Het Eerste en het Laatste Woord
1980-05-09
Ik geloof dat God tot Muhammad heeft gesproken. Dat wij in de Koran in zekere zin geconfronteerd worden met het woord van God. Dat is iets om hoogst ernstig te nemen.- Jaargang 24
- nummer 19
Antonie Wessels De Moslimse Naasten, p. 136
Waar het tot een uiteengaan van de wegen van Moslims en Christenen komt, wordt dat veroorzaakt door een uiteindelijke keuze tussen twee manieren van denken die zich niet laten verbinden.
Colin Chapman, Thinking Biblically about Islam
De Islam kent één enig God, kent Hem als Schepper, en onderhouder van het heelal. Ook kent de Islam de persoon van Christus, voor moslims een der grootste profeten. De Islam verwacht de Jongste Dag, die door Jezus ingeluid zal worden. Ze kent ons lineaire tijdsbesef en kent daarin de mens een bestemming toe. Christenen en moslims hebben ook gemeen het feit dat we tegen de wereld van het geschapene positief aankijken. De Islam is - net als Jodendom en Christendom - een monotheïstische godsdienst. Is dat nu genoeg om te zeggen dat ten diepste Moslims en Christenen. toch wel erg veel gemeen hebben? Veel -meer dan b.v. met Hindoes of Boeddhisten? Dit is op de dialoogbijeenkomst in Tripoli, Lybië, in 1976, gezegd. In de woorden van Prof. Camps van de Nijmeegse Theologische Faculteit, die daar aanwezig was: "Zo kan men stellen dat de monotheïstische godsdiensten een eigen taak en plaats hebben in de wereld en Gods heilsbestel. Zij moeten in dialoog treden met de andere godsdiensten ten bate van heel de mensheid en een stap voorwaarts doen in de volledige heilsgeschiedenis ... Deze visie heeft op de bijeenkomst in Tripoli in het begin opzien gebaard, omdat men niet gewend was aan dit soort denken. Men wilde liever horen: in onze koran staat dit en jullie in de' bijbel hebben ook zo iets." (Christendom en de Godsdiensten der Wereld, p. 75)
Bovengenoemd boek stelt veel aan de orde. Men kan het gemakkelijk tekort doen, als er even te hooi en te gras uit geciteerd wordt. Het is een zeer serieuze poging om te komen tot een nieuw en positief begrijpen van andere religies, in de geest van het Tweede Vaticaans Concilie. We citeren opnieuw. Camps spreekt over "de overgang minstens wat betreft de katholieke kerk van monoloog naar dialoog. De Kerk is niet langer het volk Gods reeds gerealiseerd, maar een' volk Gods onderweg, dat in gesprek en samenwerking met de wereld, de andere godsdiensten en de ideologieën het volle Rijk Gods gestalte wil geven. Men houdt dan ook niet langer vast aan de oude stelling: buiten de kerk geen heil ... De kerk erkent authentieke religieuze elementen in de niet-christelijke godsdiensten en ook positieve waarden in de ideologieën. Er is een werking van Gods heilswil ook buiten het christendom en Israël en er zijn daar elementen van Godsopenbaring." (p. 11, 12). Speciaal over de Islam lezen we: "De kerk ziet met waardering naar de Moslims die de ene God aanbidden, de levende, uit zich zelf bestaande, de barmhartige, almachtige, de Schepper van hemel en aarde, die gesproken heeft tot de mensen... " (p. 12).
Camps' boek illustreert de groter openheid van "Rome" ten opzichte van andere religies. In zijn theologische onderbouwing spreekt hij o.a. over de "goede heidenen" die in Oude en Nieuwe Testament voorkomen (o.a. Melchizedek, Jethro, Ruth, Naäman en Job). Daarnaast over hét kosmische van Christus, "die in heel de geschiedenis van de wereld en van de godsdiensten aan het werk is. De bijzondere heilsgeschiedenis openbaart Gods eigenlijke bedoeling met de algemene heilsgeschiedenis... Christus staat dus niet los van deze algemene heilsgeschiedenis. Alle godsdiensten van de wereld staan in de algemene heilsgeschiedenis, maar zijn reeds van binnen uit gericht op Christus als diepste zingeving..." (p. 39). Verder noemt hij de tijdgebondenheid van de Schrift en de verschillende "lagen" in de heilshistorie (p. 36 e.v.) Opnieuw een citaat: "In het algemeen stond de jonge kerk zeer kritisch tegenover de religieuze cultus en praktijken van het hellenistische heidendom, vooral in zijn populaire vormen ... De patristische visie toont een verdeeld beeld: er was veel kritiek op de heersende godsdiensten, maar er was ook waardering voor het werk van de Logos, maar dan in afzonderlijke personen. De andere godsdiensten als totaliteit van religieus beleven waren nog niet in een positieve visie betrokken, Dit is verklaarbaar uit de tijdsomstandigheden: verdrukking door de niet-christelijke machten voor de overwinning van keizer Konstantijn en een overwinningsroes daarna. Ook ontbrak het aan diepgaande studie en werkelijke contactarme van de andere godsdiensten... " (p. 41, 42). Een "ander openbaringsbegrip" (p. 59) is volgens Camps ook een belangrijk gegeven. Tegenover de harde confrontatie met de Islam zoals we die van vroeger kennen, stelt hij de "monotheïstische revolutie" (p. 7, 59, 74) die de Islam als "partner'~ insluit. Belangrijk is ook dat de huidige Roomse kerk de dialoog aangaat als een "dialoog van het heil", oftewel "een dialoog die erkent dat in alle godsdiensten mededeling van God plaats grijpt en een legitiem antwoord van mensen daarop. Dit stelt het probleem, het theologische probleem, van de verhouding tussen de godsdiensten en vooral van de visie die de christen meebrengt in de dialoog, nl. dat in Jezus van Nazareth iets unieks gebeurd is, dat betekenis heeft voor alle mensen met behoud van alle goede antwoorden en heilsgoederen die zij al bezitten." (p. 26)
In dit kader krijgen de stellingen van Prof. Wessels ook meer reliëf. In zijn, al meer 'aangehaalde, boek De Moslimse Naaste spreekt hij uitvoerig over de confrontatie van Islam en Christendom. Onder andere bespreekt hij de belangrijke theoloog Johannes van Damascus (676-749) en zijn boek Over de Ketterijen. De Islam is een ketterij en Mohammed is een valse profeet, stelt Johannes. De Nestoriaanse "katholikos" Timotheus I zegt in zijn geschriften o.a. "Maar men hoeft niet re zoeken naar profetische aankondigingen van Mohammed, want na de komst van Christus zijn de profeten vervuld. . .. Wij hebben geen behoefte meer aan andere kennis, die zonder waarde 2l0U zijn na de incarnatie van het aanbiddenswaardige Woord van God". Petrus Venerabilis, een middeleeuws Frans geestelijke, was geïntrigeerd door de Islam en zorgde voor de eerste Latijnse Koranvertaling. Desniettemin was zijn apologetisch werk getiteld Tegen de Afschuwelijke Ketterij van de secte der Saracenen. (± 1150). De lijst zou heel wat langer kunnen worden dan ze hier is.
Tegenover bovengenoemde visies (p. 54, 57, 62) doet Wessels zeilt de uitspraak bovenaan ons artikel. Om de context juist weer te geven moet ook het vervolg van die passage worden geciteerd: "Tegelijkertijd kom ik in de Koran in aanraking met elementen waar fundamentele punten van het Christelijk geloof worden ontkend. Daarvan kan ik niet aannemen dat het het woord van Gods is, tenzij u mij toestaat het anders uit te leggen.
Met een dergelijk antwoord zijn uiteraard de theologische problemen niet opgelost. Maar het betekent wel een ernstig nemen van Muhammad, een serieus willen luisteren naar de Koran zonder dat daarmee wezenlijke vragen uit de weg worden gegaan. Integendeel zelfs. Zij worden opnieuw gesteld en worden zelfs acuter, maar in een veel gemeenschappelijker worsteling samen met de moslims het woord van God te verstaan, ook in zijn relevantie voor zijn eigen tijd." (p. 136).
Iets tevoren lezen we: "Inderdaad is het relaas van de moslims-christelijk dialoog uit het verleden - een soort anti-dialoog - tamelijk somber en erg onvruchtbaar. Het is een lange geschiedenis van elkaar niet verstaan of misverstaan - weleens de ernstigste vorm van communicatiestoornis genoemd - of domweg ook niet willen verstaan." (p. 112).
"Wij hebben gezien dat het Christelijk verstaan van de Islam in het verleden werd gehandicapt door het feit dat in de Islam óf alieen maar een christelijke ketterij - vooral christologische - werd gezien óf een werk van Satan. -Het feit dat de Islam een na-christelijke religie was, werd uitgelegd als een keuze tegen Christus of op zijn gunstigst een verkeerd verstaan van hem. Op deze wijze werd niet volledig recht gedaan aan de Islam en aan het zelf verstaan van de moslims. Het is toch wel een eerste vereiste dat men de ander verstaat zoals hij zichzelf verstaat." (p. 133, 134).
