Vrouwen - ambtsdragers? (1)
1979-10-05
Het verheugt me dat br. Meulink het een goede zaak vindt dat wij met elkaar blijven spreken over de plaats van de vrouw in de gemeente (Opbouw 13-7-'79). Hij verwijst vooral naar de beslissing van de landelijke vergadering. Deze beslissing houdt een beroep op de kerken in met zelfstandig beslissingen tot openstelling van het ambt van ouderling en/of diaken voor zusters der gemeente te nemen en uit te voeren, maar deze aan het oordeel van de zusterkerken in landelijk verband te onderwerpen.- Jaargang 23
- nummer 37
Deze vergadering wil gesprek, en wijst er in feite op dat gesprek slechts mogelijk is als gemeenten niet zelfstandig tot een besluit komen en dit uitvoeren.
Dit is duidelijke taal. Een dergelijk besluit in de praktijk tot uitvoering brengen betekent immers het vóórtijdig ééntijdig beëindigen van het gesprek door die gemeenten. Anderzijds dienen zij, die tegen de vrouw in het ambt zijn of nog geen oordeel hebben, te beseffen dat, zo het tot een gesprek, als gevraagd door de landelijke vergadering, komt dit tijdig beëindigd moet worden.
Dat wil zeggen dat het geen eindeloos gesprek wordt, maar dat er een einde aan is te zien.
De kwaliteit van ons doorspreken zal zich op een bijbels niveau moeten bewegen. Het "hebt uw naasten lief als uzelf" zal zichtbaar moeten zijn in de benadering van onze medebroeders en -zusters in hun argumentatie.
We zullen voorzichtigheid moeten betrachten, teneinde te voorkomen dat zij zich verongelijkt gaan voelen.
En er zo een klimaat wordt geschapen waarin men zich van weerszijden ingraaft in de opvattingen die men heeft.
Het dóórspreken moet een "open" gesprek zijn, waarin ieder bereid is zijn standpunt te verlaten als argumentatie vanuit God's Woord dit vereist. Hier valt te denken aan 1 Kor. 14: 36. Want: "Is God's Woord soms van u uitgegaan? Is het alleen tot u doorgedrongen?"
Br. Meulink en ik zijn het wel eens over een aantal punten. Hierover behoeven we niet door te spreken.
Voor een goed inzicht laat ik ze hieronder de revue passeren.
- man en vrouw zijn in Christus gelijkwaardig (Gal. 3: 27, 28).
Er is volkomen gelijkheid tussen man en vrouw voor wat betreft het deelgenoot zijn in het door Christus geschonken heil.
- er zijn wederkerige echtelijke verplichtingen (1 Kor. 7: 3-5 en Kol. 3 : 12-15).
- Gen. 3: 16 (" ... en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, hoewel hij over u heerst") is een vloek en geen gebod.
- voor wat betreft de plaats van de vrouw in de gemeente, ligt de overeenstemming in de overtuiging dat Paulus wil dat de vrouw zich nergens als man, maar overal en altijd zal gedragen als vrouw.
Binnen dit raam kunnen vrouwen velerlei taken in de gemeente vervullen, zoals blijkt bij vrouwen als Phébe, Prisca etc.
- Paulus wil ons in 1979 niet binden aan de tradities en zeden van zijn tijd.
Dat wij het over dit laatste punt eens zijn, zal br. Menlink wel verwonderen.
Maar als hij mijn artikel nog eens goed naleest zal hij bemerken dat dit toen ook al mijn overtuiging was. Ik schreef dat de goede zede bij Paulus een bij-argument is en bovendien dat Paulus vandaag op verschillende plaatsen anders zou hebben geschreven, Wat het woord "traditie" betreft zullen we ons de taalkundige betekenis goed voor ogen moeten houden.
Volgens woordenboeken betekent dit woord:
1. overlevering: mededeling van mond tot mond, van geslacht aan geslacht.
2. oude gewoonten van een (grote) groep mensen.
In de tijd, waarin wij leven, wordt ijverig getrapt tegen bestaande (traditionele) structuren. Wie daar niet aan meedoet is conservatief en wordt op zijn minst meewarig aangekeken.
Het oude past niet meer en verbeteringen zijn alleen maar mogelijk als de structuren vernieuwd worden.
Radicaal zijn: dàt is het. En als christenen spreken we dan van evangelische radicaliteit.
Een dergelijk proces zien we ook in de kerk. Overleveringen en tradities staan op de tocht. We moeten radicaal zijn, want er is maar weinig tijd en we moeten voort.
En zo zijn er bij ons kritische, onafhankelijke en individualistische gemeenten die reeds zusters in het ambt hebben benoemd, zonder deze zaak aan de kerken in landelijke vergadering bijeen te hebben voorgelegd.
Nuis de eerste brief aan de christenen van Korinthe, volgens de Willibrord Vertaling, een brief die ons de confrontatie geeft van het evangelie met de kritische, onafhankelijke, individualistische geest van een grotestadsgemeente.
Niets nieuws onder de zon! En aan deze gemeente schrijft Paulus. onder meer: - 1 Kor. 14 : 36 "Is God's Woord soms van u uitgegaan? Is het alleen tot u doorgedrongen.
1 Kor. 11: 3 e.v. Voetnoot Willibrord. Vertaling.
Paulus schrijft voor dat de christenvrouwen in Korinthe met bedekt hoofd aan de eredienst deelnemen. Zijn eigenlijke argument geeft vs. 16: het bestaande gebruik bij de andere en oudere christengemeenten die het waarschijnlijk van de joodse synagogale gewoonte hadden overgenomen. Uit de aard van dit argument en de zaak zelf volgt dat het hier niet gaat over iets dat onveranderlijk zou zijn.
- 1 Kor. 11: 2 "Ik moet u prijzen dat gij ... u houdt aan de overleveringen die ik u heb doorgegeven. "
Kort gezegd: Paulus schrijft voor dat de gemeente van Korinthe rekening houdt met de andere gemeenten.
Paulus prijst de gemeente van Korinthe dat zij doet wat hij . heeft voorgehouden: de tradities (overleveringen èn gewoonten!) houden.
Mag hij dat misschien: de gemeente prijzen omdat ze doet wat-ie gezegd heeft? Dat is iets anders dan dat hij zich beroept op tradities (wat ik ook niet beweerd heb in mijn artikel in Opbouw d.d. 20-4-'79).
Overigens staat de Bijbel vol van overleveringen (tradities). Hoe handelde de Here Jezus met overleveringen?
We lezen hiervoor Matth. 15: 1 e.v. en Marc. 7: 1 e.v. Hier staat opgetekend het twistgesprek, dat de Here Jezus voerde met de Farizeeën en Schriftgeleerden, over ongewassen handen. Zij vragen: "Waarom overtreden uw leerlingen wat ons van oudsher is overgeleverd?
Want zij wassen hun handen niet voor het eten." Waarop de Here Jezus hun als antwoord gaf: "En gij dan, waarom overtreedt gij terwille van die eigen overlevering van u het gebod van God?" Dan toont de Here Jezus met het bekende verhaal over de offergave (korban) aan dat deze overlevering in strijd is met het vijfde gebod. "Daarmee hebt gij het woord van God krachtdoos gemaakt terwille van uw eigen overlevering", zegt Hij.
Hierop voortredenerende zegt prof. dr J. H. Bavinck in Geschiedenis der Godsopenbaring, 2e druk 1949 blz. 255: "Als de overlevering in strijd is met de wet, dan moet niet die overlevering, maar dan moet de wet gehoorzaamd worden, want de wet is van God. De overlevering heeft alleen waarde, zolang ze alleen maar de wet van God uitlegt en toepast. Verder mag ze nooit gaan."
Nu is het zo jammer dat in onze kerken het woord "traditie" dikwijls zo ongenuanceerd wordt gebruikt, o.a. als het gaat over de vrouw in het ambt. Zo in de zin van: tradities zijn uit de tijd, het zijn oude gewoonten van een groep christenen, zoals deze zich in de loop der eeuwen hebben ontwikkeld, maar die geen fundament vinden in de Bijbel.
Bovendien stammen deze gewoonten (zeden) uit een patriarchale cultuur en daar leven we nu niet meer in. Nu zijn er al jarenlang belangrijke studies gedaan naar bijbelse funderingen voor zowel het ene als het andere standpunt. We zijn nog met elkaar in gesprek omdat we er toch nog niet uit zijn.
Daarom zullen we ons in een volgend artikel afvragen of de overlevering dat een ambt slechts door mannen, en derhalve niet door vrouwen, vervuld kan worden alleen maar de wet van God uitlegt en toepast (zie Bavinck). Zoals Paulus dat ook gedaan heeft naar het voorbeeld dat onze Here Jezus heeft gegeven (Matth. 15: 1 e.v.; Marc. 7 : 1 e.v.).