De diaconie en het werk van de Stichting "Anno 1970"

1980-03-14
  • Jaargang 24
  • nummer 11
(Samenvatting van het betoog, gehouden op de Centrale Diaconale Conferentie te Utrecht door de voorzitter van de Stichting.)

Bij de voorbereiding van dit onderwerp, viel mij op de grote uitbreiding van het terrein, dat thans ter bearbeiding voor ons ligt, wanneer wij dit vergelijken met wat er in de beginjaren over ons werk is medegedeeld.
De voorgeschiedenis van het tot stand komen van onze stichting moge U bekend zijn; na de scheuring in de vrijgemaakte kerken aan het eind van de jaren zestig namen wij voor de buiten het verband geplaatste kerken in uw opdracht de taak: over van de Stichting Gereformeerde Kinderbescherming te Ede. In 1970 bij de oprichting van onze stichting meenden wij, dat, mede door de veranderingen in de opvattingen en normen van de maatschappij, wij ons niet meer als een kinderbeschermingsinstelling bij uitstek dienden te presenteren. Dit kwam toen tot uitdrukking in de naam "Stichting Anno 1970" voor Gereformeerde Kinderbescherming en Maatschappelijk Werk". Deze visie is niet van vandaag op morgen tot stand gekomen. Reeds in het verslag over het jaar 1966 van "onze voorgangster" heeft het bestuur, waarvan de oprichters van onze stichting destijds deel uitmaakten, aan die groei aandacht besteed en aan de kerken het volgende medegedeeld: "In de loop der jaren is er allengs een bepaalde ontwikkeling zich gaan aftekenen in de aard der moeilijkheden, waarvoor op de stichting een beroep wordt gedaan. Waren het aanvankelijk ren aanzien van "Advies en Hulpverlening" specifiek kinderbeschermingszaken, later werd daartussen door onze aandacht gevraagd voor moeilijkheden van meer algemene aard. Het waren "incidenten" in het werkpatroon. Vandaag moeten we constateren, dat deze "incidenten" intussen hebben plaatsgemaakt voor een "normaal" voorkomend beeld. Het is nu geen uitzondering meer, dat we worden betrokken in huwelijks- en gezinsmoeilijkheden zonder dat er nog aanwijsbare problemen zijn met kinderen. Deze ontwikkeling heeft tot de ontdekking geleid, dat zich in de arbeid van de stichting een stuk zgn. algemeen maatschappelijk werk is gaan incorporeren.
Binnen "Advies en Hulpverlening" is het een zelfstandig geheel gaan vormen; ongezocht. Het kwam op ons af.'"

Toch zag het er in de beginjaren van onze stichting niet naar uit, dat dit werk zo omvangrijk zou worden als nu het geval is. Professor Veenhof, destijds onze voorzitter, deelde op de C.D.C., die op 24 juni 1972 ook alhier werd gehouden ter informatie o.m. mede: "Wij helpen uitsluitend kinderen en als er nu problemen zijn met kinderen kunnen wij terecht bij de secretaris van onze stichting." AI - spoedig daarna echter werd ons duidelijk, dat wij veel meer nog dan in 1966 met problemen op allerlei gebied te maken kregen. Wij merkten, dat wij niet slechts iets moesten gaan doen bij zich openlijk manifesterende moeilijkheden tussen ouders en kinderen of bij ernstige misstappen van minderjarigen. Vragen om hulp en advies bij huwelijks- en gezinsmoeilijkheden, bij alcohol- en drugverslaving, bij problemen van onvolledige of gebroken gezinnen, van alleenstaanden, van lichamelijk- of geestelijk gehandicapten e.d. namen hand over hand toe. Niet alleen waren deze verzoeken afkomstig van de betrokkenen zelf, maar ook van familieleden, ambtsdragers en gemeenteleden. De hierboven geschetste ontwikkeling bracht met zich mee, dat ons optreden als adviesorgaan binnen het kader van te nemen justitiële maatregelen (zoals ondertoezichtstellingen, plaatsingen in opvoedigingsgestichten e.d.) niet meer zo nodig was. Het accent van ons werk kwam meer te liggen op de "preventie", d.w.Z. op het onderkennen en het eventueel voorkomen van de hierboven genoemde problemen om in een zo vroeg mogelijk stadium te kunnen helpen en steun te kunnen verlenen. Goede hulp kan pas worden geboden, wanneer de werkelijke nood wordt gezien en wanneer degenen, die willen helpen, weten wat er aan de hand is.
Soms bestaan verschillende problemen naast elkaar. Dikwijls is het ene probleem een gevolg van- of hangt samen met het andere; het is veelal niet gemakkelijk vast te stellen wat oorzaak en wat gevolg is (bijv. moeilijkheden op het werk en alcoholmisbruik). Het is belangrijk, dat de diakenen zien "waar de schoen wringt", dat zij kunnen onderkennen op welke problemen de symptomen, die zij waarnemen betrekking hebben. Voor de uitoefening van het diakenambt zijn dan ook mensen nodig die (midden) in de maatschappij staan, die "weten wat er in de wereld te koop is" (zie ook Hand. 6: 5). Een diaken mag stellig niet worden gezien als een gemeentelid, dat voor het opzienersambt (nog) iets te kort komt of zich als toekomstig ambtsdrager moet bewijzen!
De diakenen moeten zorgen, dat Gods barmhartigheid in de gemeente en ook naar buiten gestalte krijgt. Naar mijn mening wordt het diakenambt bij ons nog al eens onderschat.

De christelijke hulpverlening dient immers een afspiegeling van Gods barmhartigheid jegens ons te zijn.
Het is een betoon van liefde en blijdschap omdat God mensen, die tengevolge van hun eigen zonde en schuld in diepe ellende verkeren, steeds opzoekt, helpt en opricht om een nieuw leven te beginnen. Deze hulpverlening moet zich dan ook geheel inzetten voor degenen, die in nood verkeren. De hulpbehoevenden mogen niet aan hun lot worden overgelaten. Eigenbelang en berekening in de Christelijke hulpverlening zijn niet op hun plaats.
Met een boog om het "slachtoffer" heenlopen, zoals de priester 'en leviet deden, omdat we ons voor de situatie schamen of omdat we nog zoveel in kerk en maatschappij moeten organiseren mag er niet bij zijn. Het elkaar helpen is een essentieel gegeven vanen voor de kerk van Christus.
In het barmhartigheids- en dienstbetoon behoort de gemeente van Christus zich (van andere gemeenschappen) te onderscheiden. Er wordt in de wereld doorgaans wel opgekeken tegen leiders, leraars en opzieners. Daartegenover heeft Christus geleerd, wat voor zijn volgelingen van groot belang is: "Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen. Zo is het onder U niet!
Maar wie onder U groot wil worden, zal Uw dienaar zijn en wie onder U de eerste wil zijn, zal Uw slaaf zijn: gelijk de zoon des mensen niet gekomen is om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen." Dit schriftgedeelte laat zien hoe radicaal de Bijbel spreekt over dienstbetoon en over de aspecten daarvan. Het begrip barmhartigheid is in Bijbelse zin ook zeer ruim. Niet alleen de leniging van de stoffelijke nood zoals honger, gebrek aan kleding e.d. of het verrichten van allerlei karweitjes voor hen die daartoe niet (meer) in staat zijn valt eronder, maar ook het verlenen van hulp en steun bij moeiten, verdriet en problemen waarover wij ZJO juist spraken. De geestelijke en maatschappelijke nood is in deze tijd vaak heel groot en hangt eerder samen met de huidige welvaart dan met materie tekort.
Aan die welvaart en haar verleidingen vallen wij ook gemakkelijk ten prooi. Denkt niet, dat de gevolgen daarvan in ontwrichting van gezinnen eenzaamheid, verslaving e.d. aan' onze kerken voorbijgaan. Hier wordt een grote inzet van ambtsdragers en gemeenteleden gevraagd. Nog te velen schrikken terug om dit terrein als helper te betreden. Nog te vaak horen we van gemeenteleden, dat hier geen taak voor de diakenen ligt of dat bij dergelijke problemen uitsluitend deskundigen aan het werk behoren te gaan.
Wordt dit gedacht omdat men zich veiliger voelt, wanneer men zich beperkt tot het verlenen van hulp in het materiële vlak? (Uit de uitvoerige enquête, die wij op de C.D.C. te Zwolle onder de diakenen hebben gehouden zijn op dit punt belangwekkende gegevens te putten. Na herstel van onze jeugdconsulent de heer Van der Molen zouden we graag over het resultaat van dit onderzoek met U van gedachten willen wisselen.) Het kan ook vóórkomen. dat het. onderling vertrouwen en de samenhang in de gemeente ontbreekt om tot een tijdige signalering van de nood onder bepaalde broeders of zusters te komen. Veel hangt dus af van de geest, die in de gemeente leeft om in de goede zin ..zijns broeders hoeder te zijn"! Kan men luisteren? Kan men invoelen wat de hulpzoekende nodig heeft? Begrijpt men wat zijn/haar moeite of verdriet 'is? Heeft men niet direct zijn oordeel klaar ronder de achtergronden te kennen? Kan de hulpzoekende wel eens iets van zijn broeder of zuster opbiechten zonder dat het verder wordt verteld? Kan de hulpzoekende zijn/haar hart luchten ronder te vrezen, dat hij/zij het predicaat "kinderachtig" of "aanstellerig" krijgt? Soms belemmert de teleurstelling of ontmoediging, die een hulpverlener kan overvallen, wanneer de resultaten niet overeenkomstig de verwachtingen zijn, de voortgang van de hulpverlening. In andere gevallen is een geleden verlies zo smartelijk of worden de gebeurtenissen uit het verleden zo triest en intens beleefd, dat de betrokkene bijna niet te benaderen is. Dikwijls moet een lange kronkelige weg worden afgelegd voordat enig licht in de situatie valt te bespeuren.
Vaak moeten we er op rekenen, dat niet alles weer zal worden als vroeger. Het onvolledig gezin kan meestal niet volledig worden gemaakt, lichamelijke en geestelijke gebreken en de gevolgen daarvan kunnen niet, althans niet geheel, verdwijnen, verziekte verhoudingen laten bij herstel toch hun littekens achter.
Daarom moeten wij ook aan de andere kant onze beperktheid leren zien en de gebrokenheid van het leven bij onze hulpverlening tot op zekere hoogte aanvaarden maar ons daardoor niet laten ontmoedigen! We blijven geloven, dat door het verzoenend sterven van Onze Heer ook hier wonderen en genezingen mogelijk zijn tegen de menselijke verwachtingen in.
De diakenen zullen - hoe goed zij ook voor hun taak berekend zijn in een aantal gevallen deskundige voorlichting en hulp nodig hebben. Onze stichting voldoet op dit punt in een behoefte om het werk der diakenen, in een ruimer verband dan voorheen, mogelijk te maken. Wij beschouwen ons daarbij soms ook als verlengstuk, zo U wilt, als een instrument der plaatselijke gemeenten wanneer zij geen oplossing van of voor bepaalde problemen zien dan wel wanneer een goede en adequate hulpverlening haar krachten te boven gaat. Het kan een enkele keer voorkomen, dat nog meer gespecialiseerde hulp nodig is. De stichting legt zich er op toe dat een zoveel mogelijk op de persoon, milieu en omgeving gerichte behandeling wordt gevolgd.
Zodra de situatie het toelaat en de betrokkene het ook wenst, worden familie- of gemeenteleden bij het verdere proces ingeschakeld. In de laatste drie jaar hebben we op heel wat gemeentevergaderingen van onze kerken en op enkele landelijke "kerkdagen" het doel en de werkwijze van onze stichting uiteengezet; bij die gelegenheid gaf de jeugdconsulent aan de hand van enkele voorbeelden uit de praktijk een inzicht in de problematiek, waarmede wij regelmatig worden geconfronteerd. Het valt ons steeds weer op dat er op die gemeentevergaderingen met zo veel belangstelling wordt geluisterd en met zo veel animo wordt gediscussieerd.
Regelmatig blijkt ons echter ook, dat nog zoveel leden onzer kerken niet op de hoogte zijn van het werk dat onze stichting verricht en van de hulp, die zij bij moeilijkheden van velerlei aard kunnen krijgen.
Het is niet de bedoeling grootscheepse propaganda voor ons werk te maken, maar bekendheid met ons werk zou kunnen bijdragen tot een snellere en effectievere hulp, Wij vragen U dit werk ook in Uw gebeden te gedenken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief