De antifoon
1983-08-26
Veel roomse liturgische handelingen doen oudtestamentisch aan. Dat is te begrijpen als u bedenkt dat deze kerk zichzelf beschouwt als in de plaats van Israël gekomen.- Jaargang 27
- nummer 31
Middeleeuwse beeltenissen stellen de kerk voor als een fierevrije vrouw met een opgeheven hoofd en de synagoge als een arme geblinddoekte neergebogen slavin. En dan geeft de Here na eeuwen in Zijn goedheid de Reformatie.
Ik wil me beperken tot de Calvinistische, de Gereformeerde reformatie. Luther is een hoofdstuk apart. De reformatie heeft in de Roomse eredienst en kerkleer een miskenning gezien van de vervulling van het Oude Verbond door Christus. Een prachtige weergave van het reformatorische standpunt vindt u in art.
25 N.G.B. Ik stip de hoofdzaak aan: de ceremoniën der wet hebben in Christus afgedaan, alle schaduwen hebben een einde genomen, zodat het gebruik daarvan onder Christenen is vervallen. De reformatie beweegt zich op de lijn van Hand. 15en de brief aan de Hebreeën.
We hebben aan Calvijn heel veel te danken.
Toch moet ook de reformatie uit Genève nagerekend en zo nodig gecorrigeerd worden. Hij laat de nadruk vallen op de eenheid van het verbond, die zelfs in de onveranderlijkheid van God en in de eeuwigheid worden gefundeerd. Maar hangt bij Calvijn de geschiedenis niet in de lucht? Komt hier geen tijdloze aanpak om de hoek kijken, die aan de voortgang van de heilsgeschiedenis te weinig recht doet? Het heeft zin om deze kritische vraag te stellen.
Waar is bij Calvijn de onderscheiding tussen Oud en Nieuw Verbond?
Volgens Graafland moet worden gezegd, dat Calvijn hierover niet zo veel wist te zeggen.
Wat hij er van zegt komt hier op neer, dat pas met de komst van Christus in de wereld de uitwerking en het werkelijke resultaat van de beloften is aangebroken.
Maar het beloofde heil is ook al in het O.T. ontvangen. In het Oude Testament vooruitziend op Christus en in het Nieuwe Testament terugziend op Christus. Bij Calvijn domineert Gods onveranderlijkheid en de eeuwigheid van het heilswerk van Christus. Met onveranderlijkheid bedoelt Calvijn verbondstrouw. We moeten ervoor oppassen Calvijn in het hoekje van de vergriekste theologen in te delen. Dan doen we hem onrecht. Calvijn benadrukt, dat: God Zijn woord houdt. De Here houdt Zijn belofte. Daarom is er bij de God van het verbond geen verandering te duchten. Bij de Vader des Licht is geen verandering of schaduw van omkering (Joh. 1 : 17). De HERE , zegt: Ik ben niet veranderd en daarom zijt gij, kinderen van Jakob, niet verteerd. We noteren dankbaar, dat Calvijn bij ons weten nooit heeft gezegd, dat de kerk in de plaats van Israël gekomen is. Hij legt nadruk op de eenheid van Oud en Nieuw Verbond. Calvijn ziet Israël als het oude verbondsvolk en de gemeente als het nieuwe verbondsvolk.
Israël is een type, een voorbeeld van afschaduwing. En het heeft zijn rol vervuld, wanneer de werkelijkheid van het vooraf uitgebeelde is verschenen. Het Oude Testament is de voorbereiding op het Nieuwe. Israël is de kerk in de kinderschoenen. Deze typologische opvatting van Israël is wijd verbreid onder ons. En daar zit veel goeds in. Maar toch is er meer te zeggen. Er zijn in het O.T. ook onvervulde profetieën over en voor Israël. Wij zullen voor het verstaan van het Oude Testament moeten praten met Messias belijdende Joden. Met Christenen uit het volk Israël. Die hebben een gescherpt oog voor deze zaken. Trouwens, bij Calvijn zelf zijn prachtige uitspraken te vinden op dit punt. Hij vermaant ons, dat wij de Joden niet mogen verachten, omdat Gods regen nooit geheel en al van hen zal wijken, God heeft Zijn volk niet definitief verstoten.
Calvijn gaat ervan uit, dat niet het volk Israël als volk behouden wordt, maar de verkoren enkeling, de rest die in Christus gelooft.
Eigenlijk is het moeilijk om Calvijn na te rekenen. Hij heeft zo hard gewerkt en zoveel geschreven, dat het moeilijk is een afgerond beeld te krijgen. Enerzijds beklemtoont hij de persoonlijke verkiezing van eeuwigheid, die zich openbaart in het persoonlijk geloof in Christus, maar anderzijds legt hij er de nadruk op dat Israël als volk door alle diepten heen door God als Zijn uitverkoren volk wordt vastgehouden. Wat Calvijn betreft; het is niet goed mogelijk bij hem een afgeronde uitleg van de vragen rondom Israël te vinden.
Hoe is het denken na Calvijn in de gemeente geweest?
Om het niet te lang te maken geef ik enkele voorbeelden bij wijze van illustratie.
Onze belijdenis geschriften zwijgen over Israël en zijn toekomst. Het lijkt wel of de officiële Gereformeerde Kerken geen woord over Israël te zeggen hebben.
Toch is in de Gereformeerde Kerken in Nederland de antifoon, de tegenmelodie gezongen, Ik laat u een paar stemmen horen. Om te beginnen die van Herman Witsius, die professor is geweest in Franeker, in Utrecht en in Leiden. Hij leefde van 1636 tot 1708. Hij wilde in zijn denken vóór alles bijbels zijn. In zijn werk: "De verbonden van God met de mens" schreef Witsius: "Omdat dè Schrift vervuld moet worden, zo heeft de apostel terecht besloten, dat het (nl. het herstel van Israël) in de laatste tijd volkomen zal worden uitgevoerd. De apostel geeft te kennen (Rom. 11 : 12), dat er veel groter en onbekrompener goederen op de Christelijke gemeente zullen afstormen uit der Joden volheid en wederaanneming, dan er uit derzelven val en vermindering tot de heidenen gekomen zijn! Een tijdgenoot van Witsius was de strijdbare en originele dominee Koelman. Hij schreef o.m., een boekje onder de titel: "De plichten der ouders hun kinderen voor God op te voeden". Daarin geeft hij raadt aangaande de inhoud van het gebed dat de vaders hun kinderen zullen leren. Hij zegt in dit verband, dat we ook moeten bidden voor de Joden, dat zij weder aangenomen en tot het christelijk geloof bekeerd mogen worden, dat het deksel van hun hart en ogen afgenomen worde en zij Jezus Christus, de enige Zaligmaker erkennen, in Hem geloven, Hem beminnen en gehoorzamen, volgens Gods beloften, en volgens de eed van de vaderen gezworen, dat geheel Israël moge zalig worden en zij de heerlijke kerk moge worden.' Er zou nog veel meer aangehaald kunnen worden uit onze 17e en 18e eeuwse kerk geschiedenis. De verwachtingen die uit de woorden van Witsius en Koelman spraken leefden aan de overkant van de Noordzee nog sterker dan hier. Hebben we hier te maken met een zijstroom van de reformatorische traditie? Over deze vraag is veel gedacht en geschreven. Zijn de nadere Reformatie hier en het Puritenisme in Engeland en Schotland afbuigingen van de Reformatie? Of nadere ontwikkelingen ervan? Daar zouveel over te zeggen zijn. Ik volsta met één opmerking. De reformatoren hebben helder onderwijs gegeven, naar Gods Woord, over de rechtvaardiging door het geloof, over het sacrament, over de genoegzaamheid van de Heilige Schrift. Maar ze hebben niet alle vragen even grondig kunnen behandelen. Ze zijn aan de toekomstverwachting amper toegekomen, al blijven hun woorden over deze zaak goed en vertroostend. Maar de toekomst van Israël had in hun grote strijd met veel aandacht. Daar hebben volgende generaties zich wel mee bezig gehouden. En dat is al heel vroeg begonnen. De weg van de onder de Puriteinen algemeen levende toekomstverwachting is gebaand door de Bijbel met kanttekeningen, die Engelse vluchtelingen in Genève in 1560 uitgaven en door het werk van Petrus Martyr. Een ander belangrijk figuur was William Parkins. Hij schreef: Alle volken zullen gezegend worden in Abraham. Hieruit leid ik af dat de natie van de Joden geroepen zal worden en bekeerd zal worden om deelgenoot te worden van deze zegen. Wanneer en hoe, dat weet God.
In de grote Cat. van Westminster staat als antwoord op deze vraag: Waar bidden we om in de tweede bede? Onder meer: "Wij bidden dat het rijk van zonde en satan verwoest mag worden, het Evangelie verbreid door de hele wereld, de Joden geroepen, de volheid der heidenen ingebracht". Dat is een uitspraak in een officieel Geref. belijdenisgeschrift!
Er waren ook independenten. Ze dachten een beetje anders over de kerkregering, maar niet over de hoofdzaken van het Evangelie. Onder deze independenten waren zeer geleerde Schriftverklaarders. In één van hun belijdenissen, de Verklaring van Savoy, staat: "We verwachten dat in de laatste dagen als de antichrist vernietigd zal zijn, de Joden geroepen, en de tegenstanders van het Koninkrijk van Gods geliefde Zoon verbroken, dat dan de kerken van Christus ... in deze wereld een rustiger, vreedzamer en heerlijker staat zullen beleven dan ooit tevoren." Thomas Manton zegt dat de Joden zullen worden toegebracht, Daarbij verwijst hij naar Hosea 3 : 5: "Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren en de HERE, hun God zoeken, en David, hun koning, en bevend komen tot de HERE en tot zijn heil - in de dagen der toekomst".
Volgens Manton voorspelt Hosea wat er in de toekomst met de Joden zal gebeuren.
Zo zou ik nog een tijd door kunnen gaan met citeren, In het begin van de 18e eeuw schreef prof. F.A. Lampe in zijn grote werk over het "Genade-Verbond" over de geweldige beroeringen die eens over de wereld zullen gaan, vooral in het gebied van de Mohammedaanse wereld. Door al deze beroeringen zal God volgens Lampe de kerk beginnen te verheffen en het antichristelijk Rome ten onder brengen. Dit alles zal voor Gods volk de ure der verzoeking zijn, mede door inwendige vijanden der kerk. In de 19e eeuw klinken in ons land de stemmen van Da Costa, Scholte, Van Andel en anderen. Op één figuur wil ik nog ingaan.· Ik bedoel Isack Esser, adjunct inspecteur van de culturen in Ned. Indië, later resident van Oost- Timor, evangelist, straatprediker en bovenal Schriftonderzoeker: Hij leefde Van 1818 tot 1885. Hij heeft getafeld met de Gouverneur-Generaal van Indië, maar hij heeft ook vertoefd bij de ellendigste der ellendigen in kampongs en hospitaal. De heer T. D. Smid wijdde in het maandblad "Woord en Wereld" in 1966 enkele artikelen aan hem. Esser hoopte onder de levend overgeblevenen te zijn, die naar het woord van Paulus zouden worden opgenomen in de lucht, de Here tegemoet. In 1874 verscheen zijn boek "De Openbaring van Johannes in verband met de tijdsomstandigheden", met een aanbeveling van docent Brummelkamp uit Kampen en ds P. Huet Ulit Dirksland.
