Zijn alle godsdiensten gelijk?

1980-05-09
  • Jaargang 24
  • nummer 19
B. Zeg mij wie je bent en ik zal je zeggen wat jij de kern van alle godsdiensten vindt...

Met dit wat gewijzigde spreekwoord wil Ik dit 2e artikel beginnen over de vraag: zijn alle godsdiensten gelijk? De vorige keer hebben wij gelezen hoe de 18e eeuwse theoloog Lessing daar al volmondig ja op zei en hoe vandaag de Beattle George Harrison zich tot tolk van velen maakt als hij zegt: religie ja, maar één religie die de waarheid zou bezitten... neen!
Wij eindigden dat artikel met een vraag: als je dan meent dat alle godsdiensten uiteindelijk gelijk zijn, wat is dat dát wat zij allen gemeenschappelijk hebben? God, zult u zeggen... maar dat antwoord is te snel. Want het klassieke boeddhisme is wel één van de wereldgodsdiensten, maar het gelooft niet in Gold. Toch is het een godsdienst - omdat er in deze godsdienst een totale concentratie is te vinden op dat wat het tijdelijke en het zichtbare te boven gaat. Is dát dan de kern van alle godsdiensten: concentratie op het eeuwige? Nog niet zo lang geleden heeft prof. Kuitert in zijn radiolezingen 'Zonder geloof vaart niemand wel' gezegd dat het juist de kern van alk godsdiensten is dat zij functioneren als een soort oriëntatieschema dat ons helpen moet bij het veranderen van déze wereld ...
Hij staat hierin scherp tegenover een denken als Herman Hesse die zegt dat het de ervaring van de Eenwording met het Arl is, die aan de grondslag van alle godsdiensten ligt: een mystieke ervaring die je in het Oosten opdoet via de weg van inkeer naar binnen.
Ook Lessing zelf, die ik boven citeerde, bleek er een eigen opvatting op na te houden: het komt al ui:t in het slot van zijn gelijkenis. Daar legt hij de rechter de woorden in de mond: die godsdienst is de ware, die zijn echtheid bewijst in goeddoen tegenover de mensen en in overgave aan God. Wie zó handelt ontvangt als beloning (ie onsterfelijkheid. Hoe relativistisch Lessing zich ook voordeed, hij hield er zeer uitgesproken opvattingen op na: de kern van alle godsdiensten tis voor hem: God, deugd en onsterfelijkheid. Wees een deugdzaam mens, dan zal God je belonen met onsterfelijkheid.
Deze visie op godsdienst had Lessing gemeen met de denkers uit de tijd van de Verlichting. In later tijd hebben zich vele andere denkers van deze oppervlakkige omschrijvingen van de Verlichtingsdenkers afgekeerd: Schleiermacher in de vorige eeuw zag de kern ineen diep gevoel van afhankelijkheid, en Rudolf Otto in het ontzag van de mens voor het Numinieuze, dat is: het Schrikwekkend van God. Enz.

