Een stem uit het verleden en haar betekenis voor het heden
1979-10-05
Van bevriende zijde ontvingen wij enkele jaargangen van het destijds verschijnende blad: "Pro-Ecclesia" . Het is bijster interessant ettelijke artikelen uit dat persorgaan door te nemen. Zo werd onze aandacht met name gespitst op wat geschreven werd over de kerkelijke eenheid. Dat belangwekkend thema heeft de kerken in de loop van de 19de en 20ste eeuw biezonder beziggehouden.- Jaargang 23
- nummer 37
In het nummer van 21 september 1940 troffen wij de volgende uitvoerige uiteenzetting aan in de rubriek: "Kerkelijk Leven", onder de titel: "Kerkelijke eenheid". Het stuk is van de hand van wijlen Dr A. Dondorp, in die jaren predikant van de gereformeerde kerk te Heemstede. Het luidt als volgt:
"Dat er in onzen kring over eenheid zoveel geschreven wordt den laatsten tijd, is heel iets anders.
Hier worden geen wezenlijke verschillen verdoezeld, maar hier wordt geconstateerd, dat er in een bepaald geval wezenIijke verschillen zijn.
Wel geschillen. In den storm van dezen tijd krijgen we meer oog voor wat wezenlijk is en wat niet. We hebben reeds jaren lang gevoeld, dat het verkeerd was de kerkelijke scheur tusschen de Christelijk-Gereformeerde en de Gereformeerde Kerken te bestendigen. Maar vandaag zien we het zóó, dat het h e e I erg is en dat het toch eigenlijk ook belachelijk is. Gelijk de zonde altijd dwaasheid tegelijk is.
Natuurlijk, ik zal wel een paar meningsverschillen hebben met Chr. Geref. collega's. Maar die heb ik met collega's in eigen kerkverband ook. En we zijn gelukkig even goede vrienden. En vertrouwen elkander de kudde hartelijk toe. Er zullen ook wel eens Chr. Geref. ouderlingen zijn, met wie ik niet zo vlot zou kunnen samenwerken.
Maar nog eens, die heb ik in eigen kerk ook!
Dan is daar natuurlijk nog 1905. En dan zijn er misschien een paar uitspraken van Dr Kuyper of van neo-Kuyperianen ... Doch met dat al heb ik nooit geweten wat ik moest zeggen, als men op Catechisatie vroeg, wat nu eigenlijk het verschil was tussehen de Geref. en de Chr. Geref. Kerk.
Ik zei maar eerlijk, dat ik het niet wist. Als mijn catechisanten moeten leeren, welke de kenmerken zijn der kerk van Ohristus, vraag ik ook altijd, welke kerken er in ons vaderland nu aan die kenmerken ook trachten te beantwoorden. Dan moeten ze er steeds twee noemen: de Gereformeerde en de Chr. Geref. Kerk. Moet je dan die jongens hooren: "Waarom doen ze dat dan niet bij elkaar?"
Van hen kunnen wij niet verwachten, dat zij zich interesseren voor de theologische finesses, die misschien samenhangen met de scheur tusschen de genoemde kerken. Zij verwachten terdege van ons, dat wij oog hebben voor den eisch tot eenheid en voor wat wezenlijk is. Vooral inzake de kerk van Christus, die niet door ons geknoei mag worden versnipperd.
Nu er zulke groote dingen rondom ons aan de hand zijn, krijgen wij allen een beetje meer idee van proporties. En hoe langer hoe meer oogen gaan er open voor het onverantwoordelijke een noodelooze kloof te bestendigen.
Maar dan moet er ook wat gedaan worden! Gepraat en geschreven wordt er genoeg! Wij van onzen kant hebben al lang een uitnoodiging loopen tot een meer of min officieuze gedachtenwisseling.
Is het nu voldoende, dat wij wachten tot men van de andere zijde daar op ingaat?
Laten we liever toonen, dat wij het meenen met ons streven naar eenheid. Als wij werkelijk van meerring zijn, dat in de Chr. Geref. Kerk leertucht naar Gods Woord geoefend wordt, en dat daar de belijdenisschriften, die gelijk zijn aan de onze, inderdaad worden gehandhaafd, wat is er dan tegen om Chr. Geref. predikanten uit te noodigen in onze kerken te preeken? Zoo iets kan natuurlijk niet plaatselijk gebeuren.
Maar als onze kerken dat eens samen deden op hun synode, zouden wij van onzen kant althans een daad doen. En het niet alleen laten bij woorden. Bij vele mooie woorden. En treffende gedachten. Wij moeten zien, dat we straks geen vijftigjarig "jubileum" hoeven te vieren van een scheur, die naar wederzijdsche overtuiging ter k w a d e r u u r werd getrokken.
Als we van den Heere vragen om eenheid, moeten we ook bereid zijn iets te doen!
Er zijn twee roeispanen. Op de eene staat b i d d e n, op de andere w e r k e n. Als alleen maar met de eene geroeid wordt, draaien we in een kringetje rond.
Alles gaat tegenwoordig veel sneller dan een poos geleden. Zou de kerkgeschiedenis nu ook wat vlugger gaan misschien, door den nood gedreven?"
Tot zover het citaat. Uiteraard draagt een dergelijk artikel de sporen van de tijd en de situatie waarin het geschreven werd. 1905 speelt allang niet meer en de samensprekingstafel is gedurende ettelijke jaren van vrijgemaakt gereformeerde en christelijke gereformeerde zijde bezet geweest. De Vrijmaking heeft ook in dat opzicht wel wat op gang gebracht. De oekumenische inzet van de vrijmaking weerspiegelt zich in de woorden, die wijlen Prof. dr K. Schilder op 11 augustus 1944 in de Lutherse Kerk te Den Haag sprak:
“En wanneer het God behaagt bij de Herv. Kerk misschien of misschien bij de Chr. Geref. broeders een bodem te bereiden, waarop de plant der gewilligheid wassen kan, der gewilligheid nl. om te vinden onder één kansel allen, die de belijdenis aanvaarden in goede trouw, dan moeten wij deze heilige plicht om tot die mensen te zeggen: hier zijn wij, niet in de weg gaan staan bij voorbaat door te binden boven de belijdenis, waar God niet bindt en door vast te klemmen voeten, die bereid zijn om te prediken…”
Na de breuk in de zestiger jaren is de kontaktoefening van beide kanten nog geïntensiveerd.
Op verschillende plaatsen is voorts een vorm van samenwerking gegroeid en wordt kanselruil toegepast. Maar tevens is er een "Op de plaats rust", zoals Ds J. H. Velema in zijn Jaaroverzicht in het recente Jaarboekje van de Chr. Gereformeerde kerken moest konstateren.
Het wordt allemaal veel te weinig uitgebouwd en uitgebreid. En je vraagt je af: Hoe komt dat toch? Passen we dan ergens niet bij elkaar?
Maar dat mag toch nooit het laatste woord zijn als het gaat om de vervulling van de roeping tot kerkelijke eenwording! Wie houdt nu in wezen de boot af? Zijn wij misschien te behoedzaam in onze omgang met elkaar? Nemen wij samen rustig de tijd, omdat wij te weinig eschatologische spanning kennen? Anders gezegd: Is de Wederkomst van Christus nog teveel alleen maar een artikel uit de Apostolische Geloofsbelijdenis der kerk zonder dat het metterdaad het wezen van onze religie bepaalt?
Mag het kerkrechtelijk aspekt, dat bij de christelijke gereformeerden een sterk aksent ontvangt, belemmerend werken in de konkretisering van de toenadering tot elkaar? Is het acceptabel als bijv. onze Landelijke Vergadering, die in 1980 te Breukelen gehouden worden zal, ter onderstreping van het verlangen naar een federatief verband van beide kerken een doorbraak zou plegen in de stijl van het geciteerde artikel uit "Pro-Ecclesia"? (uiteraard nadat het via de kerken op het agendum is terechtgekomen).
Er moet wat gebeuren! Kan je na zoveel jaren nog zeggen, dat er dan in dat opzicht iets geforceerd wordt? Misschien doet het deze en gene toch wat rigoureus aan. Maar laat men zich dan afvragen of men ook aanvechtingen kent vanwege het feit, dat er uiteindelijk zo weinig schot in zit. Als al onze kansels voor de christelijke gereformeerde predikanten worden geopend, moeten zij ter reaktie op de uitnodiging een gemotiveerde beslissing nemen! Rekening houdend met allerlei effekten in eigen gemeenten komen wij dan samen in de krisis! Hoor ik iemand zeggen, dat een dergelijke vorm van oekumene toch maar een griezelig waagstuk moet genoemd worden?
Ik plaats daar met vrijmoedigheid tegenover, dat ik het betitel als een geloofsdaad. En dat heeft alles met de Heilige Geest te maken! We moeten ervan doordrongen worden, dat we elkaar nodig hebben! Twee weten meer dan één, terwijl de Prediker zelfs zegt, dat twee beter zijn dan één. (Zie Prediker 4: 7-12). Naar aanleiding van dit Bijbelgedeelte merkte de Vandaag- schrijver in "Trouw" korte tijd geleden o.a. het volgende op:
"Waarom is het beter om samen te doen? Niet om de eenheid op zichzelf. Eenheid kan ook dodend zijn. Ik moet niet denken aan die dodelijke sufmakende eenheid van parades en dergelijke. Eenheid, maar waarom dan? Beter nog: waartoe? Hier zijn de redenen duidelijk.
Als je valt kan je elkaar helpen. Kerken vallen nog al eens. Naast elkaar word je tenminste warm. Kerken zijn. nog al eens koud of kil. Worden dat althans gemakkelijk. Een beetje warmte kunnen ze best gebruiken. Al was het alleen maar om die warmte te verspreiden.
En het hoeft niet bij twee te blijven.
Een drievoudig snoer wordt niet gauw verbroken?”
In een volgend stukje, dat op het voorgaande direkt aansluit, lanceert de genoemde scribent o.a. deze gedachten:
"Kerken, die alleen om de macht samengaan, kunnen het beter laten. Of: om een vuist te kunnen maken! Vuisten zijn er al genoeg. Dat moet je dan maar aan de politieke partijen overlaten. Op een bijzonder kille manier kan het daar alleen om de macht gaan. AIthans dat komt er vaak uit. Mensen hebben wel wat anders om zich druk voor te maken. Wat zouden we denken van dienstbaarheid. Grotere mogelijkheden om elkaars bijstand in het verlenen 'van hulp en dienst aan de samenleving? Een vindingrijker inspelen op de noden van de samenleving?
Misschien komen we dan samen een beetje aan de maat. Aan de maat van Christus, Die hier kwam om ons niet in de goot te laten omkomen en om ons niet te laten bevriezen."
In het bovengeciteerde ontmoeten wij een aspekt, dat zeker niet verwaarloosd mag worden.
Wij begonnen met een stem uit het verleden te laten klinken via een artikel uit "Pro-Ecclesia".
Daarin werd ook gesproken over het gebed voor de 'kerkelijke eenheid. Maar wat is en bepaalt de inhoud van ons gebed? Je kunt en mag God niet zomaar in het wilde weg aanroepen.
De HEERE wil geprezen worden met een voorbedacht lied, maar niet minder met een voorbedacht gebed! De Christelijke Gereformeerden en wij hebben de gemeenschappelijke achtergrond van de Afscheiding.
De mannen der Afscheiding kenden het vurig verlangen om mensen te brengen tot de volle aanvaarding van Christus. Die liefde tot God en tot de mensen deed hen allerlei tegenstand verduren en maakte hen tot het brengen van de zwaarste offers bereid. Zij zochten de eenheid van al Gods kinderen in ons goede vaderland!
Wijlen Dr B. Wielenga schrijft op de voorlaatste pagina van zijn boek: "De Reformatie van '34" in dit verband:
"Van Velzen zegt in zijn Gedenkboek: "In de eerste jaren der Scheiding zijn de gemeenten menigmaal uitgenoodigd een dank-, vast- en bededag re houden. Steeds werd bij die uitnooaiging aangedrongen op het gebed om vereeniging van al Gods volk in ons vaderland."
Hierop laat hij deze beschamende woorden volgen: "Het tegenwoordige geslacht weet van zulke dagen niet meer."
Dit werd gezegd bij gelegenheid van het gouden jubileum der Scheiding.
Thans, nog vijftig jaar later, nu de oude vaderen der Scheiding reeds lang heengegaan zijn, is er temeer reden om te zeggen: Het tegenwoordige geslacht weet van zulke dagen niet meer.
Het feit der inzinking is onweersprekelijk"
Laten wij met deze woorden tot onszelf inkeren, de balans opmaken en vervolgens de handen uit de mouwen steken om binnen de Gereformeerde Gezindte iets te DOEN wat de naam: oekumene verdient, in biddend opzien tot onze trouwe Bondsgod, op Wie wij ons nooit tevergeefs beroepen!