Kinderen hebben recht op de doop
2008-12-05
In de afgelopen nummers van Opbouw pleitte ds. Jan Mudde - met handhaving van het gereformeerd belijden inzake de kinderdoop - voor ruimte voor het zegenen ('opdragen') van kinderen, waarvan de ouders bezwaar hebben tegen de kinderdoop. De Opbouwredactie vroeg aan twee predikanten om op de artikelen van Mudde te reageren. In dit nummer de bijdrage van ds. P.H. van der Laan (GKv), in de volgende Opbouw die van ds. C.T. de Groot (NGK).- Jaargang 52
- nummer 24
De vraag naar het opdragen van kinderen zie ik als een uitdaging om grenzen te verkennen. Mag kinderdoop kerkscheidend blijven? Of moet ik met collega Jan Mudde mijn eigen grenzen verleggen?
Ik kijk vanuit mijn positie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Ik bid dat het ingezette proces van vereniging met de Nederlands Gereformeerde Kerken zowel onomkeerbaar als afzienbaar is. De Geest van onze Heer heeft het zo vaak over volharden, dat ik het daar maar op houd. De waarneming van Mudde over groeiende pluraliteit spreekt me sterk aan. Ik wil graag ruimte houden voor diverse inkleuringen van gereformeerde spiritualiteit. Niet alleen de evangelische kleur, maar ook de bevindelijke, de maatschappelijk actieve e.d.
Nu al weer tien jaar geleden heb ik een boekje gepleegd over de spiritualiteit van de doop. Het voorlaatste hoofdstuk gaf ik het opschrift 'verdraagzaamheid' mee. De voorgeschiedenis van onze kerken levert kostbare voorbeelden op van verdraagzaamheid. Maar anders dan Mudde zie ik er geen ontwikkeling in naar meer. Ik zie ze eerder als contextueel bepaalde keuzes. In onze cultuur zijn we sowieso meer gericht op verdraagzaamheid. Die context draagt ook bij denk ik aan Mudde's voorstel om het 'opdragen' te accepteren.
Mijn eigen bijdrage komt hierop neer dat ik geen verantwoordelijkheid durf nemen om kinderen hun recht op de christelijke doop te onthouden.
Doop markeert lidmaatschap
Mudde weet de gronden voor de kinderdoop sterk neer te zetten. 'Je kind het mooiste cadeau meegeven'. Mooi. Maar in het kader van deze probleemstelling vind ik het te weinig. Cadeaus zijn geen ouderlijke verplichting. Maar met dat je kind geboren is, ben je in onze samenleving verplicht ze in te schrijven en te laten registreren. In ons geestelijk samenleven met de Heer is de doop een rechtsgeldige actie. De doop markeert het lidmaatschap van de gemeente. Kinderen hebben recht op de doop. Dat recht vraagt erom erkend en gehonoreerd te worden.
Natuurlijk weet ik ook wel dat water maar water is. En zonder doop worden Gods kinderen ook zalig. Mudde maakt naar mijn idee misbruik van Paulus' opmerking dat hij niet gekomen is om te dopen. Paulus wil zich in Korinte onttrekken aan groepsvorming, maar hij vindt natuurlijk de doop wel nodig. Van onze Heer schrijft Johannes dat hij niet zelf doopte, maar zijn leerlingen (Joh. 4). Ook dat kun je natuurlijk niet in mindering brengen op het doopbevel van Matteüs 28.
De doop is nodig voor de leden van Christus' gemeente. Gods Geest bezegelt de eenheid met Christus, toerekening van zijn dood, toekenning van zijn leven. Fundamenteel is het uit genade geschonken erfrecht. Besnijdenis hoeft niet meer. De doop betekent de intrede in het nieuwe verbond met Vader, Zoon en Geest. Voor je kinderen voltrek je met de doop een rechtsgeldige handeling. Hiermee is de grens aangegeven, denk ik.
Grenzen van verdraagzaamheid
De discussie gaat over de grenzen van kerkelijke zorg en verdraagzaamheid. De kinderdoop staat. En collega Mudde laat die staan. Maar, vindt hij, ook ongedoopte kinderen moeten volwaardig hun plek hebben of krijgen met een persoonlijke en officieel bediende zegen. Ik hoop dat ik de intentie van Mudde goed proef. Hij beroept zich op Jezus' gebaar naar zijn leerlingen om kleintjes niet bij hem vandaan te houden. Met dit beroep kun je twee kanten uit. Aandrang tot dopen van de kleintjes, zoals het doopformulier doet. Of, en dat doet Mudde, stellen dat het niet officieel zegenen neerkomt op het kinderen bij Jezus vandaan houden. Praktijk is dat de kerk de kinderen omarmt in het doopgebaar dat Jezus zelf meegaf. Nu komen er ouders die hun eigen voorwaarden stellen. Ze vragen begrip voor hun gewetensvolle keus. Mudde vindt dat je daar geen nee tegen mag zeggen. Daarbij zijn volgens mij bij hem niet Jezus' woord en gebaar het doorslaggevende argument, maar is dat zijn eigen (voor)oordeel over de wijze van respecteren.
Het is ook mijn ervaring dat ouders het heel serieus bedoelen. Anders gaan ze zo'n discussie niet aan. Op huns inziens bijbelse gronden blijven zij bij hun verzoek om hun kindje te mogen opdragen. Hier brengt Mudde zijn zwaarste argument in. Omdat zo'n kind ook in Christus geheiligd is, behoort het een volwaardige plaats te krijgen. En dus kiest hij voor honoreren van het verzoek. Maar met het liturgisch inrichten van een zegening krijgt het kind nog geen volwaardige plaats. De doop blijft ontbreken. En hoe moet je deze ouders met hun kind pastoraal behandelen? Blijven aandringen op de doop? Of het maar laten tot ze er zelf aan toe zijn? Moet je vervolgens in prediking en geloofsonderwijs omzichtig rekening houden met gevoelens van andersdenkenden in de gemeente? Ik wil graag de geestelijke vrijheid bewaren om ons belijden over de doop helder en indringend over te brengen, op alle niveaus in de gemeente. Als ik moet erkennen dat ongedoopt zegenen ook een rechtmatige optie is, ben ik oneerlijk over ons eigen belijden.
Verantwoordelijkheid goed duiden
Ik denk dat Mudde een verantwoordelijkheid naar de gemeente toetrekt die we niet aankunnen. 'Wat het zwaarste is moet het zwaarst wegen', stelt hij. Ik weet niet wat hij weegt. Onttrekking van de ouders? Onderwaardering van het kind? Geloofwaardigheid van de kerk? In dit verband komt Mudde voor mijn idee nogal stellig over met wat hij ziet als 'de weg van de Heer met de Nederlandse kerken'. De toenadering tussen evangelisch en gereformeerd duidt hij als beweging van Gods Geest. Die overwegingen fungeren als context voor zijn voorstel. Maar op deze manier laat hij weinig ruimte om anders te kiezen. Want wie durft de Heer in zijn Geest te weerstaan? Misschien ben ik vanuit mijn GKv-verleden wat te huiverig geworden voor dit soort waarheidsclaims. In ieder geval zie ik zelf alle ruimte om als kerken duidelijk te blijven over de kinderdoop. En als christenen zich daarmee niet kunnen verenigen, zijn er twee opties: met behoud van innerlijke overtuiging respectvol aanpassen, of kiezen voor een andere kerk met andere manieren van kerk zijn. Juist bij die tweede optie behoud ik graag de winst van de toenadering. Geen vijandige verwijdering, maar samen doen wat kan, met respect voor diepgaande verschillen in belijden. Daar zie ik onze verantwoordelijkheid liggen naar christenouders die niet kiezen voor de kinderdoop.
Ds. Peter H. van der Laan is predikant bij de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) te Meppel. Over de spiritualiteit van de doop schreef hij het boek: Eenmaal gedoopt. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld, 1998, 179 blz.