Zijn alle godsdiensten gelijk?

1980-05-30
  • Jaargang 24
  • nummer 22
e. Gaan alle mensen buiten het christendom verloren?
Deze vraag komt in heel veel gesprekken zowel binnen als buiten de kerk naar voren: zowel wie overweegt in Jezus te gaan geloven als de weg, de waarheid en het leven, als zij die van jongs af in Hem geloofd hebben komen vroeg of laat vóór die vraag te staan: maar wat gebeurt met al die mensen die dit evangelie nooit (echt) gehoord hebben? Wat zegt de bijbel hierover?
Vanaf het begin van de bijbel valt ons op dat ook op deze vraag het antwoord van toepassing is dat de manier waarop de Here mensen tot Zich trekt door het Evangelie wel normatief is, maar niet exclusief.
Zeker: de weg waarlangs de gevallen kinderen van Adam tot Hem getrokken worden, is door het Woord: de bijzondere openbaring. Maar is dit exclusief? Dat Wit zeggen: Sluit het álle andere wegen uit? De bijbel zèlf is breder: In het O.T. lezen wij hoe veile mensen door de Here aangesproken werden buiten de bijzondere openbaring aan Israël om: bijv. Genesis 14: 18 Melchizedek, Gen. 20 Abimelech, Exodus 18, Jethro, Num. 22: 9 v.v. Abileam, Job, Agur (Spreuken 30) Nebukadnezar en wat te denken in het N.T. van de uitspraak in Handelingen 18: 9 en 10 waar de Here zegt tegen Paulus als aanmoediging om het evangelie te gáán verkondigen: "Ik heb veel volk in deze stad"?
Ik weet wel dat deze bijbelplaatsen niet mogen worden gebruikt om het woord van Petrus af te zwakken dat er maar één Naam onder de hemel gegeven is waardoor wij moeten behouden worden (Hand. 4 : 12). Toch blijkt steeds weer in heel de bijbel dat de Here een geschiedenis heeft met ieder volk (Amos 9 : 7) en met ieder mens. "Er is bij God geen aanneming des persoons, maar onder elk volk is wie Hèm vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig" (Hand. 10 : 35).
Dit laatste betekent niet dat er een heilsweg is buiten Christus om, want anders behoefde Petrus niet naar Cornelius toe te gaan. Juist omdat Cornelius de Here vereerde en gerechtigheid deed mocht hij als een der eerste heidenen het goede nieuws horen van de vrede door Jezus Christus, door Wie ook hij gered is geworden (Hand. 10 : 36), en datook hij met grote dankbaarheid aannam. De unieke heilsweg blijft dus ook in Hand. 10 gehandhaafd terwijl er anderzijds oog is voor het universele van Gods werk in de harten van talloos vele andere mensen die buiten staaneen voorbereidend werk, een voorlopig werk, een werk dat straks in Christus zijn voltooiing vindt. De weg van Christus is wel normatief maar niet exclusief.
Dat maak ik ook op uit de vele bijbelse woorden met dezelfde inhoud als die in Ps. 51: 18, 19: Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen. De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God. (vgl. Jes. 57 : 15). Er hangt iets universeels over dit laatste woord uit Ps. 51. Zou er ooit en ergens ter wereld een mens bestaan die met een verbroken en verbrijzeld hart zich uitstrekt naar de God die hij al tastend zoekt en die door de Heer zelf zou worden weggestoten?
Neen, dat betekent niet dat de Here hem zal aanvaarden op grond van zijn verbrokenheid - maar hij zal het hem dankzij het werk van Christus aanrekenen als gerechtigheid, zoals hij het deed met het geloof van Abraham (Gen. 15 : 6). Ik zou hier dus willen pleiten voor een nieuwe nadruk op wat de bijbel leert over het voorbereidend karakter van Gods werk door de Geest in de harten van vele mensen, die het Evangelie nooit gehoord hebben. Dat moet ons uitdrijven tot evangelieverkondiging i.p.v. ons ervan te weerhouden, maar het moet ons tegelijk bewaren voor een te snelle veroordeling van allen die buiten staan - en voor een kleinburgerlijk denken over God. Zijn Geest waait wereldwijd en het werk van Zijn Geest is mensheid omvattend, Bovendien valt het op dat de bijbel zeker in het N.T. alleen maar als " terzijde" over dit vraagstuk spreekt. Er is eenzelfde terughoudendheid in heel de bijbel te bespeuren als wij ook beluisteren in het antwoord van Jezus op de vraag: Heer, zijn het weinigen, die behouden worden? (Luc. 14: 33) Hij antwoordt nl. niet met een uiteenzetting hoe velen het zullen zijn, hij zegt alleen: strijdt gij om in te gaan! En als in een later gesprek één van de discipelen aan Jezus vraagt: Hoe komt het dat gij uzelf aan óns zult openbaren en niet aan de wereld? (Joh. 14: 22) dan antwoordt Jezus niet met ja en niet met neen, maar met een direct appèl aan de vragensteller: als jij mij liefhebt zal Mijn Vader jou liefhebben en wij zullen tot je komen en bij je wonen! Er ligt een terughoudendheid in de bijbel als het gaat om zó grote dingen als het lot van de miljoenen die buiten Israël en de gemeente om, hun leven leven.
Is die terughoudendheid Gods wijzere tactiek. Zo van: als ik hen op dit punt hoop geef, dan houden ze op met zending? Ik denk het niet. Het komt me té tactisch voor. Ik denk veeleer dat er in die terughoudendheid een soort terugdringen ligt op onze taak hier en nu in het klein.
Het is alsof de Heer zegt: laat het grote nu maar aan mij over. Houd jij je aan het kleine wat jou op de handen gelegd wordt. Het is ook een veelbelovende terughoudendheid.
Er broeit iets in God dat ook voor dit ongelofelijk grote vraagstuk van het eeuwig heil van die miljarden mensen buiten het verbond om een oplossing heeft, dat recht doet aan hun verlorenheid en schuld voor God en dat toch Gods gerechtigheid en barmhartigheid in Christus hoog doet schitteren.
Wat is dat? Voor die nieuwsgierige ogen trekt de bijbel een gordijn. Strijdt gij om in te gaan. Verkondig het Evangelie, dring er op aan, gelegen of ongelegen.
Wat daarbuiten gebeurt of zal gebeuren rust in de handen van God die rechtvaardig zal oordelen.

Tenslotte: wie op de vraag: gaan alle mensen buiten het christendom verloren? neen antwoordt "geen van allen", zegt te veel. Wie ja antwoordt zegt ook te veel. Wie "neen" zegt moet de bijbel goed bestuderen op al die plaatsen die spreken van de verschrikkelijke mogelijkheid van de mens om blijvend neen te zeggen tegen God en noemt (2 Thess. 1: 9, Openb. zo in de hel te komen, die de bijbel een plaats van eeuwig verderf 20: 10, Joh. 3: 36 e.a.). De hemel is de plaats waar de mens zegt tegen God "uw wil geschiede". De hel is de plaats waar God tegen de mens zegt 'uw wil geschiede' (O. Jager). Opvallend is dat juist Jezus zo vaak van deze laatste dreigende mogelijkheid gesproken heeft. Wij mogen dat stuk uit zijn onderwijs niet weggummen ten gunste van een leer van de verzoening die meer berust op "wishful thinking" dan op de Schrift. Maar wie anderzijds op de bovengenoemde vraag 'ja' zegt, zegt ook teveel. Ik hoop dat ik hem met de bovengenoemde bijbelplaatsen heb uitgedaagd om groter te denken van God, dan hij tot nu toe deed.
Maar boven ja en neen uit is opvallend de terughoudendheid van de Schrift in deze zo overweldigend grote vraag. Het gordijn van bescheidenheid wordt voor ons opgetrokken - en wij worden uitgedaagd zelf te strijden om in te gaan -en te doen wat wij kunnen om velen te bereiken!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief