De man die jaloers was op zijn broer

1980-05-16
  • Jaargang 24
  • nummer 20
Als u wel eens in Brabant bent geweest hebt u vast wel eens gehoord dat onze lieve Heer rare kostgangers heeft. Die kostgangers heeft hij niet in de hemel maar hier op aarde. En de aarde is groter dan Brabant zodat u 'er vast wel eens één bent tegengekomen. Trouwens, misschien zie ik er wel één als ik ti tegenkom en ontdekt u er één als u mij ontmoet. Maar goed, dicht bij mij in de buurt woont ook zo'n vreemde vogel.
Eerst waren er twee, twee broers, maar een jaar of vier geleden is er één gestorven. Als je de nog levende broer geloven mag is eigenlijk de verkeerde gestorven. Eigenlijk had hij - die nu nog leeft dus - eerder moeten 'gaan'.
Maar ja, zulke dingen gebeuren niet op bestelling. Daar is Jan inmiddels ook achter gekomen.
't Was een apart stel, die twee bij elkaar. Toen ik ze leerden kennen waren ze al in de zestig, laten we zeggen dat Jan 62 en Kees 65 was. Ze woonden samen op een boerderijtje aan de Linge. Voor wie het met de aardrijkskunde 'wat moeilijk heeft vertel ik er maar bij dat de Linge een riviertje is dat dwars door de Betuwe stroomt, van Oost naar West tot bij Gorinchem.
Behalve Jan en Kees waren op die boerderij een stuk of eten beesten, een stel konijnen en klippen en natuurlijk een aantal katten. Groot was de hele 'bedoening' niet, slechts een paar bunder land (voor de stadsmens: een bunder is één hectare). De jongste broer Jan was al vanaf zijn jeugd wat krakkemikkig. Ik kan dat woord niet goed vertalen maar het heeft iets te maken met een krakende wagen die het lang kan volhouden. Jan wàs zo'n krakende wagen. Hij wist dat zelf ook heel goed en hij vertelt er nu nog smakelijk van dat hij 'als jongen eigenlijk al niet sterk was. Z'n hart is niet best, z'n longen waren vroeger al niet goed en z'n maag is ook z'n leven Iang van streek geweest. Als je dat allemaal goed overweegt is het een wonder dat Jan er nog is. Dat vindt hij zelf ook.'vijftien jaar geleden vertrouwde hij me al toe dat hij het wel niet lang meer maken zou.
Maar Jan is er nog steeds. En z'n broer die eigenlijk weinig mankeerde liet het vier jaar geleden opeens afweten. Ik vertel dat zoals Jan er zelf over praat. Hij is niet gewend om God er bij te halen, daar heeft hij moeite mee. Maar Kees ging opeens dood, in een paar dagen was het gebeurd. Hij werd niet goed op het land, hij werd vanaf het land de ziekenwagen ingedragen en de aardappelen bleven ongerooid achter en twee dagen later was hij dood en weer vier dagen later werd hij begraven. En op de avond van de begrafenisdag bleef Jan alleen achter, vol verbazing dat niet hij maar zijn broer was begraven.
Dat het hart van z'n broer slechter was dan het zijne was een grote tegenvaller voor hem. Als u nu denkt dat Jan graag dood gaat dan hebt u het mis. Want hij heeft nogal onzekerheden op dat punt.
Eigenlijk houdt hij God er het liefst buiten, dat vindt hij het gemakkelijkst, Alleen is hij er niet zeker van of God er echt wel buiten stáát. Daar denkt hij 'wel eens over na, maar dat Kees eerst begraven werd was een tegenvaller voor hem. Opeens was niet hij de zwakste maar z'n broer in de kist.
Intussen is Jan er nog steeds. Met 'boeren' is hij 'Opgehouden. Hij heeft z'n tuin nog en daar heeft hij genoeg aan. Tenslotte moet hij aan z'n hart denken èn aan z'n Longen en aan z'n maag... En als je aan hem vraagt hoe het gaat zegt hij telkens precies hetzelfde: 'Och, 't is niet veel met me...' En dat zal hij wel blijven zeggen totdat de wagen ophoudt met kraken.
't Is niet veel met me... Ten diepste kan hij het nog steeds niet verkroppen dat Kees hem voorging.
Er valt van Jan nog veel meer te vertellen, Hij is niet onvermogend, maar hij is niet te beroerd om elk jaar vast wat weg 'te geven aan zijn neven en nichten. Hoe hij ook tegen de dood aankijkt, hij is niet van plan om z'n spaarbankboekjes mee te nemen in de kist.

Soms leest Jan in de bijbel en af en toe komt de dominee op bezoek. Naar de kerk gaan doet hij 'niet meer, u snapt het al: z'n benen waren ook niet meer 2lO best.
En zo sukkelt Jan elke dag opnieuw door. Totdat de wagen niet meer kraakt maar stilstaat.
Ik zei al dat de dominee af en toe bij Jan op bezoek komt. Geen van beiden vinden ze er wat aan. Jan niet omdat hij vindt dat de dominee maar wat kletsen de dominee niet omdat hij het zo moeilijk vindt bij Jan 'achter het vestje te komen'. Toen ik die dominee laatst zag 't is een hervormde maar die kom ik ook wel eens tegen - vroeg ik hem weer eens naar Jan toe te gaan. Weet u wat hij toen antwoordde: 'U hebt gemakkelijk praten..."
Ja, als wij al moeite hebben met lastige kostgangers om te gaan dan zal de Heer er ook wel eens moeite mee hebben. Maar God kan het áán omdat hij zachtmoedig en barmhartig is èn luisteren kan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief