondervinden, want het Goed is er de oorzaak van dat zijn zaak er bij God zo slecht voor staat. Juist het feit dat E. het Goed zijn hele leven zó heeft bemind, heeft geleid tot zijn grote schuld bij God.
Tenslotte blijft E. niets anders over dan zijn Deugd. Maar die is zó verzwakt dat ze zich zelfs niet kan verroeren: E. heeft haar té zeer verwaarloosd. Tóch is de reactie van Deugd heel anders dan die van de vorigen: Deugd wil wel, maar is te zwak om iets te kunnen. Maar Deugd verwijst hem dan naar haar zuster: Kennis: die zal hem kunnen helpen. Kennis brengt E. dan bij Biecht, en als E. gebiecht heeft en penitentie (boete) heeft gedaan, nemen de krachten van Deugd weer toe. Het gaat daarna steeds beter, en in gezelschap van Deugd, Kennis, Wijsheid, Kracht en Vijf Zinnen gaat E. de zware reis ondernemen. Voor het graf laten de meeste hem weer in de steek, tenslotte gaat alleen Deugd mee om bij God voor E. te pleiten.

De betekenis
Elckerlijc betekent: iedereen. In de ondertitel wordt de grondgedachte van het werk aangegeven: "Hoe dat elckerlijc mensche wert ghedaecht Gode rekeninghe te doen". Dus: elk mens wordt opgeroepen zich voor God te verantwoorden. (Het Middelnederlandse "wert' , is geen verleden tijd, het betekent "wordt".) In het spel is de weerklank te horen van het Memento Mori, gedenk te sterven, het besef van vergankelijkheid dat in het herfsttij der Middeleeuwen zo sterk aanwezig was en dat b.v. ook uit de Dodendansen van Holbein spreekt. Daarbij past de waarschuwing voor het materialisme: de mensen (Elckerlijc) hebben hun hart verpand aan hun aards bezit.
Máár: als er inzicht komt, Kennis, kan het weer bergopwaarts gaan!
Kennis is een zuster van Deugd, en dát middeleeuwse begrip wordt wel vertaald met: gerechtigheid.

Overeenkomstige motieven in De nacht der Girondijnen
Met name die twee begrippen: Kennis (inzicht in eigen situatie) en Deugd (gerechtigheid) komen in De Nacht der Girondijnen naar voren. In hoofdstuk 5 begon een besef van eigen óngerechtigheid te groeien: ook de machtige Cohn is maar een zwakke Jood en Henrique gaat inzien dat ook zijn pogingen op niets kunnen uitlopen. Hirsch is degene die hem Kennis, inzicht, bijbrengt; Hirsch is hét voorbeeld van de Deugd, hij is de "rechtvaardige". Dat hangt ook samen met het eerste gesprek waarvan Henriques vertelt (blz. 46; het gaat over Abraham die tegen de Rechter der ganse aarde aan het afdingen is tot God belooft Sodom te zullen sparen als er tien rechtvaardigen in zijn! Hirsch had er indertijd bij een godsdienstles vijf van gemaakt.

“Jijzelf vond misschien vijf ook nog genoeg."
"Gelijk heb je, Henriques, gezegend zul je zijn. Eén lijkt me al voldoende.
Je ziet in dit kamp immers elke dag hoe makkelijk iemand in Sodom en Gomorra onrechtvaardig kan worden, niet?"

Met name het feit dat de ontmoeting met Deugd in het spel van Elckerlijc een dieptepunt én een keerpunt is, bracht mij op het idee te zoeken naar verdere overeenkomsten. Zo kwam ik b.v. ook op het motief van de reis waarvan niemand terugkeert. Vermoedelijk hoef ik dat in De Nacht der Girondijnen niet meer aan te wijzen.
Cohn herinnert al aan de fabel van het leeuwenhol. (De leeuw doet alsof hij ziek is, de dieren gaan bij hem op bezoek maar worden in het hol door de leeuw verslonden; de vos weigert naar binnen te gaan omdat hij wél voetstappen ziet in de richting van het hol, maar geen enkele naar buiten.) En Cohn zegt dat hij ook nooit de voetstappen heeft gezien van iemand die uit Auschwitz terug is gekomen!
Evenzo is er in Elckerlijc sprake van een "reis zonder wederkeren."

De opbouw
In beide werken zijn duidelijk een dalende én een stijgende lijn op te merken. Bij Elckerlijc is niet alleen sprake van een "Spiegel", in die zin dat élk mens zich hierin kan herkennen, maar ook in de bouw is een spiegel effect aanwezig: vier taferelen vormen de dalende lijn (Dood, Gezelschap, Familie, Goed) en vier vormen de stijgende lijn (Deugd, Kennis, Biecht, Deugd). Iets soortgelijks is op te merken bij De Nacht der Girondijnen: daar zijn negen hoofdstukken, het vijfde is als het dieptepunt te beschouwen dat tegelijk keerpunt is. De vier hoofdstukken daarvoor vormen de dalende lijn, de vier daarna de stijging. Het eerste en laatste hoofdstuk zijn tegengesteld: in I is er het begin, de poging "de som te maken", er zijn herinneringen aan de tijd vóór het kamp, en de naam van de ik is Jacques of Suasso. In het laatste hoofdstuk, IX, komt het einde, de som is af, mórgen...
De naam is Jacob! Ook het tweede en voorlaatste hoofdstuk bevatten contrasten. In II: onderwerping aan Cohn, de keuze voor de "ik". In VIII: Verzet tegen Cohn, de keuze voor de ánder. Ook het derde en zevende hoofdstuk blijken dergelijke tegenstellingen te bevatten. III: Henriques "arresteert"
iemand, zet anderen op de trein, en werkt volledig mee. Cohn is "oppermachtig".
In VII spaart H. een weeskind, hij doet nog wel "vuil werk", maar voelt nu de eerste keer behoefte te gaan schrijven. Cohn is somber gestemd, neerslachtig.
Tenslotte de beide hoofdstukken rondom het middelste. IV: Cohn haalt H. over spion te worden, alle mensen zijn slecht en op eigen behoud uit. VI. Tegenover de invloed van Cohn komt die van Hirsch te staan, tegenover het vele slechte het goede.

Conclusie
De motieven in beide werken vertonen duidelijke overeenkomst: ook in de opbouw lijken ze op elkaar, al durf ik niet te zeggen dat in De Nacht der Girondijnen het patroon van Elckerlijc vollédig terug te vinden is. Maar verrassend vond ik de overeenkomsten wél! Presser geeft trouwens duidelijk blijk van een grote belezenheid; het is zonder meer waarschijnlijk dat hij het middeleeuwse Elckerlijk kende. En ook Presser heeft zijn lezers een "spiegel" voorgehouden, zij het dan op zijn wijze: hoe diep de mens ook gezonken is, er blijft een mogelijkheid daar weer boven uit te komen. Dat hij niet vanuit een christelijk perspectief heeft geschreven, is duidelijk. Maar daarom is zijn werk nog wel waardevol! Net als de Spiegel der Zaligheid van Elckerlijc: niet geschreven vanuit een reformatorische gezichtshoek, maar even goed wél belangrijk, ook voor de mens van nu:

"Gii moet voor God almachtig
Rekeninge doen, des zeker zijt,
Ende hoe gi besteed hebt uwen tijd,
Van uwen werken, goed ende kwaad."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief