Datheen voor en na

1980-05-09
  • Jaargang 24
  • nummer 19
In mijn artikel "Eerherstel voor Galilei" (11-1-80) heb ik aan Datheen ten laste gelegd: dat hij de term "de Sabbath, dat is de rustdag" in zijn vertaling van de Heidelberger heeft binnengesmokkeld; waardoor de feestdag tot een verbodsdag zou zijn geworden.

Ik had die opmerking niet van mezelf, maar van een onzer vroegere predikanten.
Die begreep van Datheen, dat deze het woord sabbath in zijn betekenis van rabbijnse verbondsdag had bedoeld; want zo was Datheen, zei hij. Daardoor zou Datheen het op zijn geweten hebben, dat ons volk zo weinig vrijheid op Zondag is gelaten.

Een onzer huidige predikanten was dat niet met hem en mij eens. Die schreef: "ik vermoed dat (uw vriend) Datheeni's persoonlijke sabbatsopvatting heeft ingelezen in het ingevoegde woord sabbath in Zondag 38. Maar noch het woord sabbath zelf noch de tekst van Zondag 38 geven enige grond aan deze inlegkunde. De Heidelberger staat woord voor woord - inclusief "rustdag" en "sabba1!h" (volkomen synoniem van vierdag en feestdag) - tegenover de casuïstische rabbijnse sabbathsregelementen. Ik blijf daarom Datheen vrijpleiten van wat u hem in "Eerherstel voor Galilei" in de schoenen sohoof en ik meen dat u de lezers van Opbouwen uzelf een dienst zou bewijzen, door een eerherstel voor Datheen op dit ene punt te plaatsen."

Mijn beide zegslieden mogen bevoegd worden geacht om te weten wat ze zeiden. Maar geleerden behoeven het niet altijd eens te zijn. Daarom maak ik geen keus - maar vraag u, tevens open te staan voor déze theoloog.

Het is altijd plezierig, positieve reacties te krijgen op dit rubriekje, dat als een bergbeek al een aantal jaren blijft kabbelen. Er zijn ook wel eens negatieve, zelfs vernietigende reacties - maar die proberen we te vergeten, wanneer daarin duidelijke haat spreekt. Zulk een haat is begrijpelijk, want ik raak wel eens heilige huisjes aan. Maar zo'n reactie betekent voor de briefschrijver zelf een soort psychootcatharsis, als u begrijpt wat ik bedoel en daar wil nog wel eens beterschap op volgen,
Beperken we ons dus tot de positieve reacties. Dat zijn niet altijd instemmende reacties, zie boven, maar wel meelevende, meedenkende, Onverwacht kwamen daar twee leuke bedankjes voor het artikel "Zondagsschool" (21-3-80) binnen, en wel van twee moeders. Je schrijft meestal naar aanleiding van wat je in litteratuur, kunst, natuur, gesprekken of ervaringen beroerd heeft. Je weet nooit vooruit, hoe dat aankomt. Maar leuk is het, wanneer anderen dezelfde emoties ondergaan: gedeelde vreugd is dubbele vreugd, Twee moeders dus. De ene had vroeger van haar Papa nooit naar zondagsschool mogen gaan en ook de andere zag in deze praktische godsdienstles veel positiefs voor onze jeugd in de crisis,

Twee broeders spraken ongeveer gelijktijdig uit: elke week is het een verrassing welk onderwerp je nu weer neemt. Ja, dat is het ook voor mij.
Maar het verrassingselement, het onverwachte, zit eigenlijk hier in. Het is mijn gewoonte te schrijven over onderwerpen, waar ik veel te weinig van af weet. En er zijn veel van die onderwerpen. Daarom.


In het kerstnummer schreef ik over "Naar Bethlehem gaan". Daarbij bood ik u enkele details uit het apocriefe evangelie van Jacobus. Ik bezit dat evangelie nog steeds niet (mijn vaderlandse boekhandelaar kon het niet leveren) maar tapte uit "In the footsteps of Jesus", door W. E. Pax, Israël 1970, waarvan in 1974 een Nederlandse vertaling verscheen.
Prompt werd er gereageerd. Niet door een Opbouwlezer ditmaal, maar door een 'lezer van De Nederlandse Jager, in welk blad ik op verzoek een soortgelijk artikel had geplaatst, puttend uit hetzelfde materiaal. Bedoelde lezer vroeg me: "waar trof u dat evangelie van Jacobus aan? Ik kan het niet vinden." Ik moest hem bekennen wat ik hiervoor aan u bekende en zei erbij: naar mijn herinnering moet er een moderne Nederlandse vertaling bestaan (ik meen zelfs van de dames Zeijdner en Gerhardt) die momenteel niet voorhanden is.

Daarmee was ,ik niet van hem af. Hij dook in een universiteitsbibliotheek en kwam boven met ... een Franse vertaling uit 1910 en een Nederlandse uit i867. Meteen kreeg ik een aantal fotokopieën cadeau! Is dat niet kostelijk?

Ja dat is het. Maar als iemand mij en mijn lezers zou kunnen helpen dan houd ik me zeer aanbevolen. Dat apocriefe evangelie zit me hoog.

Dan woont daar ergens in het Saksische een broeder, die me zo nu en dan een half uurtje opbelt of me een pakket nieuw verschenen boeken zendt.
Zo'n pakket gaat prompt naar de douane in Edinburgh, wordt daar geopend, misschien wel gelezen - en als er geen drugs in zitten komt het keurig verzegeld bij mij aan. Als je iets weggeeft, zegt een spreekwoord, dan maar iets dat je zelf waardeert. Zo denkt die broeder er blijkbaar ook over; wat hèm gepakt heeft stuurt hij inij. Met de stilzwijgende opdracht: schrijf er eens over.

