Sint Kilda - barre natuur
1980-05-30
Waar de warme golfstroom voor een redelijk stabiele temperatuur zorgt, daar ontstaan de bekende Europese depressies in de luchtdruk, turbulente stormen, onweer en enorme neerslag. Het is waar de Mexicaanse warmte het smeltwater van het Poolijs ontmoet: enkele honderden kilometers westelijk van de Schotse kust. Op die piek ligt Sint Kilda: in de keuken van het slechte weer.- Jaargang 24
- nummer 22
De gemiddelde temperaturen op Sint Kilda liggen niet ver beneden die van Edinburgh - maar er zijn stormen geweest, waarvan de "kildans" een week lang doof bleven. Er is eens zo'n storm geweest, dat men wel de bliksem zag, maar de donder niet kon horen. Er zijn talloze stormen geweest, die een aantal schapen over de steile rotsen sloegen, de zee in dreven. Een enkel maal was de bevolking na een cycloon dakloos.
U begrijpt dat de korte zomer gebruikt moest worden om te zaaien, te oogsten, te hooien en ander landwerk te verrichten. Bovendien bracht de komst van een schip een dag oponthoud - hetzij van enkele toeristen, hetzij van de landheer of ander bezoek. Daar tegenover stond de eindloze winter met zijn lange nachten en korte dagen. De vrees voor de duisternis, de stormen, het gevaar. Zouden de voorraden toereikend zijn? Zouden de proviandschuurtjes tegen het geweldige weer bestand zijn?
En al de andere gevaren van de barre natuur. De mannen tegen de honderden meters hoge steile rotsen opklimmend om de gannet (Jan van Gent), de fulmar (Noorse stormvogel) en de puffin (papegaaiduiker, een alk) te vangen - het belangrijkste bestaansmiddel. Of in een open boot naar Borreray, zeven kilometer over het woelige oceaanwater, om de schapen aldaar te scheren. Samen met de honden moesten ze de schapen binnen kralen drijven, vangen en van hun vacht ontdoen. En als de bootna enkele dagen hoogbeladen met wol terugkwam stonden de vrouwen, die de terugtocht door een vuur op de hoge rotsen hadden geweten, aan de rivier te wachten. Die zuchtten opgelucht, wanneer alle mannen behouden aan land waren; graag zeulden zij de zware lasten wol naar het dorp.
Bij diverse tellingen had Sint Kilda 2000 schapen; soms meer, soms minder.
Die liepen voor de helft op het eiland Hirta, voor een deel op Boreray, voor een kleiner deel op Soay. Het Soay-schaap heet een rechtstreekse afstammeling van de moeflon en stamt uit het neolitisch tijdperk. Het is klein, bruin, meer geit dan schaap en volkomen wild; het wordt tot het eigendom van de landheer gerekend. Men schoor deze Soay-schapen niet - maar trok, als men ze in handen kreeg, voorzichtig de oude vacht los, die door de jonge wol wordt afgestoten; iets wat hier in het ruige bergland wel meer gezien wordt. De schapen op Sint Kilda werden 16-20 jaar oud.
Hoewel men bij de evacuatie de meeste heeft meegenomen zijn er honderden achtergebleven.
Het rundvee bestond in 1690 uit 90 stuks, klein, dik en lekker van vlees.
In 1877 waren er 1 stier, 21 koeien, 27 stuks jongvee en 12 kalveren. Bij de evacuatie werden de vier aanwezige kalveren in en boot naar het schip geroeid (dat altijd een kwart mijl uit de kust moest blijven) en de zes laatste koeien moesten, aan de roeiboot gebonden, zwemmend het schip bereiken.
Geiten hebben op Sint Kilda een kort bestaan gehad: ze waren lastig voor de vogels en moesten daarom geslacht worden. Want vogels vormden de hoofdmaaltijd: ze werden bij duizenden gegeten, vers, gedroogd of gezouten. Die vogels leverden niet alleen voedsel - ook ruilproducten voor het mainland. De veren werden gesorteerd verzonden - het leger was de beste afnemer (maar de kildans gebruikten zelf stro in hun matrassen!) De in de vogelmaag aanwezige olie werd gebruikt tegen rheumatiek en vooral geëxporteerd; in het land van de Haarlemmer olie begrijpt men waartoe. De darmen deden dienst als lokaas voor vissen. De beenderen werden gemalen en leverden beendermeel, kunstmest. Op het vet brandden de lampen. Zelfs de snavels werden gebruikt als pinnen om de dakbedekking van huizen en schuren vast te zetten.
Hoewel de eeuwen door enorm veel op deze zeevogels is gejaagd, is de stand onbegrijpelijk hoog: Boreray heeft de grootste Jan van Gent-bevolking ter wereld: in 1960 werden 40.000 paren geteld. Sint Kilda was in 1878 de enige broedplaats voor de fulmar, mogelijk nog. Deze fulmar of Noorse stormvogel legt maar een ei per nest, dat gespaard bleef. Jonge vogels echter werden gevangen, vlak voor ze uitvlogen, Dat ging met de hand of met een strop aan een lange hengel. Toen in 1869 een wet tot bescherming van zeevogels tot stand kwam, werd Sint Kilda uitgezonderd.
De andere vogels, die opnieuw legden, leverden grote hoeveelheid eieren. Honden waren er veel op het eiland: een lenige kleine colIie-achtige bastaard. Ze waren niemands eigendom maar hoorden bij de kolonie.
Kwaad aan de schapen konden ze niet aanrichten, want tijdig werden hun tanden afgevijld of gebroken. Ook konden ze de vogels niet verstoren, want als ze niet gebruikt werden liepen ze "gekniehalsterd": een voorpoot door een lus, die aan de halsband zat.
Ze waren onmisbaar bij het verzamelen van schapen, zoals overal in Schotland. Daar ze uitstekende renners zijn, werden ze op de schapen losgelaten op zodanige afstand, dat ze tijdig de schapen hadden "omgehaald", voor deze in paniek de hoge kliffen opstormden en in zee stortten.
Bij de evacuatie konden de honden echter niet mee aan boord, hoewel veel particulieren en een vereniging van hondenvrienden daar om verzocht hadden. Toen van overheidswege getracht werd de dieren met strychnine te vergiftigen drongen de kildans er op aan, de beesten een natuurlijke dood te gunnen: met een steen om de hals werden ze elk in zee gezet!
In 1831 zijn er 20 ponies ingevoerd maar na 1870 waren ze alle weg. Ze aten te veel gras voor hun geringe diensten. Ook kippen waren moeilijk te houden; die vlogen met de eerste storm in zee en kwamen niet terug. Wel had elk huis een kat: noodzakelijk om de voorraden tegen muizen te beschermen. Wat er van hen geworden is vermeldt de historie niet.
Vissen werd er eeuwenlang weinig gedaan. Men vond de vis niet smakelijk en ongezond; meende er huidzwellingen (allergische aandoening?) van op te lopen. Later ging men er toch toe over. Maar dat 200.000 Jan van Gents per jaar meer dan 300.000 vaten vis opeten liet de mensen koud.
Hun voedsel bestond dus meest uit vlees, later ook vis. Verder weinig groenten als kool en knollen, slechte aardappels, geen tarwe van betekenis.
U kunt zich voorstellen welke uitstekende gebitten de kildans bezaten - geen tandarts kwam er ooit. Er is trouwens wel beweerd, dat de kildans het best gevoed waren in het hele rijk. Bovendien brachten de ontberingen lichamelijke weerstand en het lange winterleven bouwde krachtreserves op voor het inspannende werk van de korte zomer.
Die inspannende werkzaamheden waren naast het schaapscheren vooral het vangen van tienduizenden zeevogels, De gannet huist meest op Boreray - daar moesten de mannen uit de altijd bewegende boot op een glibberige rots springen en na een geslaagde landing tegen de steilten opklimmen. Ze hadden het als jongen geleerd.
Voor het te water laten van de boot waren acht jonge kerels nodig. Er zijn tijden geweest, dat dit minimum nauwelijks gehaald is. Bergijpelijk dat de vrouwen hun manvolk met zorg zagen vertrekken. Elke natuurlijke angst werd door het bijgelovige volk bovendien als "voorgevoel"
vertolkt. En toch leefde dit volk, als alle natuurvolkeren, dichtbij zijn Schepper. Iemand schreef dat ze 's nachts, op een hoge rots zittend en op geschikt maanlicht wachtend, hun Schepper toezongen, die hen in al deze gevaren wilde bewaren. Ze voelden zich "steil afhankelijk", zoals onze vaderen zeiden. Eén misstap immers zou een mensenleven betekenen; één vroege storm kon de oogst wegspoelen.
Het barre leven kan niet beter getekend worden dan door het volkomen gemis aan versiering, laat staan kunst of schoonheid. De zang, zo typisch Schots, was in de loop der eeuwen verstomd; alleen in de kerk werd gezongen - schandalig lelijk. De volksdans, ongetwijfeld van oude tijden bekend, was verstild in de cadans van boot en wind. De vertelkunst, voedingsbodem van de Schotse folklore, ook van het vormend onderwijs, was omgezet in het "parlement", de mannenraad. De lach, althans op Zondag, was verdwenen van de gegroefde gezichten. Van de gewone huwelijks- en gezinsvreugde is nauwelijks sprake: alleen voor een bruiloft was enige drank beschikbaar - die verder voor medicijn bewaard bleef.
De kleiding was ook zonder enige opsmuk: rechttoe rechtaan. De vrouwenkleding werd door de man ontworpen en geweven. De truien, in Schotland zo rijk met Noors-Keltische patronen versierd, werden hier in sobere, sombere kleur gebreid door het vrouwvolk. Trouwringen werden met gedragen: een getrouwde vrouw droeg een geplooide strook op haar hoofddeksel. En als zij enige versiering droeg, een broche, een speld, was die van de klinknagels van een gestrand schip gemaakt…
Waar zo de strijd om het naakte bestaan het levensgedrag beheerste, is het belangrijk na te gaan: hoe zulk een kolonie sociaal in elkaar zat en uit welke religieuze voedingsbodem zij putte.