JEREMIA
1979-09-14
Waakzaamheid gevraagd- Jaargang 23
- nummer 34
Ismaël komt met een gevolg van tien mannen zijn opwachting maken bij Gedalja. Ze worden gastvrij onthaald.
Maar als ze aan tafel zitten, springen ze plotseling in de benen en steken ze Gedalja overhoop. Het verrassingselement is zo groot, dat ze ook de andere gasten en zelfs de babylonische wachtpost kunnen vermoorden.
Nog heeft er niet genoeg bloed gevloeid.
De volgende dag passeren tachtig pelgrims Mizpa. Ismaël lokt hen de stad in en vermoordt hen daar, op tien na die voorraden voedsel in ruil voor hun leven kunnen aanbieden.
En dan trekt Ismaël met heel de bevolking van Mizpa en met de prinsessen als gevangenen bij zich naar Ammon. Al deze mensen moeten dienen als gijzelaars. Zo kan hij onderhandelen met de andere officieren en de vrijheid van de gijzelaars aanbieden in ruil voor de erkenning van zijn gezag.
Zijn opzet lukt niet. Johanan en de andere officieren achtervolgen Ismaël.
Wanneer ze hem ingehaald hebben, nemen zijn gevangenen massaal de benen en lopen over naar Johanan. Ismaëls handlangers zijn te weinig in aantal om dat te kunnen verhinderen of om slag te kunnen leveren.
Ze slaan onmiddellijk op de vlucht. Ismaël zelf weet met acht handlangers te ontkomen naar Ammon. Zijn plan is niet geslaagd. Maar hij heeft het wel klaar gespeeld om het fijne nieuwe begin, dat onder leiding van Gedalja zo goed van stapel liep, een zware slag toe te brengen. Zijn zinloze slachtpartij brengt dat nieuwe begin in groot gevaar.
Zulke dingen kunnen gebeuren. Waar de HERE een nieuw begin mogelijk maakt, zal de satan proberen een spaak in het wiel te steken en het te laten mislukken. Hij heeft daar niet eens veel mensen voor nodig. Een dozijn is al genoeg. Een dozijn mensen kunnen heel zo'n nieuw begin op losse schroeven zetten en een zware slag toebrengen. Zo kwetsbaar is de gemeente.
Of neen, ik kan beter zeggen: zo veel macht bezit de satan nog. En wanneer er dan gebrek aan waakzaamheid is, grijpt hij zijn kans, Gebrek aan waakzaamheid. Zo moeten we de sympathieke integriteit en het grenzeloze vertrouwen van Gedalja toch wel noemen. Het maakt hem sympathiek. Maar hij schiet daarin toch tekort in zijn verantwoordelijkheid tegenover het volk, waarop Johanan hem terecht gewezen had. Zo funest kan een gebrek aan waakzaamheid zijn. ~ Het nieuwe begin is nu in de crisis.
Nog is niet alles verloren. Want Ismaël is niet volledig in zijn opzet geslaagd. En als God een nieuw begin wil geven, staat of valt dat natuurlijk niet met één leider. Nu Gedalja weggevallen is, hangt het verder van de houding van het volk af of het nieuwe begin en het door God gezegende leven nog levensvatbaarheid zullen hebben.
JEREMIA 41 : 16-43 : 7
Paniek
Paniek is het woord dat je gebruiken moet om de situatie te karakteriseren, waarin de achtergeblevenen in Juda zich na de moord op Gedalja bevinden. Hun kleine, stille vijvertje was in hevige beroering geraakt. De angst voor de Babyloniërs laaide hoog op. Ze hadden met eigen ogen gezien hoe de Babyloniërs hadden huisgehouden in Jeruzalem. Het waren beslist geen lieve, zachtzinnige jongens.
En Nebukadnezar was geen man om mee te spotten. Ze waren er zeker van, dat hij repressaille-rnaatregelen zou nemen en met harde wraakacties zou komen, zodra hij vernam wat er gebeurd was. Ze zagen het nieuwe begin in Juda niet meer zitten. Als ze in Juda bleven, konden ze slechts één ding verwachten te zien: Ismaël, de moord op Gedalja, de Babyloniërs, de toom van Nebuten: de Babyloniërs zouden komen, een slachting onder hen aanrichten en de rest naar Babel voeren.
De angst daarvoor bracht hen in paniek.
Er was slechts één gedachte bij hen: vluchten. Daarom nemen ze vanaf Gibeon, waar ze de gijzelaars bevrijd hadden, niet de weg naar het Noorden, naar Mizpa, maar gingen ze in één ruk door naar het Zuiden, richting Egypte. Egypte was voor hen het enige lichtpuntje, hun enige houvast en toevlucht.
Ziet u hoe critiek de situatie nu wordt? Dat Gedalja vermoord was, een man die In de lijn van Jahweh aan het nieuwe begin leiding gaf, was natuurlijk een zware slag. Dat was zonder meer het werk van de satan. Maar natuurlijk was dat nieuwe begin niet het werk van Gedalja en ook niet van hem afhankelijk, maar van Jahweh. Als Hij wil bouwen, wie zal dan 'afbreken?
De fout van de Judeeërs is, dat ze alleen maar mensen aan het werk kadnezar. Ze denken dat hun geschiedenis en hun toekomst door mensen bepaald wordt. Maar ze vergeten de HERE. Niet wat Nebukadnezar maar wat Jahweh van plan is, bepaald hun toekomst. Ze zijn er zo van overtuigd dat ze in dit geval zelf de toekomst kunnen voorspellen, dat ze zioh geen moment afvragen wat Jahweh van plan zou kunnen zijn en hals over kop wegvluchten naar Egypte.
Vraag toch Jahweh
Ze gaan naar Egypte. Dat moeten we even goed proeven. Egypte is in de Schrift het slavenhuis de vuuroven, waaruit Israël door Jahweh was bevrijd.
En terugkeer naar Egypte was volgens de Schrift een oordeel van de HERE. Als het volk Hem ontrouw zou worden en zich van Hem zou afkeren, zou de HERE het volk terugbrengen naar Egypte om daar weer een slavenbestaan te leiden (Deut. 28: 68). Dat zou een van de straffen van Jahweh zijn.
En daar gaan ze nu vrijwillig heen.
Ze gaan het beloofde land verlaten en terugkeren naar het slavenhuis, helemaal uit eigen beweging.
Dat is een ingrijpende zaak. En het begint tot hen door te dringen, dat het niet aangaat zo'n drastische stap te doen zonder Jahweh erin te kennen.
Vandaar dat ze met z'n allen, de kinderen incluis, naar Jeremia gaan. Ze bevinden zich dan inmiddels al een eind op weg naar het Zuiden, ter hoogte van Bethlehem, Hun verzoek aan Jeremia klinkt goed. Bid toch voor ons, voor dit hele overblijfsel, tot Jahweh, uw God, zeggen ze. Zie toch eens hoe we er aan toe zijn: een kleine, ontredderde groep mensen. Vraag toch dat Jahweh ons laat weten welke weg we moeten gaan en wat we moeten doen.
Dat is een goed verzoek. De kernvraag is immers altijd weer: HERE, wijs Gij ons de weg die we moeten gaan. Dat moeten we altijd vragen, zeker in critieke situaties. En als die vraag centraal staat, mag de situatie nog zo critiek en dreigend zijn, maar dan zijn we toch op de goede weg.
Jeremia is dan ook onmiddellijk bereid op hun verzoek in te gaan. Maar in zijn antwoord klinkt toch iets van reserve door. Jeremia twijfelt er een beetje aan, of de bereidheid om werkelijk Gods weg te gaan wel bij hen aanwezig is. Hij heeft· al die tijd onder hen verkeerd. Hij heeft hun gesprekken aangehoord, hun angst geproefd.
Hij heeft gemerkt dat de wil om naar Egypte te gaan zo sterk is, dat ze de mogelijkheid van een andere oplossing niet eens serieus, willen overwegen.
-Daarom zegt hij: ik zal doen wat jullie vragen. Maar jullie moeten goed beseffen, dat ik jullie het volledige antwoord va1f Jahweh zal doorgeven en er niets van achter zal houden, ook niet als het jullie tegen de haren instrijkt en een heel andere kant uitwijst dan jullie willen. Ik ga jullie niet naar de mond praten. Geen enkel woord zal ik verzwijgen.
De Judeeërs hebben de reserve in Jeremia's woorden wel horen doorklinken, Ze verzekeren hem: zit daar maar niet over in. Of Jahweh's woord nu goed uitvalt of slecht, we zullen het doen. En ze roepen Jahweh zelf tot getuige: Jahweh zij ons een waarachtig en geloofwaardig getuige, dat we naar zijn stem zullen luisteren.
We weten toch immers veel te goed, dat 'daar ons welzijn van afhangt.
Aanbod van heil en leven
Het duurt maar liefst tien dagen voordat het woord van Jahweh tot Jeremia komt. Tien dagen lang moeten de Judeeërs wachten.
U moet u even proberen in te denken wat dat voor hen in die situatie betekende. De grond brandde onder hun voeten. Elke dag wachten verkleinde hun voorsprong op de Babyloniërs.
En in een sfeer van angst gedijen bijzonder goed allerlei geruchten, die de angst nog meer vergroten.
De angst voor de Babyloniërs groeide met de dag. Elke dag pleegden de officieren overleg met elkaar: wie heeft er iets gehoord? Is er iets bekend geworden over babytonische troepenbewegingen? Is er al een strafexpeditie in aantocht? Heeft iemand al iets gehoord van Jeremia? Er moet nu toch gauw antwoord van Jahweh komen. We kunnen niet lang meer wachten. De tijd dringt.
Zo verstreek dag na dag. De angst en het ongeduld en de spanning groeiden met het uur. En dan worden ze na tien dagen eindelijk door Jeremia geroepen. Daar zitten ze dan om hem heen: de officieren en het volk van groot tot klein. Er hangt iets van opluchting in de lucht. Nu kunnen ze dan tenminste eindelijk spijkers met koppen slaan. Gelukkig is het nog niet te laat.
Maar dan krijgen ze een koude douche.
Zo zegt Jahweh, de God van Israël: als ge rustig in dit land blijft, zal Ik u bouwen en planten. Want Ik heb berouw over het kwaad dat Ik u heb aangedaan. Wees n:iet bang voor Nebukadnezar. Want Ik ben met u om u te verlossen. Ik zal zijn hart bewerken, zodat hij u geen kwaad zal doen en u niet in ballingschap zal voeren, maar u hier zal laten wonen.
Dat is evangelie, goed nieuws. Jahweh is met u. Hij heeft het goede met u voor. Hij wil het nieuwe begin continuëren. Duidelijker kan het niet gezegd worden, dat het nieuwe begin niet van mensen afhankelijk is. Gedalja is wel vermoord. De satan heeft wel een klap toegebracht. Maar dat hoeft niet het einde te betekenen. Ga gerust door in vertrouwen op Mij.
Dan gaat het goed. Ik bescherm jullie tegen de Babyloniërs.
Maar als jullie naar Egypte gaan met de gedachte, dat dat de enige manier is om veilig te zijn en voorgoed buiten het bereik van de Babyloniërs te komen, dan zullen jullie juist de verschrikkingen die jullie proberen te ontvluchten, in de armen lopen. Dan zal mijn toorn en mijn gramschap jullie daar treffen en vernietigen.
Dat is het woord van Jahweh. Het is helder en niet voor misverstand vatbaar. Het is een boodschap van heil en leven voor wie er naar luistert.