In sommige gevallen doe ik dat ook. Dat is een van de redenen voor het uiteenlopend karakter van dit rubriekje. Maar lang niet altijd vind ik kopij in een nieuw boek. Soms spreekt een boek mij heel niet aan; dat vindt u stellig niet fraai.

Maar als gezegd: verscheidene malen schreef ik artikelen naar aanleiding van een publicatie, die ongevraagd op mijn tafel kwam. Zulke contacten zijn dus zeker niet vruchteloos, Als denkend mens, die telkens pogingen doel een wèldenkend mens te worden, aanvaard je een boek of artikel of gedicht als een zelfopenbaring van een moedig mens. Want het gesproken woord vervluchtigt soms voor de zin is voltooid. Maar het geschreven woord wordt de schrijver soms na jaren nog onder de neus gehouden.


Het zou ditmaal Datheen voor en na worden. Voordat we de kring sluiten nog even wat anders. Wij hebben hier thuis de gewoonte, ons vakantiereisje zo vroeg mogelijk te nemen, om gezinnen met schoolgaande kinderen niet voor de voeten te lopen. Drie jaar geleden was het de verhuizing naar hier, twee jaar geleden werd het Spanje, vorig jaar Israël, dit voorjaar was het Noordwest Frankrijk.

Niet om de zon, want die scheen daar in maart even weinig als hier en bij u. Maar wel om in dit herdenkingsjaar de invasiekust van Normandië te bezoeken, om de Franse Kelten van Bretagne te bezien en om het tapijt van Bayeux te bestuderen. Zegt het u wat? Misschien leest u er nog wel over.

En dan zijn we bezig met de studies van Albert Delahaye, "De mythe van de Noormannen in Nederland" en "Van Dorestadium tot Waderlo". Dat zijn kleine correcties op de vaderlandse geschiedenis; in maart zou er iets van voor de televisie komen.
Een van de belangrijkste vondsten van de heer Delahaye gaat het vaderlandse christendom aan: dat Willibrordus niet in Katwijk is geland, maar in het Franse Gravelines; en dat hij nimmer in Nederland of Echtemach zou zijn geweest.

Wel, we zijn in Gravelines geweest, hebben de Willibrorduskerk gezien, met de pastoor gesproken. De laatste bevestigde dat, volgens de overlevering ter plaatse, Willibrordus van Dover naar Calais trachtte over te steken (het was in 690) en de zware Zuidwester wind dreef zijn schip op de kust van Gravelines, tien kilometer oostelijk van het doel. Hijzelf schreef in zijn dagboek, dat hij naar "Fmncia" overstak, dat men van de Engelse kust af ziet liggen. Dat alles klinkt nog al aannemelijk en we hopen er op terug te komen. Er zit veel aan vast!

In elk geval heet de kerk van Gravelines naar sint Wi1rllibrord.Er staat een standbeeld voor hem, met mijter en kruisstaf, in de rechterhand een met met zegels verzegeld boek, waarop een model van het plaatselijk kerkgebouw, uit 1598, is geplaatst. Daaronder de opdracht: Aan sint WiUibrordus, door de dankbare parochie van Gravelines, mei 1940. Het plaatselijk christendom eert deze apostel dus tot op de huidige dag en doet daar goed aan. Zijn onbaatzuchtige zendingsijver ging uit naar onze vaderen, die heidenen waren. En als u zich die laatste uitdrukking te zwaar aantrekt reserveer ik haar voor me zelf: mijn voorouders woonden daar vrij dicht bij, in Saint Quentin.

Eindelijk dus nogmaals Datheen. Een brief met vlot handschrift, van België uit geschreven (de naam is onleesbaar maar laat zich raden), naar aanleidiog van het artikel "Voor u en voor jou", 18-1-80. Hij gaf een aanvullende opmerking, die u interesseert.

"Het Nederlands zou bijna dezelfde richting ais de omliggende taaigroepen zijn ingeslagen (namelijk om God met jou-en jij aan te spreken) indien de berijming van Mamix van Sint Aldegonde ingang zou hebben gevonden. De psalmberijming van Marnix gebruikte "du" etc. Afgezien van het feit dat de berijming van Dathenus als een tijdige, maar onrijp geboren (vrucht) het pleit al had gewonnen, was er een duidelijke weerstand tegen Marnix' keuze van "du" als persoonlijk aanroepen van de Here.
Het beeft dus maar weinig gescheeld; als Marnix' woordkeuze het wel zou hebben gehaald lijkt het waarschijnlijk dat de Statenvertaling er ook anders had uitgezien".

"In deze hele kwestie speelt de invloed van de taal in de Zuidelijke Nederlanden een rol, Immers, zoals nu in Vlaanderen "gij "nog en vertrouwelijke aanspreekvorm is tussen mensen in hun dagelijkse omgangstaal, zo was "gij" dat ook voor de Zuidelijken in de 16e eeuw. Zij hebben een groot aandeel gehad in de starenvertaling van Dordrecht. Meer dan de helft van de vertalers was van Zuidelijke afkomst. Zie bijvoorbeeld een populair boekje als van Karel Jonckheere: "Denkend aan de Nederlanden" en E. Pichal "Geschiedenis van het Protestantisme in Vlaanderen".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief