Zijn alle godsdiensten gelijk?

1980-05-02
  • Jaargang 24
  • nummer 18
a. De drie ringen
Een van de Beatles, George Harrison, heeft een plaatje op zijn naam staan, dat heet "My sweet Lord", "Mijn lieve Heer", waarin hij met een vast weerkerend refrein zingt:

I really want to know you
I really want to see you, Lord,
but it takes so long,

(Ik zou u werkelijk willen leren kennen,
Ik zou u in werkelijk willen zien, Heer,
maar het duurt zo lang...)

Ik weet van een christelijke middelbare school, waar dit lied van George Harrison werd gebruikt voor een Kerstwijding. Er klinkt inderdaad een toon van oprechtheid in door, die niemand die dit hoort onbewogen laat.
Toch is het een lied, dat verre van christelijk is. Dat blijkt vooral uit het koor, dat op de achtergrond meezingt, Het zingt de eerste helft van het plaatje Halleluja, Halleluja, maar halverwege verandert het plotseling van inhouden verandert het Halleluja in Hare Krisjna, Krisjna, Krisjna, Later worden ook vele andere Indische goden bezongen.
Door deze afwisseling in het gezang op de achtergrond heeft George Harrison de vraag tot uitdrukking gebracht:
"Zijn niet alle godsdiensten, als het erop aankomt, gelijk? Zij zijn toch allen op zoek naar dezelfde God, zoals alle rivieren van de wereld uiteindelijk in dezelfde oceaan uitmonden?"

Deze vraag hangt vandaag in de lucht. Je kan ze overal horen, als je je oor te luisteren legt. De wereldwijde communicatiemiddelen brengen de boeddhist en de mohammedaan in onze huiskamer en wij leren ze kennen als diep overtuigde mensen. Het einde van het kolonialisme heeft het superioriteitsbesef van het blanke ras ondermijnd en het werd tijd ook. Maar tegelijkertijd tastte het ook de superioriteit van de godsdienst van de Manke aanen dat was het christendom. Tegelijkertijd voltrok zich in Europa zelf na de wereldoorlogen een proces van innerlijke uitholling. De enquête opnieuw: God in Nederland' liet zien dat steeds minder mensen geloven in een persoonlijke God. Het humanisme, dat eeuwen lang onderstroom was in onze cultuur is in onze tijd ná de eerste wereldoorlog bovenstroom geworden.

Dit alles heeft ertoe geleid dat Europa een religieloos tijdperk tegemoet zou gaan. Althans zo luidde de profetie van Bonhoeffer vanuit zijn gevangenis in 1944. Europa zou een religieloos tijdperk tegemoet gaan.
Alles leek er ook op. Rondom de jaren 1960 waren het de boeken van filosofen als Sartre, die vorige week werd begraven, die de toon aangaven, en ook in Nederland veel gelezen werden.
Toch is hierin een kentering gekomen. Nóg in de zestiger jaren ontstond de Jesus-movement, en werden yogatrainingen en meditatietechnieken populair. Dat heeft zich in de zeventiger jaren doorgezet.
Religie is een onderwerp dat veel kijkers naar de buis trekt en veel tongen losmaakt.
Het 'aantal mensen dat wèl gelooft, dat er zoiets is als "een hogere macht" bleek in de laatste tien }aren te zijn toegenomen, volgens de eerdergenoemde enquête. Deze nieuwe religiositeit heeft een belangrijk kenmerk, dat George Harrison knap tot uitdrukking wist te brengen en dat is de stilzwijgende suggestie: wanneer het erop aankomt zijn alle godsdiensten 'gelijk! Het lijkt alsof de bekende gelijkenis van de theoloog Lessing nu pas in brede Iagen van de bevolking aanslaat. Deze 'Schreef al in de 18e eeuw een gelijkenis, waarin hij hetzelfde tot uitdrukking bracht. Lessing legt deze parabel in de mond van de hoofdfiguur van, zijn toneelstuk: Nathan de Wijze. De Jood Natban de Wijze is in gesprek met Sultan Saladin een Mohammedaan.
Zij komen op de vraag: welk geloof is nu het beste: 't Jodendom, de Islam of het Christendom?
Nathan beantwoordt de vraag door de sultan het volgende verhaal te vertonen *):

