Vrouwen-ambtsdragers? (2)

1979-10-12
  • Jaargang 23
  • nummer 38
Onze Here Jezus heeft, zoals we eerder opmerkten, o.a. in Matth. 15 : 1 e.v. geleerd dat overleveringen die in strijd zijn met de wet, God's Woord krachteloos maken.
Zo moeten we aan de hand van God's Woord onderzoeken of de overlevering (traditie), dat alleen mannen de ambten mogen vervullen, in strijd is met de wet. Zo ja, dan moet de wet gehoorzaamd worden.
Hoe was het nu in de tijd van de eerste christen-gemeenten?

We lezen daar veel over in de Bijbel.
De apostelen hadden in eerste aanleg de leiding. Hun werk groeide hen boven 't hoofd. Om te verzekeren dat zij beschikbaar bleven voor hun taak het Evangelie te verkondigen werden er zeven mannen-
diakenen gekozen, die meer speciaal belast werden met de verzorging van de armen (Hand. ).
Uit Hand. 15: 6 blijkt dat, samen met de apostelen, ouderlingen voor de gemeente zorgden.

De apostelen konden niet overal tegelijk zijn en dit bracht met zich dat ze in nieuwe gemeenten ouderlingen aanstelden (Tit. 1 : 5). Dezen moesten o.m. bekwaam zijn te onderwijzen in de christelijke leer (1 Tim. 3 : 2). Dat moest vooral ook omdat er naast de profeten die onder de leiding van de Heilige Geest het Woord Gods verkondigden, ook valse profeten opstonden.
Het was nodig dat de geesten beproefd werden (1 Joh. 4: 1). Niet iedere ouderling kon dit zodat er onder hen kwamen die speciaal gingen arbeiden in de leer (episkopen).

Het mag duidelijk zijn dat de organisatie van onze gemeenten, ondanks de eeuwen die vervlogen zijn, in principe overeenkomt met die van de eerste tijd na Christus' hemelvaart.

En ook toen was er geen vrouw in het ambt. Het is erg moeilijk om door middel van uitleggingen in enkele gevallen in de buurt van een ambtsvervulling door vrouwen (Phebe, oudere weduwen) te komen.
Terwijl vervulling van het ambt door mannen veelvuldig voorkomt en zonder nadere uitlegging uit de Bijbel gelezen kan worden.

Toch laten voorstanders van de vrouw in het ambt zich door deze gegevens niet overtuigen. Vooral niet als tegenstanders zich beroepen op Gen. 3: 16 waarin God zegt dat de man over de vrouw zal heersen.
Met br. Meulink ben ik van mening dat een dergelijk beroep niet opgaat omdat het hier niet gaat om een gebod maar om een vloek.
Slavernij is ook een gevolg van de zondeval. In beginsel heeft Paulus het fundament van de slavernij ondergraven.

Hen beroep hier op past alleen in een discussie over de gevolgen van Gen. 3 : 16.
Nu beroept Paulus zich niet op Gen. 3 : 16 maar op de scheppingsordinantie.
"Want Adam werd het eerst geschapen en daarna Eva" (1 Tim. 2 : 13).
Dit beroep doet Paulus als hij spreekt over de orde in de gemeente.
Hij stelt de verhouding tussen Adam en Eva, tussen man en vrouw, ten voorbeeld aan de gemeente, Ook drs H. de Jong stelt in zijn artikelenreeks (Opbouw, 21e jrg. nr. 18-21) dat de huwelijksverhouding verdere gevolgen heeft.

“Paulus verbindt de verhouding van man en vrouw (in het huwelijk, maar dat heeft toch gevolgen voor de man-vrouw-verhouding in het algemeen) aan die van Ohristus en de gemeente (Efeze 5: 22 v.v ..)"
Als de verhouding van de man-Adam en de vrouw-Eva, krachtens de scheppingsordinantie, verder strekt dan het huwelijk dan is de huwelijksverhouding zoals deze door God vóór de zondeval bedoeld is maatgevend voor de ordening van de christelijke gemeente.
Nu heeft de Here God de vrouw geschapen als een hulp, die als tegenover hem (de man) is Gen. 2 : 18).

In die volmaakte schepping was de vrouw een (volmaakte) hulp. Dat hulp zijn kan dus nooit of te nimmer iets van een mindere orde zijn. Dat "hulp" zijn, die bijzondere aanleg voor dienen en verzorgen, heeft de vrouw niet ontwikkeld door haar opgesloten leven in huis. Neen, dat heeft ze als eigenschap van God de Schepper gekregen.
Daarom zal de man zich dit nooit zo eigen kunnen maken als de vrouw. De man heeft andere eigenschappen bij de schepping ontvangen.
In het licht van deze scheppingsordinantie moet men de positie van de man en de vrouw bezien, zegt Paulus. Dat betekent dan ook dat wij al wat Paulus schrijft vandaar uit moeten beoordelen. En dan valt temeer op dat er in de tijd van Paulus geen vrouwen 'een ambt hebben vervuld. maar dat wel veel vrouwen hem als hulp hebben gediend.

Onze overlevering (traditie), dat een ambt slechts door mannen, en derhalve niet door vrouwen, vervuld kan worden is alleen maar uitlegging en toepassing van wat God's Woord ons leert.

Hiermede besluit ik. Er is veel geschreven rond de vrouw in het ambt, dat behoeft niet herhaald te worden. Vooral in mijn eerste artikel (Opbouw d.d, 20-4-79) heb ik een overzicht willen geven. Aan de hand van het artikel van br. Menlink heb ik nog eens willen beklemtonen het principiële belang van het beroep op de scheppingsordinantie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief