Pseudoniemen: Voer voor nieuwsgierigen (2)
1979-09-21
De vorige week hebben we de vraag naar het "waarom" van de schuilnamen aangesneden. Nu, daar was wel, globaal, een antwoord op te geven.- Jaargang 23
- nummer 35
De vraag naar de betekenis van pseudoniemen is veel moeilijker te beantwoorden.
Gelukkig niet van alle, want er zijn schuilnamen die zonder meer duidelijk zijn. Als Henriëtte Roland Holst schrijft onder de naam "In liefde bloeiende" behoef je naar de betekenis niet te raden.
Dat geldt ook voor pseudoniemen als Trijntje Fop, Kris Kras, Ton van Tast, G. Schrijver, P. S. E. Udo, drs. Nadorst, Pen de Laar, Patriot, en, om met deze categorie te stoppen, Frits de Zwerver. Alhoewel, als je van de laatste weet dat het ds Frits Slomp was, de verzetsstrijder, die tijdens de bezetting deze naam gebruikte, zegt het je toch meer.
Ook het pseudoniem van Willem Eduard Keuning, "Willem de Merode", is niet zo moeilijk. Het zegt iets over de moeite, de zorg en de nood van de schrijver. Maar ook hier geldt: Als je de schrijver kent zegt het pseudoniem veel en veel meer.
Moeilijker wordt het als de schuilnaam op de één of andere wijze iets met de eigennaam van de auteur te maken heeft.
Wanneer je iets leest van een zekere E. Kok, zegt je die naam alleen maar wat als het over culinaire zaken gaat. Maar als je weet dat Okke Jager er zich achter verschuilt, behoef je maar iets van letterkeer te weten en je snapt het.
Dat geldt ook voor de schuilnaam die Roel Houwink eens gebruikte, te weten, H. van Elro.
Om op dit stramien nog even door te borduren, de bekende schrijver van detectiveromans, Ivans, heette J. van Schevichaven. Nu, hans klinkt niet, maar Ivans wel.
Ook de niet minder bekende schrijver van speurdersromans, Havank, leidde zijn schuilnaam af van zijn eigennaam, die H. van de Kallen luidt.
En, niet te vergeten, Jan de Hartog die in één klap beroemd werd met zijn roman "Hollands Glorie", schreef daarvóór detectiveromans onder de naam F. R. Eckmaar, die een toespeling moet zijn op "verrek maar".
Dat de naam Guillaume van der Graft heeft te maken met de naam Willem Barnard is voor hen die iets van de franse taal weten, althans wat de voornaam betreft, wel duidelijk. Maar de achternaam is wat raadselachtig.
Gelukkig dat G. Puchinger in het de vorige week genoemde interview, hem ernaar heeft gevraagd. "Hoe kwam je juist aan die naam?"
vroeg hij hem. Het antwoord luidde: "Omdat ik indertijd nog dacht dat Barnard een hugenoten-naam was heb ik mijn voornaam verfranst. Wilhelmus werd Guillaume, en ik verzon er een oer-hollandse achternaam bij.
Wat is hollandser dan een gracht? Met de verschuiving van de eh-klank naar de f, heb je de naam Graft."
U ziet het, je moet er maar opkomen. Als hij het zelf niet had verteld was ik er nooit achter gekomen.
De dichter J. C. Bloem heeft zijn naam eens verlatiniseerd. Als pseudoniem gebruikte hij de titel van een gedicht van Guido Gezelle, dat begint met de regel: "Ik ben een blomme en bloeide vóór uwe ogen", en dat als opschrift heeft "Ego Flos", dat letterlijk betekent: "Ik bloem". Prachtig gevonden.
Ook Alexander Pola is een pseudoniem dat te maken heeft met de eigennaam, want die luidt: Abraham Polak.
Overigens, een schuilnaam kan zo bekend zijn, dat bijna iedereen denkt dat het de eigennaam is.
Dat geldt ook voor Michel van der Plas, die we de vorige week noemden.
Kende U de naam Bernardus Gerhardus Franciscus Brinkel? Zo niet, dan behoeft U zich echt niet te generen.
Ten besluite: Er is een boek dat als titel heeft "Pseudoniemen", uitgegeven door De Harmonie, Singel 390, Amsterdam.
Het is biezonder leuk in elkaar gezet, namelijk zo dat je er van twee kanten in terecht kunt. Het heeft zogezegd twee voorkanten.
De ene heet "Pseudoniemen" de andere "Auteursnamen". Je moet dus steeds even opletten welke kant voorligt, maar boeiend is het altijd.
Je kijkt bijvoorbeeld bij de Auteursnamen en ziet staan: K. Schilder.
Hé, heeft die ook al een pseudoniem gebruikt? Ja, hoor. Het luidde: Adolf Venator.
Ik weet dat Adolf de voornaam was van een bekende dictator, en dat Venator, jager betekent. 't Zal, zo denk ik, dus wel iets met de bezettingstijd te maken hebben. Maar 't blijft een gok.
.Dat P. Jongeling de naam Piet Prins gebruikte, weten we allemaa1 wel, maar dat hij zich ook wel verscholen heeft achter de naam A. Mos, is, dacht ik, minder bekend.
K. G. van Spronsen kent iedereen in onze kring onder de naam Rudolf van Reest. Hij heeft, althans volgens genoemde bron, maar één pseudoniem.
Dat is ook het geval met Joop den Uyl, de oud-premier. Die schreef indertijd onder de schuilnaam Ernest Noack.-Hij deed dat, als ik het goed heb, in Vrij Nederland.
Ook maar één pseudoniem, zo schreef ik. Nu, er zijn schrijvers die er heel wat meer op hun geweten hebben.
Bij Herman Heyermans telde ik er acht en twintig, waaronder de bekende Polletje Piekhaar. Bij Hugo Verriest, de vlaamse priester en schrijver, vriend en bewonderaar van Guido Gezelle, telde ik er vijftien.
Zo ziet U. Niets te veel gezegd in de titel van dit en het vorige artikel, want pseudoniemen zijn voor een nieuwsgierig mens biezonder interessant.