"In lang vervlogen tijden woonde in het Oosten een man, die een buitengewoon kostbare ring bezat, met een prachtige opaal. Deze ring bezat de kracht om degene, die hem droeg, voor God en de mensen aangenaam te maken. Geen wonder, dat deze man bepaalde, dat zijn nakomelingen nooit van deze ring afstand zouden moge doen. Bij zijn dood schonk hij hem zelf aan de Iiefste zijner zonen.
Nu kwam deze ring eenmaal in het bezit van een vader, die zijn drie zonen even lief bad. Tijdens zijn leven had hij aan ieder van de drie de ring beloofd te geven, zonder dat de één het van de ander wist.
Toen hij nu zijn einde voelde naderen en dus zijn zoons de hun beloofde ring moest geven, liet hij, om zich uit de moeilijkheden te redden, een goudsmid twee andere ringen vervaardigen, die zo op de oorspronkelijke ring geleken, dat niemand, zelfs de vader niet, kon uitmaken welke van deze drie de ware ring was. De vader gaf toen in het geheim elk van zijn zonen een ring. Na zijn dood beweerde ieder van de drie zonen, dat hij de ware ring bezat, en niemand was in staat te zeggen, wie gelijk had."
"Zo nu, zegt Nathan, is het ook niet uit te maken, welke de ware godsdienst is."
Saladin: "Hoe nu. Speel niet met mij. Ik dacht, dat toch de drie religies, die ik u straks noemde, wel van elkaar te onderscheiden waren, in kleding, of in spijs en drank ..."
Nathan: "Maar niet in wezen, niet in de gronden, waarop ieder zich beroept. Berusten zij niet alle op historie! 't Zij die beschreven is, of slechts traditie? En ieder van ons stelt vertrouwen in hetgeen ons wordt verteld door ouders of door anderen, die aan ons door daden bewijzen van hun liefde en hun trouw 'geschonken hebben. Hoe zou ik ooit mijn vaadren minder geloofwaardig achten dan gij de uwe?
Of ook omgekeerd. Datzelfde geldt ook voor de Christen. Denkt ,gij niet?"
Saladin: "Gij hebt gelijk. Ik weet niet, wat ik zeggen moet."
Nathan: "Maar nu terug tot ons verbaal."
Nathan vertelt dan, hoe de drie zonen zich naar de rechter begaven, om een beslissing uit te lokken.
Ieder bezwoer de ring zelf van zijn vader te hebben ontvangen en eerder te twijfelen aan de oprechtheid van zijn twee broers, dan aan die van zijn vader.
Saladin: "En nu de rechter? Want ik ben benieuwd te weten, wat gij de rechter zeggen laat. Ga voort!"
Nathan: "De rechter sprak: Alleen uw vader zou ons kunnen zeggen, wie van u drieën hier gelijk heeft.
Of de ring moest zelf getuigen... Maar wacht, Gij zegt mij, dat de ware ring de wonderkracht bezit, dat die hem draagt voor God en mensen aangenaam zal zijn en Iiefdevol.
Welnu, laat dat beslissen.
Onecht is de ring, die daartoe niet in staat is... Mijn uitspraak luidt aldus: Gij neemt de zaak, zoals zij is. Hebt gij, zoals ,gij zegt, de ring zelf van uw vader, zo beschouw dan ook uw ring als echt. En ieder van u doe zijn best om de echtheid van zijn ring door liefde te bewijzen, door weldoen jegens ieder en verdraagzaamheid, door innerlijke overgave aan God. Wanneer dan zou de kracht van uw steen ook bij uw nageslacht tot uiting komt, dan daag ik u na duizend jaar opnieuw voor deze rechterstoel. Dan zaleen rechter, wijzer dan ik zelf, een uitspraak doen. Ga heen!"
"Wanneer gij, Saladin, u weet de man te zijn, die door de rechter wijze werd genoemd ... "
Saladin: "Ik, Nathan, ik die stof ben? Ik, een niets?"
Nathan: "Sultan, wat ontroert u zo?"
Saladin: ,,O Nathan! Nathanl Neen, de duizend jaren van uw rechter zijn nog niet voorbij. Zijn rechterstoel is niet de mijne. Ga, o ga!
Maar wees mijn vriend!"

Tot zover het verbaal van de drie ringen.
Hiervan geldt hetzelfde als wat geldt van andere duitse filosofen (Feuerbach, Hegel, Marx, Nietzsche): wat alleen een intellectuele bovenlaag beweerde in de vorige eeuw, dat is nu in de 20e eeuw gemeengoed geworden van de massa en wordt op straat geciteerd.
Dat geldt ook voor de tendens van Lessings gelijkenis: is het niet een typisch bewijs van kleinburgerlijke bekrompenheid als wij "onze" godsdienst als de enig ware verkondigen, en al de anderen als dwaling?

O.K. Lang genoeg heb ik nu geschreven over het probleem. Wat moeten wij als christenen nu daarvan zeggen? Ik weet dat het een kleine moeite is om uit de bijbel teksten te citeren die bovenstaande gedachten radicaal afwijzen, al zou ik alleen maar het éne indrukwekkende woord van de apostel Petrus citeren uit Handelingen 4: 12. Toch wil ik dat nu eens een keer niet doen. Ik zou voor een moment mij eens helemaal willen verplaatsen in deze gedachtegang en gevoelssfeer van George Harrison. Meedenken tot op de bodem. Moeilijk valt het ons niet. Want wij zijn mensen van deze tijd. Zoals het voor Paulus niet moeilijk was de Grieken een Griek te worden en de Joden een Jood - met maar één verlangen: om in ieder geval enigen te behouden, zo zouden wij veel meer de stijl van Paulus moeten dragen zoals hij die ons ontvouwt in 1 Cor. 9: 19-27. Laten wij dan een moment proberen een George Harrison te zijn met de George Harrisons. Mij dunkt dat zodra ik in zijn schoenen sta de vraag voor de hand ligt: als dan alle godsdiensten gelijk zijn, wat is dan die gelijkheid? Wat hebben zij gemeenschappelijk?
Wat is dan hun aller kern? De wonderlijke ontdekking die wij dan opdoen is deze: niemand van al die mensen die zeggen: al de godsdiensten zijn gelijk is in staat om te zeggen wat zij dan allen gemeenschappelijk hebben ... De een zegt dit, en de ander dat!
Maar er zijn er geen twee die hetzelfde zeggen.


*) Dr. T. Verkuijl. "Zijn alle godsdiensten geliik? blz. 17 e.v.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief