Jongens als bomen en meisjes, van steen
1979-10-12
"Laten onze zonen zijn als planten, hoog opgegroeid in haar jeugd.- Jaargang 23
- nummer 38
Onze dochters als hoekzuilen, gebeeldhouwd als voor een paleis."
Psalm 144, vers 12 en 13
Het gebeurt niet zo héél erg vaak, dat wij de Heer bidden om ferme jongens en knappe meisjes.
We vinden dat misschien wel wat werelds en materialistisch.
Trouwens, ze worden al gauw genoeg groot en dat komt dan allemaal wel vanzelf.
We houden het graag op de geestelijke kant van de zaak, want niet voor niets zegt een andere bijbelauteur, dat jeugd en schoonheid maar ijdel zijn en heel snel voorbij gaan.
Van David kunnen we ons nog wel voorstellen, dat hij in deze psalm zo"bidt. Hij is de koning. Hij moest nogal wat afvechten tegen Saul, tegen de Filistijnen, tegen Ammon en al die vijanden. Hij kon dus flinke soldaten gebruiken.
En als oosters vorst moest hij ook een goed-gevulde harem hebben en hij kon dus best wat knappe meisjes gebruiken.
Maar als onze dominee a.s. zondag op de preekstoel zo zou gaan bidden, zou de kerkeraad hem al gauw op de vingers tikken en vragen, of, hij in het vervolg wat geestelijker zou willen zijn.
Zou je aan zo'n predikant je katechisanten kunnen toevertrouwen?
Zou je als vader en moeder durven bidden om jongens als bomen en om meisjes van steen?
Zou je een jeugdcongres durven beleggen met een oproep aàn alle stoere knapen en gebeeldhouwd-knappe meisjes?
Lopen ze elkaar al niet vroeg genoeg achterna?
Zijn ze al niet sexy genoeg? Moeten we daarom bidden?
Zeker, psalm 144 is een gebed van de koning en een gebed om welvaart. Maar het opmerkelijke van dit gebed is, dat het niet de levende mens uit het oog verliest en hem niet degradeert tot een produkt van een afgeroomd bestaan.
Kijk, we hebben met onze welvaart de mens zelf vergeten.
We hebben die mens opgeofferd aan de verziekte produkten van die welvaart. We hebben onze jongens en meisjes opgescheept met een z.g. welvaart, die henzelf aantast.
We stampen hen vol met allerlei bombastische kennis en mogelijkheden, die ze vaak niet eens kunnen gebruiken, omdat er in die welvaartswereld voor duizenden geen plaats is.
We hebben ze blasé gemaakt, zonder idealen en zonder kansen; vet en vol gegeten met patat en frikandel met of zonder; jagers naar diploma's, waar ze misschien niets mee kunnen beginnen of tuk op verdienen en prestaties, waarin ze later zelf kapot gaan en we staan dan nog verstomd, dat ze in revolutionaire groepen of terroristische bewegingen hun heil zoeken.
De ferme jongens zijn "langharig tuig" of "moderne nietsnutten" in onze ogen geworden; de flinke knapen hebben geen eigen gezicht meer, want hun spijkerbroeken hebben hun identiteit weggemoffeld achter de gevel van anonimiteit; hun muziek is de vlotte glimlach van hun werkelijke zielepijn; de knappe méisjes zijn een verzameling mooie "stukken" geworden, waar je de lekkerste uit moet halen; pilgebruiksters tegen conceptie; sexualiteit is ook al anoniem en daarom een algemeen goed voor wie het het beste kan verkopen.
Zo hebben wij het jongen-zijn en het meisje-zijn verkwanseld als welvaartsartikel, waarin alle eigenheid en alle eigenwaarde en alle menselijkheid verloren dreigt te gaan.
Maar als we écht willen meebidden om welvaart, zullen we eerst deze psalm eens heel goed moeten gaan lezen.
Dan zullen we bemerken, dat David pas gaat bidden om lekkere dingen en om materiële voorspoed, als hij eerst heeft gebeden om levende mensen. Om mensen met een eigen identiteit. Om iets dat de mensen zelf zijn en hoe langer meer mogen worden.
Want David staat er versteld van, dat de Heer op die mensen let.
Dat is des te verwonderlijker, omdat die mens zo klein en gering is en als een zucht voorbij gaat.
Als er iets of iemand anoniem zou moeten zijn, dan wel die lilliputter op Gods aardbodem. (vers 3 en 4) Daar heeft David al eerder van gezongen in psalm 8. Als die kleine mens naakt op de wereld komt, kan hij nog niets anders dan schreien, slapen en eten.
Maar dat kleine mensje is een eigenheid. Een stukje schepping van God.
En, wonder, daar slaat hij acht op. Het is een beeldje van Hem!
God de Heer houdt rekening met hem, die mens: dat mensje.
Jongens en meisjes zijn voor de Heer geen spijkerbroekalgemeenheden.
Ze tellen mee in Gods wereld en in Gods plan met die wereld.
Voor New-York; voor Peking en voor Moskou niet, natuurlijk.
Hoogstens alleen als ferme jongens, stoere knapen, die kunnen vechten, als de nood aan de man komt. Knappe meisjes hebben alleen waarde als menselijke fokmerries, die voor kanonnenvoer moeten zorgen.
Anonieme nummers van een ras, dat als welvaartsprodukt een super-mens moet leveren.
Geen individualiteit; geen eigenheid.
In vroeger tijden werden mannen bewapend; in de toekomst worden de wapens bemand; niets speciaals; alleen maar een nummer van de blauwdruk van eenzelfde genus, de super-soort, de "man-van-zes-miljoen."
De bijbel zegt iets anders.
Daarom bidt David om levende mensen met een eigenheid: de mens, als beeld van God. Helemaal. Van binnen en van buiten. Als koning en veldheer moet hij over Gods volk waken en zorgen voor hun welzijn. Daar is een heleboel voor nodig. Hij zal het straks allemaal noemen (vers 13 t/m 15).
Maar hij bidt allereerst om levende mensen.
Jongens als bomen, die hoog opgroeien in hun jeugd.
Jongelui, de Heer kijkt naar je en telt je mee in zijn plan.
Ja, het komt er op aan, wie en wat je bent. De Heer kijkt zelfs naar je lichaam en lichaamsbouw.
Of er iets van jezelf en daarom van Hem in te zien komt. En of je je lichaam niet verpest met carcinogene stoffen of zielsbedervende drugs.
Meisjes van steen; d.w.z. prachtig opgroeiende jonge vrouwen, sierlijk als zuilen, die gebouwen dragen.
De Heer kijkt naar je en telt je mee in zijn werk.
Ook voor jullie komt het er op aan, wie en wat je bent.
De Heer kijkt zelfs naar je lichaam en je lichaamsfiguur.
Of er iets van jezelf en daarom van Hem in te zien is. En of je je lichaam niet weggooit als een stuk lekkers voor de eerste de best, die je maar hebben wil.
Begrijpen we nu, waarom David bidt om jongens als bomen en om meisjes van steen?
Begrijpen we nu, waarom we ook in onze z.g. welvaart allereerst hierom moeten bidden?
Ook op de preekstoel en thuis, aan tafel?
God kijkt naar je en rekent op je. Op dat éne eigene, dat jou tot jou maakt en dat je voor Hem mag gebruiken.
Daar heeft Hij zijn Zoon voor gegeven, voor jongens als bomen, voor knappe meisjes, die door genade zichzelf zijn en daarom voor Hem zich inzetten.
Echt jongen-zijn kun je alleen worden door Jezus Christus.
Pracht-meisje-zijn kun je alleen door de Geest van Christus.
Als àl onze vaders en moeders eens zó gingen meebidden!
Als àl onze jongens en meisjes een zó gingen meezoeken naar hun eigen identiteit als beeld, als kind, als mens-van-God!
Dan begrijpen we ook het slotvers van deze psalm: "Gelukkig het volk, waarmee het zó gaat!
Gelukkig het volk, waarover de Heer (zó) God is."
Jongens als bomen; gebeeldhouwd-knappe meisjes. Ik hoop, dat ze a.s. zondag zó met hun ouders in de kerk zitten.
En dat ze deze God en Heer onuitsprekelijk lief krijgen.
Omdat Hij naar hen omziet en een eigen naam geeft in Jezus Christus.