Nederlands Gereformeerd (4)

1979-09-28
  • Jaargang 23
  • nummer 36
Nogmaals de Schrift
Van David staat geschreven dat toen hij een slip van Saul's mantel had afgesneden, zijn hart hem sloeg. Want koning Saul was de gezalfde des Heren. Nu het lijkt alsof ik van de bijbel een rand heb afgeknipt, moet ook ik zeggen dat mijn hart mij slaat en mijn geweten mij plaagt. Want de bijbel is het Woord des Heren. Van jongsaf is het mij zo goed als iedere andere gereformeerde ingeprent: "Wij vervatten de Heilige Schrifture in twee boeken, des Ouden en des Nieuwen Testaments, welke zijn kanonieke boeken, waar niets tegen valt te zeggen', (art. 4 van de N.G.B.). En nu kom ik, eigenwijs schooljongetje, het vingertje omhoog gestoken: meester, meester ...
parmantig verklaren dat ik er wèl iets tegen te zeggen heb. En dàt niet alleen, maar ik wil dat dan ook nog tot kenmerk van de Nederlands Gereformeerde Kerken verheven zien. Hoe kom ik zo gek?
Uit mededogen met mijn lezers, maar ook voor mijn eigen zielerust moet ik me er nog een artikel lang mee bezig houden. De zaak is het waard, dat we er van wakker liggen.

Het dorsende rund

Ik wil mijn punt dit keer toelichten met behulp van een tekst, die behoort tot een van de geestigste gedeeltes van Paulus' brieven: 1 Kor. 9 : 1-14. De apostel heeft het daar over de regel dat verkondigers van het evangelie ook van het evangelie moeten leven (vs. 14). Nadat hij voor deze regel enige argumenten uit het gewone leven genoemd heeft, gaat hij als volgt verder (vss 8 v.v.): "Spreek ik dit naar de mens, of zegt ook de Wet dit niet?
Want in de Wet van Mozes is geschreven: gij zult een dorsend rund niet muilbanden. Zorgt God soms voor de runderen? Dat zegt Hij toch zeker voor ons? Inderdaad, voor ons werd dat geschreven, want wie ploegt en wie dorst moeten dat beide doen in de hoop hun deel te ontvangen."
Het toepassen van juist deze Mozaïsche wetsregel op zijn situatie van evangelieverkondiger getuigt van grote humor bij Paulus. Voor anderen mag de afstand tussen een prediker en een rund onmetelijk groot zijn, voor de apostel was ze even klein als voor die dominé (was dat Buskes niet?) die toen ze hem herder noemden, zei: zeg maar herdershond, Maar nadat we uitgeglimlacht zijn over de wijze waarop Paulus voor evangelieverkondigers het recht op salariëring bepleit, hebben we toch een vraag: Bent U inderdaad van mening, Paulus, dat God niet zorgt voor de runderen met dat prachtige voorschrift over het beest dat de dors slede over de dorsvloer trekt en bij dat werk best een graantje mee mag pikken? Het is kostelijk dat u voor die oude bepaling zo'n origineel nieuwe toepassing vindt, maar vervalt daarmee de éérste betekenis van het verbod? En wij waren nu juist zo blij dat wij bij Mozes reeds die zorg voor het dier tegen kwamen.
Maar in de bijbel zelf gaat nu dat zonnetje weer wat onder. Jammer!

Binnenbijbelse ontwikkeling
Dat oude voorschriften een nieuwe toepassing krijgen op een ander gebied, kom. je in de Bijbel vaker tegen. Zo zeer zelfs dat je van een binnenbijbelse ontwikkeling kunt spreken. Ik geef daar nu wat voorbeelden van.
1) In Deutr, 24 : 1 v.v. vinden wij het voorschrift dat een vrouw, eenmaal weggestuurd door haar man en daarna hertrouwd, niet meer naar haar eerste man mag terugkeren.
De profeet Jeremia past dat voorschrift toe. op de verhouding tusen sde Here en zijn volk, (Jer. 3: 1).
2) In Haggaï 2: 11 v.v. geven priesters onderricht in de wet ter zake van rein en onrein: de heiligende kracht van het heilige is geringer dan de verontreinigende kracht van het onreine. De profeet past dit gegeven toe op het ethischreligieuze vlak.
3) In Ex. 21 : 35 staat: "Wanneer iemands rund het rund van zijn naaste stoot, zodat heit sterft, dan zal men het levende rund verkopen en zijn prijs verdelen en ook het dode dier zal men verdelen." Geleid door zijn psychologisch inzicht in de moeder-natuur past koning Salomo dit verdelingsprincipe toe op menselijke verhoudingen en brengt zo de zaak tussen de twee vrouwen die hem was voorgelegd, tot een oplossing, (1 Kon. 3: 16 v.v.).
4) In Deutr. 10: 9 had de Here bepaald: "Daarom heeft Levi geen bezit of erfdeel met zijn broederen; de HERE is zijn erfdeel, zoals de HERE uw God tot hem gezegd heeft.". In psalm 16: 5 vindt een niet-levietische gelovige dit zo'n mooi gegeven, dat hij het toepast op zichzelf: ,,0 HERE, mijn erfdeel en mijn beker ... ". Een prachtige greep voor ballingen en emigranten in het oude Israël.
5) In Deutr. 19: 15 bepaalt Mozes dat op de verklaring van twee of drie getuigen een zaak zal vast slaan. Jezus past deze rechtsregel toe op zijn boodschap, die ondersteund wordt door de vetklaring van Hem zelf en van Die Hem gezonden heeft (Joh. 8: 16, 17).
6) Geen voorschrift maar een gebeurtenis: het Schelfzee-wonder dat in Ex. 15 bezongen wordt, zal zich vdlgens Mioha 7 : 14 v.v. nog eens op ander niveau herhalen. Zie de frappante overeenkomsten tussen beide Schriftgedeelten! Zelfs de diepten der zee ontbreken bij Micha niet. Al worden daarin nu niet Egypte's ruiters en paarden, maar Israëls zonden geworpen (vs. 19).

Breedte en diepte
Al deze nieuwe toepassingen hebben dit met elkaar gemeen, dat ze een voortgang laten zien van lager naar hoger. Ik meen dan ook (niet alleen 'trouwens op grond van deze enkele gegevens) dat er in de Schrift als geheel een tendens naar vergeestelijking zit, Ik zal me met deze opmerking wel de toom van zowel orthodoxe als vrijzinnige Schriftuitleggers op de hals halen, maar ik vind niettemin dat wie deze tendens ontkent of bestrijdt, de Schrift totaal onleesbaar maakt.
Alleen, nu is dit het eigenaardige dat deze tendens tot vergeestelijking niet maakt dat het eerdere, het lagere, het meer konkrete, het meer lichamelijke, het meer aardse afgestoten wordt. In het wordingsproces van de bijbel worden ten behoeve van nieuwe bladzijden geen oude uitgescheurd. Het mag er wel eens de schijn van hebben ("Denk niet aan hetgeen vroeger gebeurde ... ", Jes. 43: 18) maar dat is dan omdat het oude als het ware verbleekt bij het ongehoorde van het nieuwe. Maar toch blijf het oude staan en meedoen, zo zeker als de bijbel het uitzicht opent op de wederopstanding des vleses.
Maar, zoals gezegd, Paulus laat bij zijn gebruik van het voorschrift aangaande het dorsende rund in het vuur van zijn rede een stukje 'vlees' vanen. Juist zo'n leuk stukje, waar de dierenbescherming wat mee kan. Dat is jammer. Tot zijn verontschuldiging mag vooreerst gezegd worden, dat Paulus duidelijk een stadsmens was. Dorsende runderen zullen wel buiten zijn gezichtveld gestaan hebben. De schepping als geheel niet (Rom. 8!), maar deze konkrete gestalte en dit kleine onderdeel van de schepping op dit moment wèl, Ben ander en belangrijker punt is, dat mensen die zoals Paulus op 'n zeer indringende wijze kennis gemaakt hebben met Gods hoogste genade die Hij te bieden heeft: die van Ohristus' verzoenings- en verlossingswerk, er moeite mee hebben naast deze bijbelse diepte ook de bijbelse breedheid en konkreetheld vast te houden. Wel niet Paulus zelf, maar toch de geschiedenis na hem laat zien, hoe christenen dieren kunnen mishandelen en het milieu kunnen verslonzen. In de bijbel zelf mt een eigenaardige spanning tussen zijn eigen breedte en zijn eigen diepte.
Wat nu in de bijbel zelf nog bijeengehouden wordt (groot wondert) is in de christenheid, zeker in die van onze dagen, uiteengebroken: evangelische christenen (diepte) en geengageerde christenen (breedte).
Moet er gekozen worden? Misschien, in de eindtijdelijke nood.
De keus zal dan vallen op de diepte.
De breedte moet God dan maar bezorgen in de dag der opstanding.
Wel stellen we die keus zo lang mogelijk uit.

Toedekken of toegeven
Zo zijn we via een luttel teksie toch nog bij belangrijke dingen uitgekomen.
En zonder enige onzekerheid kunnen wij zeggen dat op dit belangrijke punt waarop we uitkwamen de leer van de Schrift volstrekt duidelijk is: we moeten de oudtestamentische breedte en veelheid en de nieuwtestamentische diepte en eenheid beide trachten vast te houden. Toch hebben wij ons verstout om met een bonzend hart de vinger te leggen bij een paulinisch vlekje op deze leer. God zorgt wèl voor de runderen, Paulus!
Voor jou, maar óók voor hen.
En je had daarom beter kunnen schrijven: Zorgt God soms alleen voor runderen? Hij heeft dat toch zeker ook voor ons gezegd? Inderdaad, ook voor ons is dit geschreven . . . enz.".
,,Ja, man, maar zo bedoelt Paulus het toch ook!?" - hoor ik mij nu ongeduldig zeggen. "Natuurlijk bedoelt hij het zo. Dat zie je duidelijk in de rest van zijn brieven. Bijvoorbeeld: "de aarde en haar volheid is des Heren" (1 Kor. 10: 26). Daar zie je duidelijk hoe Paulus over héél de schepping schrijft.
Nou dan ... Je moet dit kleine onderdeeltje, dat misschien iets onduidelijks heeft, gewoon vanuit het geheel van Paulus' brieven verklaren.
Dan is er geen enkel probleem."
Inderdaad, als men vroeger onder ons bij de Schriftuitleg op zulke oneffenheden in de bijbel stuitte, dan zeiden de meest eerlijke verklaarders: non liquet, het is niet duidelijk, en: we moeten het niet duidelijke met behulp van het duidelijke te verklaren. Daarnaast werd het kromme ook wel gewoon recht gepraat, niet zelden door het stapelen van de ene onwaarschijnlijkheid op de andere.
Ik doe over deze dingen niet verachtelijk.
Ze waren uitvloeisel van de leer van de onfeilbaarheid des bijbels, "waar niets tegen valt te zeggen". Uit liefde dekte men de onvolkomenheden toe, zó serieus dat men niet eens meer geloofde dat ze er waren. Gemeenteleden evenwel gingen niet altijd zo ver.
Ik ken ze nog wel, oudere christenen, die ook wel eens zelfstandig over bijbelteksten nadenken en je dan in een gesprek met die onvolkomenheden konfronteren. Maar echte pijn lijden ze er niet onder.
Met een beminnelijke glimlach zeggen ze: " ... maar dat màg u zeker niet toegeven." Nee, dat mocht ook niet. Nu, ze vinden het wel goed, hebben er mee leren leven.
Maar nu groeit een ander geslacht op. Onze kinderen, die vanwege het geloof in Gods Woord in het isolement komen te staan. Ze hebben dat voor .hun geloof over.
Zeggen op tijd in het gesprek: dat geloof ik, omdat God dat zegt in Zijn Woord. Maar deze zelfde jongelui zijn naar binnen toe, naar hun kerken gemeente toe; kritisch. Zij luisteren scherp roe, hoe wij over ons geloof en ook over de Schrift spreken. Zou het ook mogelijk zijn dat wij hun een te zware last opleggen met onze onfeilbaarheidsleer, die ons en hen dwingt het kennelijk kromme recht te praten? In ieder geval doorzien zij het en ze reageren er minder welwillend op . dan vorige generaties. Hebben ze geen gelijk?
Voor de keus gesteld of wij de onvolkomenheden van de Schrift door uitleg zullen verdoezelen of gewoon zullen toegeven, lijkt het wel of je in het eerste geval voor de Schrift en in het tweede geval voor de theologie kiest, Zo wordt 't ook wel gezegd: "Jij heerst met jouw theologie over de Schrift", zal men mij verwijten. Hoewel ik de neiging heb dit om te draaien, zal ik dat niet doen. Laat 't voldoende zijn te zeggen dat we 'in beide gevallen èn met de Schrift te maken hebben èn aan 'theologie doen.

De winst
Maar wat is de winst? Valt bij mijn keus niet een stuk zekerheid weg?
Sommigen zullen zelfs zeggen: alle zekerheid. Ach nee. Ik heb al gezegd dat groter koncentratie op de hoofdzaken mogelijk wordt, zonder angst voor die probleemvolle rand.
Er zou toch veel gewonnen zijn, wanneer we bv. op de catechisatieles verlost werden van de krampachtige, gelijkhebberige, spitsvondige discussies tussen predikant en catechisant over dingen die er echt niet zoveel toe doen? De Schrift al meer onbevangen, met eerbied en blijdschap, ter sprake gebracht kunnen worden. En waar die sfeer rondom de bijbel ontstaat, plant zij zich voort in het geheel van het christelijke en gemeentelijke leven.
Want de keerzijde van een onfeilbare bijbel - is dat niet onze lust tot oordelen? Die hebbelijkheid die alles zo vreugdeloos maakt?

MAAR. .. als iemand mij kan aantonen dat de geringste stap op deze weg met innerlijke noodzaak leidt tot verwoesting van het bijbelse geloof, dan neem ik alles wat ik op dit punt van de Schrift gezegd heb van harte en rouwmoedig terug. Want het is beter de hand van het kritisch vermogen af te kappen, dan met twee handen in het helse vuur te worden geworpen.
Liever een krampachtige weg naar de hemel dan een ontspannen weg naar de hel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief