JEREMIA
1979-10-12
Volhardende liefde- Jaargang 23
- nummer 38
Dat moet wat voor Jeremia geweest zijn. Hij was de 65 al gepasseerd.
Hij was hard op weg naar zijn 50-jarig ambtsjubileum. Al die tijd had hij het volk moeten vermanen en beo straffen en het oordeel moeten aankondigen, zonder dat het iets had uitgehaald.
Alleen in de tijd van Josia was er even een korte periode geweest, waarin het de goede kant leek op te gaan. Maar het bleek toch al gauw, dat ook de reformatie van Josia niet doorwerkte naar de harten.
En toen kon Jeremia weer beginnen met het ploegen op rotsen. En nu in Egypte mag hij nog eens weer van voren af aan beginnen.
Je zou zeggen: die man moet toch eens moedeloos worden. Hij moet het bijltje er toch eens bij neergooien!
Het ligt toch voor de hand dat hij gaat zeggen: nu doe ik het met langer; het is mooi genoeg geweest.
Toch heeft Jeremia dat niet gedaan.
Dat heeft te maken met de vervulling van de belofte die de HERE hem bij zijn roeping gegeven had: Ik zal u maken tot een versterkte stad, tot een ijzeren zuil en een koperen muur (1 : 18). Die belofte heeft Jahweh aan hem vervuld. Jeremia was niet klein, niet kapot, te krijgen. In Egypte begint hij weer van voren af aan, nog ongebroken.
Er moet, zowel bij God als bij Jeremia, ook een enorme betrokkenheid op en liefde tot het volk achterzitten.
als je vijfenveertig jaar lang het volk maar blijft waarschuwen en blijft oproepen tot bekering, telkens maar weer en zonder resultaat, en als je er dan nog niet genoeg van hebt maar gewoon verder gaat, dan moet je wel gedreven worden door liefde. Dat kan niet anders.
Zoveel houdt God nu van zijn volk, van zijn kinderen, ook al trekken zij zich niets van Hem aan. Hij geeft het niet op. Hij laat de moed niet zakken, maar probeert telkens weer zijn afvallige volk voor zich te winnen.
Wervende liefde
Dat probeert Jahweh ook nu weer in Egypte. Hij begint met hen te herinneren aan wat er met Jeruzalem gebeurd is, aan de rampspoed die over de stad en het land gekomen is.
Of neen, die is niet zo maar gekomen.
IK heb die over. Jeruzalem en alle steden van Juda gebracht. Rampen waren het. Een catastrofe was het. En die heb IK over Juda en Jeruzalem gebracht, zegt de HERE.
Velen proberen tegenwoordig elke relatie tussen God en rampen te ontkennen.
Hun bedoeling is vaak goed.
Men probeert dan de HERE in bescherming te nemen tegen allerlei aanvallen. Maar dan gaat men in zijn ijver te ver. Want volgens de Schrift is het helemaal niet waar, dat God nooit iets met rampen en oorlog en verwoesting heeft uit te staan. De HERE zegt het hier zelf heel nadrukkelijk: IK heb die rampen over Juda en Jeruzalem gebracht.
En waarom heeft Hij dat gedaan?
Ten gevolge van het kwaad dat ze bedreven om Mij te krenken, door offers te ontsteken 'voor andere go den (vs. 3). Jahweh is geen kille, koude God die door niets geraakt wordt en die alles wat er gebeurt, onaandoenlijk zit aan te staren zonder er ook maar in het minst door beroerd te worden. Geen sprake van.
Hij kan gekrenkt worden. Juist omdat Hij een God van liefde is en zijn volk zo liefheeft, kan zijn volk Hem zo diep krenken als het zijn heil zoekt bij anderen. Liefde is exclusief.
Liefde kan het niet verdragen als er derden in het spel komen. Daarom, vanwege gekrenkte liefde, had Jahweh die rampen over Juda en Jeruzalem gebracht.
Daar herinnert Hij de Judeeërs in Egypte aan. J ullie weten er alles van, zegt Hij in vs. 2. Jullie zijn er zelf bij geweest en er getuigen van geweest.
En Ik had nog wel zó gewaarschuwd, gaat Hij verder. Al mijn knechten, de profeten, heb Ik gestuurd, vroeg en laat, steeds maar weer bizonder ophouden, met de boodschap: doet zo iets gruwelijks dat Ik haat, toch niet.
Afgoden dienen, je heil zoeken bij iemand of iets anders dan bij Jahweh, is iets gruwelijks, iets afschuwwekkends.
De HERE haat het, Hij walgt ervan. Daarom zijn Jeruzalem "en de steden van Juda nu een woestenij (vs. 6).
Dat weten jullie toch, zegt de HERE.
Maar waarom beginnen jullie dan nu weer opnieuw Mij te krenken en hier in Egypte andere goden te dienen?
Begrijpen jullie dan niet waar jullie mee bezig zijn? Jullie begaan een groot kwaad tegen jullie eigen leven.
Jullie roeien man en vrouwen kind en zuigeling uit Juda uit, zodat er uiteindelijk niemand van jullie overblijft (vs. 7). Daar zijn jullie mee bezig.
Jullie roeien jezelf uit. Dat is het resultaat van afgodendienst. Afgodendienst is zelfmoord.
Zijn jullie dan nu al weer vergeten wat voor kwaad jullie vaderen en jullie zelf gedaan hebben in Jeruzalems straten en dat daarom Jeruzalem nu een puinhoop is (vs. 9)? Er is nog helemaal niets veranderd (vs. 10).
Zelfs de verwoesting van Jeruzalem en de ballingschap hebben jullie niet tot inkeer gebracht. Ze hebben geen spoor van verootmoediging teweeg .gebracht.
Versmade liefde
Je hoort de teleurstelling in de woorden van Jahweh meeklinken. Hij had zo gehoopt, zo graag gewild, dat zijn volk door de oordelen tot inkeer zou komen en zich met heel het hart tot Hem gekeerd zou hebben. Maar het is niet gebeurd. Ze zijn niets veranderd.
Ze hebben er niets van geleerd.
Zo hardnekkig kunnen mensen zijn.
Dwars door Gods oordelen heen kunnen ze voor Hem overeind blijven staan en weigeren voor Hem te buigen.
Daarom, zegt de HERE, komt het oordeel opnieuw over jullie. Hier in Egypte. Het zal komen in alle hevigheid.
Jullie zullen allemaal uitgeroeid worden in Egypte en nooit terugkeren naar Juda, op een paar vluchtelingen na (vss, 11-14).
En dan moet u even op de reactie van het volk letten, van de mannen en de vrouwen. Die is nu veel scherper dan de reactie op weg naar Egypte. Toen zeiden ze nog: we geloven niet dat Jeremia's woord Jahweh's woord is; daarom luisteren we er niet naar. Toen hielden ze nog de schijn op dat ze niet onverschillig waren voor Gods Woord. Maar dat doen ze nu niet eens meer. Ze zeggen nu ronduit: wij luisteren niet naar wat je ons in naam van Jahweh hebt gezegd. We leggen het gewoon naast ons neer.
Nu komt de aap onverbloemd uit de mouw. Nu komt ongecamoufleerd naar buiten van altijd al hun houding bepaald heeft: de weigering om naar de HERE te luisteren.
Dat móet er ook wel een keer uitkomen.
Als iemand weigert Christus te erkennen als degene die het in zijn leven voor het zeggen heeft, dan kan hij dat wel een hele tijd camoufleren met allerlei redeneringen en argumenten.
Maar op een gegeven ogenblik geeft hij zich bloot. Dan zegt hij: het kan wel waar zijn dat Christus dat gezegd heeft, maar ik doe toch wat ik wil. Of hij zegt: Paulus kan me nog meer vertellen.
Dan komt de grondhouding, de positiekeuze van het hart duidelijk aan het licht.
Feiten zijn stom
Maar hoe kan dat nu? vraag iemand, Heeft de verwoesting van Jeruzalem hun dan zo weinig te zeggen? Trekken ze daar dan helemaal geen lering 'uit? Ze kunnen daar toch niet omheen?
Dat feit spreekt toch een duidelijke taal?
Ja, dat vonden de Joden in Egypte ook. Maar zij hoorden er iets heel anders. in. Juist omdat we de ene ramp na de andere beleven, zeiden ze, zijn. we weer begonnen met het brengen van offers aan de koningin des hemels. Vroeger, in de tijd vóór Josia, deden we dat ook. En toen ging het ons goed. Toen hadden we volop te eten en t~ drinken. Toen waren er geen catastrofes. Toen waren we gelukkig.
Maar toen kwam Josia en maakte er een eind aan. Sinds die tijd brachten we geen offers meer aan de koningin des hemels. En toen had je de poppen aan het dansen. Van dat moment af is de ene ramp na de andere over ons gekomen. Wat is ons sindsdien al niet aan onheil overkomen!
Josia zelf is gesneuveld tegen farao Nacho. Het land moet een zware schatting betalen aan Egypte. Dat hebben we gevoeld! Toen kwamen de Babyloniêrs, Koning Jojachim werd in ballingschap gevoerd met een deel van het volk. Onze industrie werd ontmanteld. Daar kwam nog eens een zware droogte en een hongersnood overheen. Jeruzalem werd verwoest met de tempel. Het grootste deel van het volk werd naar Babel gevoerd. En nu zitten wij hier in Egypte als politieke vluchtelingen zonder land. En tallozen van ons hebben een of meer familieleden verloren door de honger, het zwaard en de ballingschap. Het is één lange reeks van rampen, omdat we indertijd gestopt zijn met het brengen van offers aan de koningin des Hemels.
Daar ligt de oorzaak van onze ellende.
En daarom hebben we geloften gedaan, dat we de koningin des hemels weer offers zullen brengen. Die geloften zullen we houden ook. Daar breng je ons niet van af, Jeremia.