Voor een deel trekt mij die visie wel aan. Naar ik veronderstel, is aan beide zijden van "de frontlijn" veel aan onjuiste beeldvorming gedaan. Toch is het tegelijkertijd iets waarin ik Wessels niet kan naspreken. In een vorig artikel over de Islam (p. 85 van Opbouw, dit jaar) heb ik een voorzichtig "schot voor de boeg" gegeven met de opmerking dat w.e, bij nader gesprek, toch wel eens diepgaand met Wessels van mening konden verschillen. Daarbij doelde ik op de hierboven geciteerde gedachten.
Hoe noodzakelijk onze houding t.o.v. de Islam ook correctie behoeft, Wessels' kijk is wel erg coulant. Nergens mag immers zó weinig aan getornd worden als aan het wezen van Christus? Waarvoor is dan ai die velt' Concilies gevochten? Ook al kun je Mohammed nauwelijks een "christelijke ketter" noemen (akkoord), is het Zoonschap dat Mohammed – met verschillende "christelijke ketters" ontkent - niet het hart van het Christelijk doordenken van de werkelijkheid? De vraag "Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij?" is toch de vraag die niet alleen aan Joden, maar ook aan moslims gesteld móet worden? A1s de allesbeheersende vraag? Duidt die visie dan niet op een tendens de Bijbel minder uniek te achten? Wat te denken van dit citaat: "Vandaag zijn wij ons er - meer dan voorheen misschien - van bewust van dat het Nieuwe Testament geen homogeen document is welke een eenvormig beeld van Jezus en zijn boodschap geeft. Integendeel. Het geeft ons een variëteit van theologische reflecties over de betekenis van Jezus ... En zijn contradicties in de evangeliën, er zijn elkaar aanvullende maar ook schijnbaar tegensprekende woorden, uitdrukkingen en gebeurtenissen, die men onmogelijk kan harmoniseren... Dat is juist het vruchtbare van de moderne bijbeluitleg dat wordt duidelijk gemaakt dat wij niet te doen hebben met een "koran" in de zin van "Ietterlijk Woord van God", maar met het veelvormige getuigenis van de openbaring van God in Christus". (p. 116).
Ik kan het niet helpen, maar zo'n stelling vindt ik - met alle marge die je bij het begrip van een passage aangeven wil - toch getuigen van "geestelijke bloedarmoede". Waarmee natuurlijk niet gezegd is dat "dialoog" nooit goed kan zijn, of geen nut kan hebben. De vraag is slechts: waar sta je zelf? Tegenover een monolitische Islam.
Als niet-islamoloog (die dus heel veel van de Islam niet weet of begrijpt) voel ik me meer "thuis" bij b.v. de kijk van de Engelse "evangelical" Colin Chapman, tot voor kort docent in Nigeria. Een aanval punten uit zijn lezenswaardige artikel "Thinking Biblically about Islam" wiI ik hier graag aan u voorleggen. Chapman noteert:
• het belangrijkste is niet om een goed beeld van de Islam te krijgen maar om met Moslims een relatie aan te gaan! Daarbij geeft de Bijbel een aantal beschrijvingen van dat omgaan met “'andersdenkenden".
• Jezus zit als twaalfjarige in de tempel en stelt vragen. We krijgen niet de indruk dat hij de schriftgeleerden vangen wil, of in een hoek drijven. Hij wil leren en delen. Heeft een Christen dat ooit met Moslims gedaan?
• het komt tot een controverse tussen Jezus en de Joden. Vragen rond levensstijl en politiek zijn inzet van de discussie. Dieper echter gaan de vragen rond wie Jezus Zèlf is. (b.v. Joh. 8 : 24). Chapman wijst op het stuk van Johannes 7 : 1-10 : 39 'als het gedeelte waar de problemen tot een climax komen. Er ontstaat verdeeldheid bij de Joden (Joh. 7 : 10-15), men zegt dat Jezus bezeten is (7 : 20), we lezen van zijn pretentie God te zijn (10 : 33). Uiteindelijk hoort de discussie tussen Moslims en Christenen te gaan om de vraag: wie is' Jezus, de zoon van Maria? Welke relatie heeft hij tot God?
• Als velen Jezus verwierpen, was dat niet omdat ze hem niet begrepen, maar omdat ze dat wel deden! (Joh. 8: 43; 10: 31; Markus 14: 61-64) Chapman zegt dan:
• Er valt een parallel te trekken tussen onze gesprekken met een Moslim over Christus' godheid en de problemen die de vroege christenen hadden om de Joden te overtuigen.
• Aan de hand van Paulus' uitspraak in 1 Corinthe 9 : 19-23 zouden sommige Christenen misschien moeten zeggen: Ik ben de moslims een moslim geworden teneinde sommigen van hen te winnen. "Ons geloof in de vleeswording moet ons helpen om te geloven dat, terwijl identificatie onvermijdelijk tot misverstand aanleiding geeft, het niet per se een compromis hoeft te betekenen."
• In zijn toespraak op de Areopagus probeert Paulus zoveel mogelijk gemeenschappelijk terrein te creëren om daarna met het specifieke - èn aanstootgevende - van zijn boodschap te komen. "Het is begrijpelijk dat nadenkende christenen de vraag zullen opwerpen of de moslim wel "echte"
kennis van God heeft. Maar we moeten toegeven dat we veel sneller kritische opmerkingen over andere godsdiensten maken dan dat we het evangelie op positieve wijze met aanhangers van andere godsdiensten delen ... Als Paulus het zelfde woord voor God gebruiken kan als de Grieken deden, hoe ontoereikend en misleidend die term mogelijk ook was, dan is er geen reden waarom een christen zou aarzelen om hetzelfde woord voor "God" te gebruiken als de moslim kent."
• Het was een lange weg voor de discipelen om te komen tot de belijdenis: "mijn Heer en mijn God". (Joh. 20: 28) Het was ook een geleidelijk proces, waarin men enerzijds het oude Sjema ("Hoor Israël, uw God is een"...) kon verbinden met geloof in Christus' zoonschap. "In plaats dat we ons geloof dat God één is. laten varen, moeten we heel langzaam
door het pijnlijke (en vermoedelijke langzame) proces heen om opnieuw te definiëren wat die "eenheid" inhoudt. Als we tenslotte kunnen zeggen dat de Here één enig God is" en tegelijkertijd Jezus "Heer" kunnen noemen, hoeven we ons niet aan méér' misbruik van woorden schuldig te maken dan wanneer we van een man en een vrouw zeggen dat ze in het huwelijk "een vlees" geworden zijn." . Dit alles is ongetwijfeld niet voldoende voor een totaalvisie. De vraag wie Christus is is echter de allesbeheersende vraag. De vraag waarbij m.i. geen compromis mogelijk is. Waarbij echter wel wijsheid gebruikt moet worden. Moeten we, als een moslim bij "de Zoon Gods" slechts aan een fysieke geboorte kan denken (en dus aan een Gold die seksuele gemeenschap heeft gehad) dan in ons spreken hierover niet veel terughoudender zijn? En ons afvragen hoe we dit overdragen?
Een voorbeeld: een zendeling vertelde dat in de taal van een Moslimland het woord voor sleutel letterlijk was "zoon van het slot". Zijn vraag aan moslims: heeft het slot fysiek de sleutel voortgebracht? De parallel is duidelijk - en zijn "point" werd begrepen.
Ondanks alle noodzaak de verkeerde beeldvorming van vele eeuwen strijd tussen Christendom en Islam te corrigeren blijft toch staan dat het om wezenlijke verschillen gaat .De Zoon van God, de kruisiging, die volgens Moslims niet nodig was. Wie is Jezus Christus? Wie is God? Om het even of onze serie over de Islam het eerste of het laatste woord over deze materie gezegd heeft (vermoedelijk slechts een begin van het eerste), een Christen moet staande houden dat Christus Zelf de alpha en omega is, het eerste en laatste Woord. Geen visie die Hem minder geeft - hoe positief of sympathiek ook - is in dezen toereikend.
Literatuur
A. Camps, Christendom en de Godsdienst der Wereld. Bosch en Keuning, Baarn. 1976. "Oecumene serie". Verkrijgbaar bij De Slegte, f 2,90.
A. Wessels, De Moslimse Naaste. Kok, Kampen. 1979. f 2,50.
Beide boeken verdienen een serieuze studie en (op sommige punten) mogelijk een doordachte afwijzing.
Colin Chapman, Thinking Biblically about Islam, artikel in Themelios, uitgave I.V.P., Leicester, England.