Esser schrijft: Men raadplege de Oudtestamentische profetieën en zal er in vinden dat de Joden aanvankelijk in ongelovige toestand zullen terugkeren naar hun land en onder hen zal uit Joden en heidenen de kern gevonden worden van het ware volk Gods, later gevolgt door de bekering van Israël als natie. Vóórdat de Joodse natie echter tot erkenning van de Messias komt, zal ze tot het uiterste der verharding raken. Het zoeken van de Here door Israël leidt geenszins dadelijk tot de erkenning van de Here Jezus als Messias. Dat gaat volgens Ezechiël 37 langzaam: " ... Nochtans is het wederoprichten van dat ware Israël een groot werk, omdat het dan een tijd is van afval, van een geheel ontaard en krachteloos Christendom, hetwelk geheel dreigt onder te gaan."
Esser spreekt ook over het duizendjarige rijk en de eerste opstanding van Openb. 20. Hij merkt op: "Alleen dit staat vast, dat opstanding niet is hemelvaart en dat hier sprake is van lichamelijke opstanding, niet van geestelijke. Het is onbetwistbaar, dat de eerste opstanding moet zijn afgelopen, vóórdat de levend overgeblevenen veranderd worden." Hij acht het waarschijnlijk dat de dag van 1000 jaren nodig is om de Joodse Natie eindelijk zo ver te brengen, dat de beloften aan Abraham geschonken, ten volle kunnen worden vervuld." Men moet onbevooroordeeld de gang der toekomstige gebeurtenissen bestuderen en zal de overtuiging krijgen, dat gelijk Salomo's vrederijk is vooraf gegaan, door de bloedige gerichten uitgevoerd door David, het alzo weder zal zijn op het eind van deze bedeling ... " Esser kreeg veel tegenspraak van verschillende kanten. Zoals Origenes in de oudheid de Wissel omgooide, zo deden Kuyper en de zijnen dat in Gereformeerd Nederland. Kuyper schreef in: "De gemene gratie": Moest thans nog voor het volk van Israël een plaats worden uitgezocht, die in aard overeenkwam met de plaats die het destijds van God ontving, dan zou het natuurlijk niet in het nu dode slob van Cyprus en Palestina, maar in het hart van Europa geplaatst moeten zijn." Dat zei Kuyper in 1902. Wij leven na de Tweede Wereldoorlog, na 1948 toen de staat Israël er kwam. Het hart van het oude Europa is verscheurd, En de wereldgeschiedenis heeft als brandpunt Jeruzalem. En Israël heeft het weer ondragelijk moeilijk. Maar het wordt anders. M'n laatste citaat is van prof. Greydanus. Die schreef (K.V. Lucas Il, blz. 30): Bekering en gelovige erkenning en aanneming moeten eerst komen, zal de Here zich in gunst aan Israël vertonen. Bij 's Heren wederkomst zal dat zijn.
'Dan juicht ook Israël Hem tegemoet. En dan is er voor Israël heil, Ik heb u de antifoon, de tegenmelodie laten horen. Ook voor Israël wordt het waar:
Toch overwint eens de genade en maakt een einde aan de nacht. ' Dan onderwerpt de Heer het kwade, dan is de strijd des doods volbracht.
Gebruikte literatuur:
T. D. Smid. Toekomstverwachting, inzonderheid bij back Esser, artikel in Woord en Wereld, 1966, blz.302 vv
C. J. Buijs, Israëls aanneming. Het leven uit de doden. 1974.
P. den Butter, Volk tussen eeuwigheid en eenzaamheid, 1978.
Dr C. Graafland, Het vaste verbond, 1978.
Dr J. Daniël, Geschiedenis van de kerk I, 1963.
Hans Freiherr von Campenhausen, Griechisohe Kirchenväter, 1977.
Evert Van der Poll, Volgend jaar in Jeruzalem, 1981.
Dr Simon Schoon, Geworteld in Israël.