Nederlands Gereformeerd (2)
1979-09-14
Wij vragen nu dus naar de bestaans- en voortbestaansreden van onze kerken; naar onze identiteit of eigenheid te midden van de geestverwante kerken der gereformeerde gezindte. Het lijkt mij namelijk niet juist om, nu wij door het kiezen van een nieuwe naam bewust een nieuw begin maken, de vraag naar de identiteit te verzwijgen en de erfenis van de gereformeerde gezindte klakkeloos over te nemen. Daarvoor roept die erfenis te veel gevoelens van verlegenheid op. Ik meen daarom dat nu ons kerkelijk apart staan zich bestendigt door het bewust aannemen van een naam, ik het recht heb, aan de Nederlands Gereformeerde kerken, tot welke ik zelf van harte behoor, een drietal vragen te stellen: 1) Hoe gaan we denken over het Schriftgezag? 2) hoe over de binding aan de reformatorische belijdenisgeschriften? 3) hoe gaat ons kerkverband er uitzien?- Jaargang 23
- nummer 34
Over elk van de drie vragen een opmerking.
1. Ten aanzien van de Heilige Schrift
Lang niet algemeen en toch onmiskenbaar meen ik onder ons deze vraag op te merken: Hoe zullen wij het sinds de grote reformatie veel duidelijker ontdekte feit in rekening brengen dat de Heilige Schrift in haar ontstaan een geschiedenis heeft doorlopen? In hoeverre nuanceert dat haar gezag?
Is het mogelijk in deze historische stroom hoofdlijnen en bijlijnen te onderscheiden? Of heeft het fundamentalisme gelijk, dat alle leer in de bijbel met gelijk gezag bekleedt om geen andere reden dan dat ze, zij het soms onduidelijk of sporadisch, in de bijbel voorkomt?
Is het bijvoorbeeld mogelijk, een eenzaam getuigenis als wij vinden in Pred. 7: 28: "Onder duizend heb ik één mens ontdekt, maar een vrouw heb ik onder deze allen niet ontdekt" (in positieve zin ontdekt, is bedoeld), - is het mogelijk een vaststelling als deze aan te horen met dezelfde eerbied als wefke wij tegenover heel de bijbel verschuldigd zijn, haar dus niet tegen te spreken, maar haar ook niet bij te vallen, haar latende voor wat ze dan ook maar mag zijn? Het is maar een voorbeeld.
Of, het vermaan lezende van Judas : 23: " ... en haat ook de rok die van het vlees bevlekt is", (in de St.vert. die ik hier citeer, is dit meer dan in het Grieks en de moderne vertalingen een zelfstandig vermaan en als zodanig kennen wij het ook best) – mogen wij dan zeggen, dat in deze woorden het wat angstvallige standpunt doorklinkt van de zo bekende ‘zwakken’ uit Paulus’ brieven? Het zou ongetwijfeld een relativering betekenen.
Heeft het bijbelgezag een smalle rand van onzekerheid aan zich?
Men zal natuurlijk tegenwerpen dat deze rand niet smal blijft. Maar ik voor mij geloof, dat letten op het historisch karakter van de Heilige Schrift haar gezag wel enigermate relativeert, maar dat anderzijds de hoofdlijnen daardoor des te duidelijker naar voren (kunnen) springen en des te meer nadruk (kunnen) krijgen. Zoals een fiets in het rijden z'n kleine onevenwichtigheden overwint en zijn evenwicht vindt, zo laat de bijbel vanwege de historische gang die er in zit als geheel een zeer duidelijk geluid horen.
En ook wij, zolang wij in de bijbelse beweging blijven, de toekomst des Heren tegemoet, zullen van deze rand van onzekerheid niet echt last hebben.
Trouwens, deze beschouwing vraagt niet van ons, dat wij deze rand voor betekenisloos zouden houden.
We hebben daarin toch met eerbiedwaardige overlevering te doen.
En soms, van een bepaalde zijde erop toestappend. zeg je: hé, ik geloof dat ik begrijp wat daar bedoeld is, ik zie het geldige ervan. Maar zulke schriftuitspraken zijn dan toch minder geschikt om er algemene en voor alle tijden geldende gedragslijnen uit af te leiden. Ze hebben een beperkt en op situaties afgestemd gezag en bewegen zich bovendien op gebieden waarop een christen sterk moet kunnen relativeren.
T.a.v. de kinderdoop bijvoorbeeld ben ik op goede gronden van mening dat de Schrift die bedoelt, Toch doe ik er moeite voor, dit punt ook weer te relativeren. Niet in die zin dat in onze gemeenten tweeërlei praktijk terzake zou moeten worden gedoogd. Dat lijkt me namelijk verwarrend. En behalve dat ook moeilijk omdat verbondsdoop en geloofsdoop eik een eigen geestelijk klimaat meebrengen.
Nee, relativeren betekent hier dat ik geen moeite heb (probeer te hebben) met het voluit bijbelse karakter van een gelovige baptistengemeente, inklusief het omstreden punt. Het bijbelse karakter, ook op het genoemde verschilpunt ,blijkt namelijk uit het serieuze en vrome beroep op de Schrift, al leidt dat - dan ook in deze aangelegenheid tot andere uitkomsten dan welke ik voor juist houd. Niet alles in de Schrift is nu eenmaal even duidelijk.
Ik denk wel eens: de Here God heeft onduidelijkheden in Zijn Woord toegelaten, in de eerste plaats om onze lust tot uitzoeken en ophelderen te prikkelen ("Het is Gods eer een zaak te verbergen, maar der koningen eer een zaak uit te vorsen', Spr. 25 : 2 en: "ijzer scherpt men met ijzer; zo scherpt de ene mens de ander", Spr. 27: 17), en vervolgens om ons relativeringsvermogen en onze tolerantie te testen. Hoe bewonderenswaardig sommige mensen dat kunnen!
Op een ondergeschikt punt een duidelijk en klaar standpunt Schriftuurlijk verdedigen en datzelfde standpunt bijna in één adem vanuit de hoofdzaak relativeren! Als ik iemand zo bezig zie, hou ik voor zijn schriftgeleerdheid niet mijn hart vast ("Waar blijven we ... ?"), maar dan denk ik (probeer ik te denken): wat zullen de hoofdzaken bij hèm veilig zijn!
Glibberig, zo'n onderscheid? Griezelig, zo'n opvatting? Maar het zou toch vreemd zijn wanneer wij na twintig eeuwen Schrift lezen nog niet in staat zouden zijn, hoofden bijzaken te onderscheiden?
Juist de historische afstand zou ons in staat moeten stellen, in dit onderscheiden trefzeker te werk te gaan.
Ik mag bij dit eerste punt de lezer wel vragen, mij niet te snel te veroordelen en op de hoop van de moderne Schriftaanranders te smijten.
Laat mij nog eenmaal zeggen wat mij van hen onderscheidt.
Behalve dat zij met behulp van de bijzaken ook de hoofdzaken relativeren, vind ik hun geschrijf cynisch en weinig gekleurd door de vreze des Heren. Vaak lijkt het wel, alsof zij 't over een pond sinaasappelen hebben in plaats van over hun Schepper en Weldoener en Zijn heilig Woord. Van de andere kant, degenen die zeer sterk hameren op de absolute onfeilbaarheid van de ganse Heilige Schrift, kenmerken zich vaak door onkunde als het gaat over de détails van de inhoud.
Dit komt, zo is mijn ervaring, zo vaak voor, dat ik tussen het een en het ander een samenhang, zelfs een onderlinge afhankelijkheid vermoed: "Laten we maar niet al te nauwkeurig lezen, want daar komen alleen maar moeilijkheden van".
2. Ten aanzien van de Belijdenis
Om dezelfde reden als bij het vorige punt genoemd, namelijk het historische karakter ervan, zal men het onder ons in het algemeen niet meer opnemen voor het dordtse ondertekeningformulier: alle stukken in alles met Gods Woord in overeenstemming. Veel meer slaat bij ons een formulering aan die uit de belijdenisstrijd van de vorige eeuw stamt, dat de binding aan de drie formulieren van enigheid onbekrompen en ondubbelzinnig zal zijn. De belijdenisgeschriften lezend, (gebeurt dat wet voldoende?) beseffen wij dat wij bij de Schrift en wel bij de kern van de Schrift gebracht worden.
Dat is het mooiste getuigenis dat wij ze kunnen geven. En daarom willen wij ook van harte verder gaan op de weg die onze vaders ons daarin gewezen hebben. Mensen die deze band aan het verleden, om wat voor reden dan ook, willen doorsnijden, wijzen we af. De belijdenisgeschriften zijn voor ons de sleutel der kennis: zo gaan wij met de Schrift om. "Zo lezen wij". (Vergelijk Luk. 10: 26: "hoe leest gij?").
Ieder die wel eens met een Jehovagetuige of een christenmarxist gepraat heeft, zaî dit onmiddellijk beamen.
Tegelijk zeggen we, dat de historische belijdenisgeschriften iets situationeel bepaalds hebben en dat hel mogelijk moet blijven dezelfde dingen onder een heel andere gezichtshoek te belijden. Maar dan zal wel de overeenstemming van ons geloof met dat van vroeger tijden in het oog moeten springen en - om nog iets belangrijks te noemen - zo min als vroeger zal de scherpe afwijzing van de dwaalleer kunnen ontbreken. Herformulering van het geloof mag de vaagheid niet begunstigen, zoals bijvoorbeeld het geval is met de nieuwe roomse catechismus. Een van de functies van de belijdenis is dat wij de grote leugenaar onderkennen en het allesbeheersende front zien lopen.
3. Ten aanzien van het kerkverband
De Nederlands Gereformeerde Kerken moeten m.i. zoeken naar een kerkverband waarin een reële en geformuleerde geloofsverbondenheid heerst, die toch ruimte laat voor plaatselijke kerken tot zelfstandig nadenken en beslissen op punten, die het christelijk samenleven der kerken niet echt verstoren.
Vinden echter andere kerken dat zulke aangenomen standpunten en/of gedragingen in strijd brengen met Schrift en belijdenis, dan verplicht de broederband tot gesprek en geduld, wat in de praktijk niet mag betekenen dat het behoudend element altijd aan het langste eind trekt. Kortom, we moeten, als ik het juist beoordeel, een kerkverband zoeken met een speelrand. waarin ook het experiment een wettige plaats heeft waarin in rustige argumentatie de voors en tegens van bepaalde aangenomen of aan te nemen gebruiken worden afgewogen en in de praktijk getoetst. Een kerkverband niettemin, dat voor een geestelijk oordelend mens niets aan duidelijk te wensen overlaat.
Kernvraag
In deze drie punten, waarvan iemand misschien onwelwillend zal zeggen, dat zij het zoeken verwoorden naar de vierkante cirkel, is dit de kernvraag: zit er een rand van onzekerheid aan de Schrift, ja of nee? Indien niet aan de Schrift, dan ook niet aan de belijdenis, dan ook niet aan het kerkverband. Maar als er zo’n rand wel aan de bijbel zit, dan zie ik duidelijk een eigen plaats en taak voor onze kerken binnen de gereformeerde gezindte om namelijk ten overstaan van onze geestverwante kerken het evenwicht tussen gebondenheid en vrijheid voor te leven. "Ootmoedig en bescheiden", - maar dat zal iedereen ook zonder dat we 't zeggen van ons wel willen aannemen (hoop ik!).
Maar wij zulten over onze identiteit in het reine moeten komen.
Weigeren wij daarover na te denken en zeggen wij dat wij niets anders willen zijn dan christelijke kerken, dan nemen wij de pretentie van de binnenverbanders dat zij de enige ware kerk zijn, zwijgend over.
Ook die welke dat nadrukkelijk ontkennen.