Ik heb hier een paar namen genoemd en omschrijvingen gegeven.
Eén ding blijkt hieruit wei en dat is rut: het antwoord op de vraag Wat het gemeenschappelijke is van alle godsdiensten wordt door iedereen weer anders gegeven, Het antwoord blijkt steeds heel nauw verbonden te zijn met de persoonlijkheid van de schrijver: ieder zegt wat voor hèm de kern is van alle godsdiensten, en geeft daarmee in feite antwoord op de vraag wat voor hem de kern is van zijn godsdienst. Zeg mij wat voor mens u bent en ik zal u zeggen wat u als de kern ziet van alle godsdiensten. Eerlijk gezegd vond ik dit een ondergrondse manier van verabsoluteren van je eigen gelijk. Zeg dan liever: wat 'andere godsdiensten betreft weet ik het niet, maar voor mij is de kern van mijn godsdienst het volgende ... ! Het blijkt dan overduidelijk aan wie luistert dat alle antwoorden wel hemelsbreed van elkaar verschillen Ja, tenzij je je definitie van wat de kern van alle godsdienst zo wijd maakt dat er onder die mantel een hele wereld kan schuil gaan. Wie zegt: godsdienst is een relatie zoeken met het Absolute komt waarschijnlijk heel ver, maar zegt tenslotte niets meer.
Precies zoals wanneer je zou zeggen
op de vraag wat hebben alle mensen gemeenschappelijk: zij lopen op twee benen...
Het beste antwoord is dan te zeggen: hè, hè, wat een ontdekking, dáár ben je veel verder mee gekomen. Deze definitie is trouwens typisch ook een 'antwoord van iemand die alleen van buitenaf tegen de mens aankijkt. Zo zijn vele aanhangers van de gedachte dat alle godsdiensten in hun kern gelijk zijn mensen die innerlijk buitenstaanders zijn.
Het klinkt een gelukkig 'getrouwde man wat pijnlijk en ook onbegrijpelijk in de oren als hij een vrijgezel wat cynisch de opmerking hoort maken: ook alle vrouwen zijn toch gelijk, als het erop aankomt ... !
Hij weet wel 'anders want hij kent zijn vrouw. Maar wie niet in staat was tot een echte relatie meteen vrouw te komen kan zijn teleurstelling of onwil camoufleren met de kreet: zij zijn toch allemaal gelijk.
Met andere woorden: wie de vraag: zijn alle godsdiensten gelijk serieus neemt, wordt door die vraagstelling gedwongen om zelf terug te denken naar de kern. Hij doet er beter laan het antwoord op die vraag nog even uit te stenen en zich af te vragen: wat is voor mij de kern van mijn geloof en godsdienst? Heb ik die duidelijk omschreven, dan kan ik daarna mij afvragen: zijn er andere godsdiensten die ditzelfde als hun kern hebben?
Tot slot: wij moeten ons ervan bewust zijn dat dit soort vragen voortgekomen zijn uit het tijdperk van de Verlichting, De denkers van de Verlichting werden door één verlangengedreven en dat is: de werkelijkheid denkend in hun vingers te krijgen. Daaruit ontstond het verlangen naar een redelijke godsdienst, een godsdienst die de mens zelf uit een vergelijkend godsdienstonderzoek met behulp van zijn autonome rede zou opbouwen. Deze poging is niet gelukt.
Lessings omschrijving van de kern van alle godsdiensten: Gods deugd en onsterfelijkheid heeft met de kern van het christendom niets te maken.
Het is de kern van de godsdienst van de Farizeeën waar Jezus :zJi.ch lijnrecht tegenover opstelde.
Herman Hesse's omschrijving van "eenwording met het Al" wordt in de bijlbel Baälsdienst genoemd.
Kuitert's visie op de godsdienst als een door mensen ontwikkeld oriëntatie-
schema voor ons handelen lijkt op gespannen voet te staan met 'wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgeklommen... Wat door Paulus de kern van het christendom wordt genoemd (1 Cor. 2 : 9).
Over gevoelens van ontzag en afhankelijkheid spreekt Paulus in Rom. 1 : 20 maar zij leiden volgens hem in de praktijk niet tot de kennis van de ware God ...
Vandaar mijn stelling dat de poging van de denkers van de Verlichting om te komen tot de opbouw van een redelijke godsdienst is mislukt. Ook al wordt het nog steeds door sommigen geprobeerd (bijv. door Kuitert), Het is op zijn plaats bier vragen te stellen over de vraagstelling.
Is de vraagstelling zelf: Zijn alle godsdiensten gelijk? al niet het product van de zelf wijze mens, die in zijn verlangen alles denkend in de greep te krijgen zelfs voor God geen hall houdt?

Nu verwacht u misschien dat deze kritiek op de vraagstelling genoeg is om over dit onderwerp dan maar op te houden. Om niet zelf in dezelfde fout te vervallen. Toch stem ik daar niet mee in, want het zou Ieiden tot een voortijdig verbreken van het contact met de mensen rondom ons.
Paulus zegt in 1 Cor. 9: Ik ben de Joden een Jood geworden en de Grieken een Griek, hun die onder de wet staan als onder de wet, hoewel persoonlijk niet onder de wet, om hen die onder de wet 'staan te winnen; hun, die zonder wet zijn ben ik geworden als zonder wet, hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus - om hem, die zonder wet zijn te winnen. (1 Cor. 9: 19 e.v.). Die gedragslijn moet ons ertoe inspireren om de gelegenheid ten nutte te maken en iedere contactmogelijkheid naar buiten toe aan te grijpen, zelfs zó ver dat wij dan maar even doen alsof ook wij een mens van de Verlichting zijn om zo voor verlichte mensen als een verlicht mens te worden door hun vraagstelling op te vatten en daar dan ook zelf van binnenuit - als in feite verlicht door een andere lichtbron - te proberen deze vraag oog in oog met religieuze gevoelens van ónze tijd te beantwoorden...

Daarover de volgende keer verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief